Het gebied rond het Nederlandse Zuid-Limburg vormde lange tijd een van de belangrijke centra voor kolenwinning in Noordwest-Europa. In Nederland ging het om de Oostelijke en Westelijke Mijnstreek, in Duitsland om het kolenbekken rond Aken, in Wallonië om het omvangrijke kolenwinningsgebied in de Borinage en in Belgisch-Limburg om het Kempische mijnbekken. De grootschalige kolenexploitatie in de provincie Luik en de Borinage lag aan de basis van het ontstaan van een van de oudste industriegebieden van Europa; dit gebied was van de vier genoemde het omvangrijkst in termen van voorraad en productie en ging het verst terug in de tijd. Chronologisch gezien volgde daarna de industriële exploitatie van de kolen rond Aken. De grootschalige kolenwinning in Nederlands- en Belgisch-Limburg is van relatief recente datum. Die kwam pas echt op gang toen vanwege de snelle groei van de staalindustrie vanaf 1890 de marktvraag naar vette kolen sterk toenam.

Delbroeks studie is een bewerking van een onderzoek naar de werking van de arbeidsmarkt voor mijnwerkers in Belgisch-Limburg, waarop de auteur in 2011 is gepromoveerd aan de Vrije Universiteit Brussel. Als zodanig past deze studie in een breder onderzoeksprogramma naar de werking van de arbeidsmarkt voor de mijnbouw in de Euregio Maas-Rijn. Over de Nederlands-Limburgse en Luikse mijnarbeidsmarkten zijn al eerder (óók in de Maaslandse Monografieën) twee dissertaties, van respectievelijk Serge Langeweg en Leen Roels, uitgegeven.1

De auteur wil inzicht bieden in de wijze waarop een in Belgisch-Limburg betrekkelijk nieuwe nijverheid als de grootschalige mijnbouw zich ontwikkelde ‘en hoe arbeiders omgingen met de geboden arbeidsvoorwaarden op het gebied van loon en loonberekening, werving, werktijden, hiërarchie en veiligheid’. Twee vragen staan in deze studie centraal: onder welke omstandigheden kwam er een arbeidsmarkt voor mijnwerkers tot stand en hoe werd deze door de betrokkenen (werkgevers, overheid, mijnwerkers, bonden, etc.) vormgegeven (16)? In zijn onderzoek gaat de auteur uit van het relatief oude concept van ‘de arbeidsmarkt als arena’, ontleend aan de arbeidsmarktsociologie, met daarin een centrale rol voor machts- en afhankelijkheidsrelaties.2 De auteur plaatst enige kanttekeningen bij de operationalisering van dit concept, maar of en in hoeverre nader onderzoek de laatste dertig jaar afbreuk heeft gedaan aan de onderliggende theoretische noties, is niet duidelijk. Delbroek benadrukt nog dat in zijn onderzoek het accent ligt op de ‘dagelijkse werkelijkheid’ van het gedrag van de betrokken mijndirecties en mijnwerkers (en dus niet op uitzonderlijke gebeurtenissen en incidenten als stakingen). De onderzochte periode loopt van circa 1900 tot 1966, het laatste jaar waarin de Belgisch-Limburgse mijnbedrijven nog in particuliere handen waren.

In de put heeft een thematisch-chronologische opzet. Hoofdstuk 1 is gewijd aan de ontstaansgeschiedenis van het Limburgse kolenbekken en het eerste decennium na de ontdekking van de steenkool in 1901. Vervolgens wordt eerst de lange termijnontwikkeling van de arbeidsmarkt voor mijnwerkers in Belgisch-Limburg geanalyseerd aan de hand van de vraag- en aanbodzijde (hoofdstuk 2 en 3). Daarbij wordt onder andere ingezoomd op de conjunctuurgevoelige ontwikkeling van de steenkolenmarkt, terwijl ook de invloed van demografische factoren wordt behandeld evenals de beschikbaarheid van arbeidskrachten naar herkomst en kwalificatie (waarbij ook factoren als grensoverschrijdende arbeid en migratie een belangrijke rol speelden). Hoofdstuk 4 behandelt de wijze waarop de aanwervingen van de mijnwerkers waren georganiseerd (o.a. rekruteringsstrategieën, selectiecriteria en wervingsprocedures). In hoofdstuk 5 worden de middelen die de werkgevers aanwendden om arbeidskrachten aan te trekken en vast te houden nader geanalyseerd (employment package). Het laatste hoofdstuk is gewijd aan de opleiding tot mijnwerker als arbeidsmarktinstrument, waarbij het vooral gaat om onderwijsmogelijkheden en scholingsfaciliteiten. Na eerdere, niet zo succesvolle initiatieven, kwam in Belgisch-Limburg dit beroepsonderwijs pas na de Tweede Oorlog goed op gang. Dit onderwijs bleek in de praktijk echter vooral gericht op de vorming van toekomstige opzichters. Als zodanig fungeerde het ‘eerder als instrument voor promotie’ (200). In Delbroeks onderzoek staat het personeel van de mijnen centraal, zowel ondergronds als bovengronds. Naar de herkomst en samenstelling van het hogere kader en de directies van de Belgisch-Limburgse steenkolenmijnen is nog relatief weinig gedetailleerd onderzoek gedaan.3 In dat verband kan bijvoorbeeld de vraag worden gesteld in hoeverre cultuurverschillen tussen de top en het andere personeel van de mijnen een rol heeft gespeeld in een onderscheiden personeelsbeleid tussen de regio’s onderling en zelfs binnen een bepaalde mijn zelf. Uit het overzicht dat Delbroek geeft in bijlage 2 van de directeur-gérants van de zeven Limburgse steenkolenmijnen blijkt wel dat de directies zeer lange tijd, tot in de jaren vijftig, vooral uit Franstaligen bestond. Die waren ongetwijfeld voor een belangrijk deel, net als het investeringskapitaal zelf (29–34), afkomstig uit het Waalse industriebekken. Taalverschillen bemoeilijkten uiteraard ook de dagelijkse communicatie tussen de Franstalige leiding en de mijnarbeiders die meestal niet Franstalig waren. Pas in 1952 verplichtten de Limburgse mijnbedrijven zich om zowel intern als ook extern het Nederlands als voertaal te gebruiken. In datzelfde jaar waren ruim veertigduizend mensen werkzaam in de zeven Limburgse mijnen, circa 30 procent buitenlanders en 70 procent Belgen, de laatsten voor het grootste deel Nederlandstalig (tabel 3.21).

