Kamerleden die uit vrije wil of onder pressie hun fractie verlaten en vervolgens hun zetel niet opgeven, maar voor zichzelf beginnen, veroorzaken steevast chagrijnige gezichten. Deze ‘zetelrovers’, zoals de afsplitsers door hun voormalige fractiegenoten worden weggezet, doorbreken de geldende norm door niet langer loyaal te zijn aan de fractieleiding. In sommige gevallen gaan ze zelfs over tot het buitenhangen van de vuile was. De historicus Geerten Waling wilde een bijdrage leveren aan de kritische evaluatie van honderd jaar kiesrecht en gaat specifiek in op het fenomeen ‘zetelroof’ (formeel: fractieafsplitsing). In zijn boek analyseert hij de spanning tussen enerzijds het individuele grondwettelijke mandaat van Kamerleden (‘De leden stemmen zonder last’) en anderzijds fractiediscipline en loyaliteit aan de partij. In de periode 1919–2017 telde Waling 58 gevallen van zetelroof in de Tweede Kamer en vijf in de Eerste Kamer.

Zetelroof begint met een losse schets van de voorgeschiedenis van het partijwezen, waarin onder andere de overgang van het districtenstelsel naar het stelsel van evenredige vertegenwoordiging aan bod komt. Vervolgens licht Waling tien gevallen van afsplitsing uit – de eerste ‘zetelrover’ is Henri van Groenendael, die in 1919 de katholieke fractie verliet (maar in de Kamer bleef), en de laatste is Jacques Monasch, die in 2016 uit de PvdA stapte. De verschillende conflicten leveren naast smakelijke anekdotes ook steevast maatschappelijke discussies op over de vraag aan wie de zetel toebehoort en welke middelen waren toegestaan om de zetel van een afgescheiden Kamerlid te vorderen. Dergelijke debatten zijn in de twintigste en begin eenentwintigste eeuw dus verschillende malen gevoerd, waarbij de ‘zetelrover’ keer op keer door zijn voormalig partijgenoten met ezelsoren op in de hoek werd gezet. Zetelrovers waren ‘stijfkoppig’, doorbraken ‘de eenheid’, waren ‘onverdraagzaam’ en maakten zich schuldig aan ‘spelbederf’.

Waling betoogt in het slothoofdstuk echter dat fractieafsplitsingen juist een verheugend verschijnsel zijn: zij waarborgen het open debat en vrijwaren de politiek van ongebreidelde partijmacht. Fractieleden horen geen gevangenen te zijn van een regeerakkoord, zij mogen zich niet laten knevelen in fractiediscipline. Hij stelt daarom dat zetelroof meer gewaardeerd mag worden als veiligheidsklep om de kiezersdemocratie te beschermen tegen tirannieke partijorganisaties. Omdat Waling steeds op dit aambeeld hamert, is dit fraai uitgegeven boek eerder een uitgebreid opiniestuk dan een historische studie.

De auteur bekritiseert ook de recente wijziging in het interne Kamerreglement waardoor afgesplitste Kamerleden minder spreektijd en minder budget worden toegestaan dan voorheen. Die wijziging werd doorgevoerd na onderzoek van een commissie onder leiding van Kamerlid Roelof Bisschop (SGP). Het rapport ‘Fractievorming in de Tweede Kamer’ werd in december 2016 in de Kamer behandeld en leverde tegenstrijdige reacties op. Het merendeel van de Kamer oordeelde dat met het versoberen van de rechten voor afsplitsers slechts op de franje was bezuinigd en een minderheid zag het rapport als een ‘strafexpeditie’ van de gevestigde partijen tegen hun ‘afvalligen’. Het mag geen verrassing zijn dat Waling zich bij de laatste groep heeft geschaard.

Zetelroof bevat een plezierige afwisseling tussen analyse en casuïstiek. Ook de tussenkopjes zijn goed gekozen, zoals ‘De PVV: zetelroverspartij met zetelroversfobie’ (127). De diverse afsplitsingen worden echter niet altijd even goed in de tijd geplaatst. Zo is het opmerkelijk dat de auteur geen aandacht schenkt aan de hoos van afsplitsingen in de jaren 1966–1971, toch een hoogtepunt in honderd jaar zetelroof. Ook lijkt hij soms wat eenzijdig in zijn oordelen over politici. Met instemming neemt hij een citaat over van Wilders’ biograaf Fennema, die verklaart dat het met de komst van VVD-fractievoorzitter Hans Dijkstal leek ‘of de grijze muizen regeerden’ (118); even verderop bleek ‘de gewezen hardliner Van Aartsen’ ‘een softie’ (123).

Walings argumenten kan ik grotendeels volgen. Partijen hebben inderdaad zelf ook aandeel in het vertrek van een lid uit hun midden en zouden er ofwel meer aan kunnen doen dat te voorkomen, ofwel niet zo moeten zeuren als iemand uit de fractie stapt. Helaas gaat Waling voorbij aan een van de belangrijkste kenmerken van de recente parlementaire geschiedenis: de zoektocht naar consensus. Bij het onderhandelen tussen minderheden hoort onlosmakelijk het sluiten van compromissen, ook binnen fracties. In het boek komt een citaat van toenmalig fractievoorzitter Jozias van Aartsen voor, die in september 2004 in een interview in de Volkskrant naar aanleiding van het vertrek van Geert Wilders uit de VVD-fractie zei: ‘De kern van de zaak is dat je als fractie een team bent’ (126). Ook dat lijkt me essentieel. Voetballers die op het veld alleen voor eigen scoringskansen gaan, wekken niet voor niets irritatie en dragen zelden bij aan succes.

Tegen de achtergrond van dalende ledentallen van politieke partijen en de komst van nieuwe bewegingen biedt dit boek interessante stof tot nadenken over de toekomst van de vertegenwoordigende democratie.