Aan het begin van de negentiende eeuw kreeg Nederlands Oost-Indië de rol van wingewest om de deerlijk in het ongerede geraakt moederlandse staathuishouding weer op orde te brengen. Evenals in andere koloniale rijken, zoals het Spaanse in Latijns-Amerika, was de mijnbouw een relatief eenvoudige en vanzelfsprekende manier om natuurlijke rijkdommen te exploiteren. In de Indonesische archipel waren goud en tin al in de VOC-tijd belangrijke delfstoffen, al werd van de Bangka tinmijnen de meeste tin eenvoudigweg de archipel uit gesmokkeld en was de goudwinning op Borneo geheel in Chinese handen. De Bangka tinmijnen kwamen in het begin van de negentiende eeuw echter onder direct koloniaal gezag en ontwikkelden zich tot een prominente bron van inkomsten voor de Nederlands Oost-Indische staatskas. De Ombilin steenkoolmijnen op Sumatra, ontdekt door de ingenieurs van het Mijnwezen, werden in 1892 in gebruik genomen en waren van onschatbare strategische waarde voor de scheepvaart in de archipel. De Ombilinmijnen kwamen dan ook vrijwel meteen in handen van de Nederlandse staat. Dit gebeurde niet met de oliewinning, die tegen het einde van de koloniale periode van nog veel groter economisch belang was voor Nederland dan de tin en steenkool. De koloniale overheid, laat staan de Nederlands Oost-Indische samenleving, had daar echter weinig baat bij, want de winsten verdwenen samen met de olie uit Nederlands Oost-Indië. Al met al stak de mijnbouw in Nederlands Oost-Indië pover af bij de handel in een grote variëteit aan exportgewassen die het koloniale bewind met succes in Nederlands Oost-Indië had geïntroduceerd. Dit valt niet alleen te verklaren uit de relatief geringe aanwezigheid van delfstoffen, maar ook uit de moeizame en trage voortgang van het geologische en mijnbouwkundige onderzoek naar delfstoffen in de archipel.

De vraag is daarom relevant of het koloniale gezag wel bereid was om kost voor de baat uit te laten gaan en flink te investeren in mijnbouwkundige expertise om de rijkdommen aan Indische bodem te onttrekken. Een studie naar de geschiedenis van de mijnbouwkundige en geologische exploratie van koloniaal Indonesië is daarom een welkome bijdrage aan de geschiedenis van het Nederlandse kolonialisme. Het proefschrift van Peter de Ruiter over het Mijnwezen in Nederlands Oost-Indië behandelt de geschiedenis van de gouvernementsafdeling, die verantwoordelijk was voor geologisch onderzoek, het slaan van artesische putten – cruciaal voor de stedelijke drinkwatervoorziening – en het verbeteren van extractiemethoden van delfstoffen. Pas in 1850 gestart met vier mijnbouwkundigen, groeide deze afdeling langzaam tot een formatie van dertien in 1871 om zich tot aan de grote crisis van de jaren dertig gestaag verder uit te breiden.

De Ruiters verhaal is er een van talloze tegenslagen en een enkel succes. Een van die successen was ook nog eens ondanks en niet dankzij het Mijnwezen. De Billiton tinmijnen ontstonden geheel tegen het advies van de mijnbouwkundige H.J. Croockewit, die na een bezoek aan Billiton de beroemd geworden uitspraak deed dat er op het eiland geen tin was. Een nieuwe expeditie, geleid door V.G. baron Van Tuyll van Serooskerken en J.F. Loudon, ontdekte wel tinaders dankzij de aanwijzingen van F. den Dekker, een Indo-Europese klerk werkzaam bij de haven van Muntok. Den Dekker kende de bewoners van het eiland Billiton en beheerste een Chinese taal, waardoor hij kon communiceren met de mijnwerkers. Lokale kennis was alles in die tijd en daar kon Croockewit van meepraten. Hij had zich maar moeizaam kunnen handhaven op dit door piraten bevolkte eiland en was door lokale bewoners, die van zijn aanwezigheid niet waren gediend, meermalen om de tuin geleid. Zijn rapport over de aanwezigheid van tin was dan ook uitsluitend gebaseerd op wat te hooi en te gras genomen bodemmonsters.

Terecht benadrukt De Ruiter in zijn proefschrift dat grote delen van de archipel in de negentiende eeuw uiterst gevaarlijk terrein waren voor Europeanen. De sterfte was hoog onder de mijnbouwkundige ingenieurs. Maar wat door De Ruiter wel vermeld had mogen worden, is dat Chinese mijnbouwers al eeuwenlang actief waren in Zuidoost Azië. Van die Chinese rol in de mijnbouw in Nederlands Oost-Indië lijkt De Ruiter zich niet bewust te zijn. Zo vermeldt de tekst op de achterflap dat de Bangka tin werd gedolven door ‘inlandse mijnwerkers’, terwijl het toch echt Chinese kongsis – zelfstandige groepen arbeiders met eigen leiders – waren die tot het einde van de negentiende eeuw de mijnen draaiend hielden. Zo ging het overigens ook in de Billiton mijnen. Europese mijntechnologie werd pas interessant toen het ertsgehalte in de tinlagen afnam en er grof geschut moest worden ingezet, zoals draglines en reusachtige baggermachines. Pas aan het einde van de negentiende eeuw introduceerden de Europeanen grootschalige geïndustrialiseerde mijnbouw in Nederlands Oost-Indië en trouwens ook in Brits Maleisië, dat in die tijd Nederlands Oost-Indië voorbijstreefde als tinexporteur.

Over de technische evolutie van deze tinmijnbouw en de resulterende ecologische verwoesting kunnen we overigens lezen in recent artikel van Corey Ross.1 Ook de ecologische aspecten van de mijnbouw komen er, net als de sociale, bekaaid af in dit proefschrift.

Hoewel de Ruiter een aantal flinke steken laat vallen, is zijn proefschrift zeker de moeite waard om te lezen. Daarbij is het wetenschapshistorische deel zonder meer het beste en interessantste. Het beschrijft de grote ontdekkingen van de Snellius-expeditie op het terrein van de oceanografie en van de Vening-Meinesz-expeditie op het gebied van de geodesie – de wetenschap van de vorming der aarde – en de plaattektoniek. Verder was er nog de beklimming van de Carstenztop in Nieuw-Guinea, waarbij een grote hoeveelheid koper en gouderts werd ontdekt, die overigens door hun afgelegenheid pas decennia later, in de jaren zeventig van de twintigste eeuw, kon worden geëxploiteerd.