Het aanbod van arbeidskrachten wordt in hoofdstuk 3 nader geanalyseerd, vooral aan de hand van statistische gegevens. Belgisch-Limburg was relatief dunbevolkt, en hoewel het een behoorlijk hoog geboorteoverschot kende, moesten veel mijnwerkers elders uit België worden aangetrokken. Gedurende de hele periode was ook sprake van een groot contingent buitenlandse arbeidsmigranten, aanvankelijk vooral Italianen, later Spanjaarden, Grieken en Turken. In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog werd ook een aanzienlijke groep Oost-Europese vluchtelingen (in 1947 en 1948 ging het om 7100 mensen) op basis van tweejarige contracten aangeworven. Een bijzondere categorie vormden de mannen die, doorgaans met zeer actieve medewerking van de mijndirecties, gedwongen tewerk werden gesteld. Tijdens de oorlogsjaren, toen de Duitsers de baas waren, ging het vooral om krijgsgevangenen uit Oost-Europa (Oekraïners, Wit-Russen en Russen) en in de periode 1945–1949 om Duitse krijgsgevangen. Een aparte groep vormden de zogenoemde ‘incivieken’ (politieke delinquenten en collaborateurs) (107-108). Hoe de reguliere mijnwerkers (zowel de Belgen als de vrijwillige buitenlandse migranten) op deze gedwongen tewerkstelling reageerden en of dit afbreuk deed aan de heersende beroepsethiek, blijft in deze studie helaas buiten beeld.4

De beloning was uiteraard een belangrijke factor voor de rekrutering en binding van de mijnwerkers. Er werden verschillende loonstelsels gehanteerd: tijdlonen (vooral voor het bovengronds personeel en ondergrondse arbeiders die niet direct bij de productie waren betrokken) en ‘akkoordlonen’ – dit laatste is een vorm van stukloon (loon naar prestatie of productiviteit). De berekening van de lonen en de verschillen tussen de vele functiegroepen waren complex; die gaven voortdurende aanleiding tot controverses. De loonberekening was vaak zo ingewikkeld dat ze niet alleen voor de mijnwerkers zelf, maar ook voor de mijnwerkersvakbonden onduidelijk was (128–130). Wat elders – in Nederland of het Waalse bekken – mogelijk was, gold niet per se voor Belgisch-Limburg, waar sprake was van een relatief groot arbeidsverloop en een constant gebrek aan ervaren arbeidskrachten. Het wordt niet duidelijk in hoeverre dit nu precies te wijten is aan het relatief lage aandeel van de akkoordlonen in Belgisch-Limburg (die gingen door de druk om productie te maken ten koste van de veiligheid, zoals betoogd door de vakbonden na de mijnramp in Marcinelle in 1956). Opvallend zijn echter wel de verschillen met de aansluitende regio’s: in 1956 was het aandeel van de productielonen in Belgisch-Limburg 29,1 procent, tegenover voor de mijnen in België als geheel 43 procent, in Nederland 87,1 procent en in Duitsland 44,7 procent. Het grote verloop in Belgisch-Limburg is voor een deel ongetwijfeld ook terug te voeren op de relatief beperkte investeringen in onderwijs en scholing van de mijnwerkers en op de bezuinigingen op andere arbeidsvoorwaarden. In het algemeen bespaarden de aandeelhouders en directies op de kosten ten nadele van de mijnwerkers. Tot in de jaren vijftig was het beleid in handen van hardliners, calculerend en kapitalistisch. Hun beleid moest worden gematigd onder invloed van het groeiende tekort aan arbeidskrachten. Toen in de jaren zestig de exploitatie van de laatste verliesgevende mijnen aan de staat was overgedaan, behielden de voormalige particuliere eigenaren vooralsnog de mijnwerkerswoningen. Die werden vanaf 1967 profijtelijk verkocht. Wat betreft scholing, beloningsbeleid en huisvesting trokken de mijnwerkers veelal aan het kortste eind. De directies benutten de ruimte die ze hadden maximaal en zo lang het kon. Die ruimte werd echter beperkt door de sociale wetgeving van de overheid, die vanaf het einde van de negentiende eeuw steeds meer werd uitgebouwd (bijvoorbeeld de achturige werkdag, pensioenen en uitkeringen bij ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid). De invloed van de vakbonden was relatief zwak. Anders dan bijvoorbeeld in Wallonië was in Belgisch-Limburg geen sprake van een militante arbeidersbeweging.