Turbulente tijden biedt een uniek beeld van hoe het was om op te groeien in Zierikzee in de zestiende eeuw, door weeskinderen uit die stad te volgen van hun geboorte tot het bereiken van de volwassen leeftijd. Katie Heyning maakte gebruik van het archief van de weeskamer, een instelling die toezicht hield op de erfenis van kinderen die één of beide ouders hadden verloren. Naar deze administratie is door historici nauwelijks omgekeken en dat is volledig ten onrechte, zo mogen we op basis van deze studie concluderen: de documenten die werden verzameld door de weesmeesters die aan het hoofd van de weeskamer stonden, leveren een schat aan informatie op over opvoeding, opgroeien en de eerste stappen op weg naar volwassenheid. Daarnaast verschaft het weeskamerarchief inzicht in het consumptiegedrag en de materiële cultuur in Zierikzee.

Minderjarigen die één of beide ouders hadden verloren – en dat waren er nogal wat – hadden recht op een erfdeel, dat in de regel werd beheerd door een voogd: de overgebleven ouder of een familielid. Voogden mochten voor het onderhoud en de opvoeding een beroep doen op het erfdeel. Waarschijnlijk om misbruik te voorkomen, richtten vele steden in de late vijftiende eeuw weeskamers op, waar weesmeesters toezicht hielden op het financieel beheer van voogden. In een jaarlijks overzicht moesten de voogden inzicht geven in de inkomsten van het erfdeel – zoals de huurinkomsten van onroerend goed – en de uitgaven gedaan ten behoeve van het weeskind verantwoorden. Het archief van de weeskamer in Zierikzee bevat vele tientallen jaaroverzichten, opgesteld door de voogden van meisjes en jongens die hadden geërfd. Dit is het materiaal waarop Heyning haar collectieve biografie van kinderen en jongeren in zestiende-eeuws Zierikzee heeft gebaseerd.

Als kinderen bij hun geboorte een ouder verloren – wanneer bijvoorbeeld hun moeder het leven liet in het kraambed – kregen ze een voogd toegewezen, die verantwoordelijk bleef tot het kind meerderjarig werd. Meisjes waren aan het begin van de zestiende eeuw volwassen zodra zij de zestienjarige leeftijd bereikten, later in de eeuw werd dit verhoogd naar twintig jaar. Jongens stonden steeds tot hun twintigste onder voogdij. Het weeskamerarchief bevat de financiële administratie van voogden van baby’s, peuters, kleuters, kinderen, en jongvolwassenen. In Turbulente tijden lezen we over vaders die bij het overlijden van de moeder in het kraambed spoorslags op zoek moesten gaan naar een ‘min’ die de zorg voor de zuigeling op zich nam, of naar een dienstbode die de wat oudere kinderen in het gareel kon houden. Het weeskamerarchief biedt ook gedetailleerd inzicht in het onderwijs, dat natuurlijk een forse kostenpost was. Heyning slaagt erin een prachtig beeld te schetsen van onderwijs voor meisjes en dat voor jongens, en nuanceert genderverschillen die eerder door historici werden gesuggereerd. Zo blijken niet alleen Zierikzeese jongens, maar ook meisjes de Franse school bezocht te hebben. Daarnaast volgden meisjes ook geregeld een vervolgopleiding buiten Zierikzee aan gespecialiseerde meisjesscholen of bij particulieren, waar zij een vak konden leren. Aangezien de wezen en halfwezen tot hun twintigste werden bevoogd, biedt Turbulente tijden ook nog eens zicht op vrijages en bruiloftsvoorbereidingen.

