Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1982 ging er een schokgolf door de Nederlandse politiek: de extreemrechtse Centrumpartij (CP) haalde voor het eerst sinds haar oprichting in 1980 een zetel. Hans Janmaat maakte zijn opwachting in het Binnenhof, voor wat een lange reeks van incidenten, conflicten en interne spanningen zou worden. We zijn intussen wel wat gewend geraakt betreffende extreem kiesgedrag, maar in 1982 was het fenomeen nog nieuw. De emotionele reactie van Janmaats tegenstanders was dan ook bijzonder krachtig: was het echt mogelijk dat zelfs in Nederland extreemrechts voortaan deel zou uitmaken van het politieke bestel? Janmaat presenteerde zich als een uitdager van het heersende politiek systeem, en in zijn proefschrift onderzoekt historicus Jan de Vetten hoe dit bestel reageerde op de komst van deze uitdager. Zoals het hoort bij een proefschrift, doet De Vetten dit op systematische wijze en vertelt hij uitgebreid over de wijze waarop op Janmaat werd gereageerd in het parlement, voor de rechtbanken en in de media. De Vetten vertelt dit verhaal nauwgezet en uitvoerig.

In de ban van goed en fout leest vlot en biedt een nauwkeurig overzicht van het onderwerp. In het inleidende hoofdstuk vinden we een samenvatting van de theorievorming met betrekking tot extreemrechts, racisme en populistisch kiesgedrag, maar het proefschrift leest vooral als een traditioneel feitenrelaas van de reacties op de opkomst van de Centrumpartij (vanaf 1984: Centrumdemocraten) in Nederland. Om maar meteen de belangrijkste conclusie te noemen: er bestond niet zoiets als één overkoepelende reactie. Elke politicus of organisatie reageerde op eigen wijze op de opkomst van de Centrumpartij en van enige coördinatie was daarbij geen sprake. Sommige politici hoopten dat het fenomeen weg zou gaan als men het simpelweg negeerde. Anderen hoopten via de rechtbank een verbod op de partij af te dwingen. Nog weer anderen verwierpen weliswaar de methoden van de partij, maar vroegen ook aandacht voor de problemen binnen de samenleving die volgens hen verantwoordelijk waren voor het electoraal succes van de partij. Bovendien moesten de verschillende strategieën voortdurend worden bijgestuurd: toen de meeste Kamerleden aanvankelijk de interventies van Janmaat wilden negeren, bleek dat dit arrogant overkwam in de media. Ze moesten dus wel reageren, waarbij het de kunst was zich niet te laten meeslepen door Janmaats provocaties.

Het woord ‘bestrijding’ in de ondertitel van dit werk is daarom enigszins misleidend: dit insinueert dat er een heuse strategie tegen de Centrumpartij bestond. In werkelijkheid deed iedereen maar wat, in een verspreide slagorde. Als de partijen de afspraak maakten dat ze Janmaat zouden negeren, waren er altijd nog Kamerleden die er voor kozen hem de hand te schudden. Anderen verloren hun geduld bij de pesterijen van Janmaat, wat tot felle woordenwisseling leidde. Toen de Anne Frank Stichting in 1984 een klacht tegen Janmaat indiende, gingen er stemmen op die vonden dat je een politieke tegenstrever niet op die manier de mond mocht snoeren. Het had allemaal iets heel menselijks: iedereen leek over te lopen van goede bedoelingen, maar in feite wist niemand hoe je het best reageert op de strategieën van Janmaat en zijn partijgenoten.

De Vetten is op zijn best als hij nauwgezet het verhaal reconstrueert en de chronologie laat spreken. Op theoretisch vlak blijft hij een beetje op de vlakte. De titel van het boek lijkt te suggereren dat de reactie op de Centrumpartij grotendeels werd bepaald door de manier waarop de Nederlandse samenleving het trauma van de Duitse bezetting heeft verwerkt. Daarbij was in de jaren tachtig inderdaad weinig plaats voor nuancering en werd nog gedacht in termen van absoluut goed en absoluut fout. De titel van het boek suggereert dat eenzelfde radicale tegenstelling ook werd gebruikt in het debat rond de Centrumpartij, maar de auteur onderneemt geen enkele poging om die suggestie hard te maken. Het is zelfs opvallend dat er door tegenstanders van de Centrumpartij zelden naar de Tweede Wereldoorlog werd verwezen. Een internationale vergelijking zou bovendien duidelijk hebben gemaakt dat de oorlogservaring niet bepalend was voor de reactie op de opkomst van extreemrechts in de jaren tachtig. De verwerking van de Tweede Wereldoorlog verliep bovendien anders in de Belgische samenleving dan in de Nederlandse, waarbij er vooral aan de Vlaamse kant meer begrip was voor de collaboratie met de Duitse bezetter dan aan de Waalse kant. Ook in Vlaanderen liepen politieke partijen, de media en allerlei organisaties over elkaar heen om hun morele verontwaardiging over de opkomst van extreem rechtse partijen te uiten. Met andere woorden: de oorlogservaring lijkt wat dit betreft geen blijvende invloed te hebben gehad. De auteur doet geen poging andere nationale casussen te betrekken of zijn betoog theoretisch te onderbouwen. Ook de conclusie van het boek valt daardoor wat tegen. De Vetten beseft dat hij zich in een mijnenveld heeft begeven en dat ongeveer elke uitspraak hem kritiek zal opleveren, want ook twee decennia later is het debat over extreemrechts nog altijd gepolariseerd. Het resultaat is dat hij zich wat op de vlakte houdt. De conclusie lijkt daarom meer op een samenvatting. Die neutraliteit gaat bovendien soms iets te ver, zoals wanneer De Vetten stelt: ‘Ze waren geen politieke tegenstanders, maar vijanden die bestreden moesten worden. Ze waren “fout”! Een zakelijke omgang was onmogelijk’ (281). Eerder vertelt De Vetten echter uitvoerig hoe Janmaat er een voortdurend plezier in vond andere Kamerleden te treiteren, tot en met een botte reactie op de plotselinge dood van minister van Binnenlandse Zaken Ien Dales in 1994. Hoe stelt De Vetten zich een ‘zakelijke omgang’ met een dergelijke querulant voor?

In de ban van goed en fout biedt dus veel feitenmateriaal, maar ontwijkt de grotere vragen die met dit onderwerp verbonden zijn. Kan en mag een democratisch systeem zich verdedigen tegen dit soort extremistische partijen, en welke verdedigingsstrategie is daarbij het meest effectief? Kunnen we een vergelijking maken tussen de heilige verontwaardiging jegens het rechts-extremisme in jaren tachtig van de vorige eeuw en de manier waarop we tegenwoordig reageren op populistische uitdagers? Jan de Vetten levert een groot aantal feiten, maar de conclusies moeten we als lezers alsnog zelf formuleren.