De eerste helft van dit boek behandelt de jeugd aan de hand van het uitgavenpatroon van de voogden. In de tweede helft staan de verworvenheden van volwassenen centraal: het weeskamerarchief bevat namelijk ook boedelinventarissen, waarin de bezittingen van de ouder of ouders ten tijde van het overlijden omschreven staan. Zulke lijsten met bezittingen werden veelvuldig bestudeerd door historici die zich bezighouden met materiële cultuur, maar die concentreerden zich steevast op de periode na de Opstand. Studies naar bezit in de zestiende eeuw zijn bijzonder schaars, dus ook in dit opzicht levert Heynings boek nieuwe inzichten op. Boedelinventarissen vermelden onder meer kleding en dat geeft antwoord op de vraag of men zich in Zierikzee voor de Opstand echt zo sober kleedde als zeventiende-eeuwse zedenpredikers hun gevolg voorhielden. Daarvan lijkt geen sprake geweest te zijn: ook in de zestiende eeuw werden kledingtrends in Zierikzee op de voet gevolgd. Ook luxegoederen komen in Turbulente tijden aan bod, zoals ‘bekers gemaakt van kokosnoot en gevat in zilveren of verguld zilveren houders’ (212), die suggereren dat Zierikzeeënaren geïnteresseerd waren in exotische producten en die wellicht uit Palestina meenamen als aandenken aan hun reis naar het Heilige Land. Ook opmerkelijk is het grote aantal geografische kaarten dat hing aan de muren in Zierikzee: Heyning telde ‘139 kaarten in 56 boedelinventarissen’ (214).

De voornaamste conclusie die Heyning trekt uit de Zierikzeese boedelinventarissen is dat de Zeeuwen zich meer aan nieuwe consumptiegoederen te buiten gingen dan de Hollanders: laatstgenoemden zouden pas in de Gouden Eeuw met een verfijndere cultuur in aanraking zijn gekomen. Of dat echt zo is, is op zijn minst twijfelachtig. Er is nu eenmaal nauwelijks onderzoek gedaan naar boedelinventarissen in Holland vóór 1600, dus iedere vergelijking gaat wat dit betreft mank. Huizen in pakweg Dordrecht, Haarlem of Leiden zouden relatief karig ingericht kunnen zijn met hooguit ‘een enkel devotiestuk’, zoals Heyning suggereert (203), maar ze zouden evengoed op die in Zierikzee geleken kunnen hebben. Vooralsnog weten we het eenvoudig niet; wellicht biedt Heynings boek een aanzet tot een nadere analyse van weeskamerarchieven in andere delen van de Lage Landen?

Wat Heyning wel aantoont is dat er globale overeenkomsten bestonden tussen de interieurs in Zierikzee en Antwerpen – de zestiende-eeuwse handelsmetropool waarover veel meer bekend is, ook wat consumptie en materiële cultuur betreft. Welke conclusies we aan die overeenkomsten moeten verbinden, blijft echter onduidelijk, vooral omdat de auteur zich niet mengt in historische debatten. Belangrijke synthetiserende studies, zoals Martha Howells Commerce before Capitalism (2010), en Jan de Vries’ The Industrious Revolution (2008)1, die consumentengedrag en materiële cultuur koppelen aan sociale en economische ontwikkelingen op de langere termijn, schitteren door afwezigheid. Dat is jammer, aangezien Heynings innovatieve analyse van boedelinventarissen en uitgavepatronen, zowel vóór als na het begin van de Opstand, een grote bijdrage kan leveren aan het debat over de consumptiecultuur tijdens de overgang van Late Middeleeuwen naar Vroegmoderne Tijd. Een écht systematische analyse van de administratie van de weesmeesters – zoals gebruikelijk is in studies naar zeventiende-eeuwse boedelinventarissen – biedt Turbulente tijden evenmin. Daardoor blijft het vaak lastig ontwikkelingen in de tijd te volgen en is het boek uiteindelijk wat al te impressionistisch.

Voor de meeste lezers zal het echter niet uitmaken dat Turbulente tijden vooral een inventariserend karakter heeft: in haar aangenaam leesbare en fraai geïllustreerde boek voert Heyning de lezer mee tot over de drempel van de huizen in Zierikzee. Heel bijzonder is het beeld dat zij schetst van de voogden, die zo goed en kwaad als dat ging de aan hen toevertrouwde weeskinderen opvoedden. Heyning toont de zestiende-eeuwse kindertijd, zoals maar weinigen hebben gedaan.