Hoe kan de democratie zich tegen politiek extremisme verweren zonder haar eigen beginselen te verloochenen (288)? Die vraag hebben veelal juristen, filosofen en politicologen zich sinds het aantreden van Hitler in 1933 vaak gesteld. Bekend is het werk van Karl Loewenstein, de Joodse filosoof en politiek wetenschapper, die in 1933 nazi-Duitsland ontvluchtte. Hij kwam tot de slotsom dat een democratie die niet ten onder wil gaan aan haar eigen tolerantie ‘vuur met vuur moet bestrijden’.1 De regimes die daarin niet slaagden (in Italië, Duitsland), zijn inmiddels veelvuldig bestudeerd door naoorlogse onderzoekers.2 De politicoloog Giovanni Capoccia besteedde aandacht aan de liberale democratieën die er wel in slaagden hun democratische rechtsstaat overeind te houden door ‘de extremisten te isoleren en zowel repressieve als inclusieve strategieën te hanteren’.3 De verhouding tussen de Nederlandse democratie en politiek extremisme in het interbellum is vooral door de historicus A.A. de Jonge bestudeerd, in zijn Crisis en critiek der democratie.4 Recentelijk heeft ook de politicoloog Bastiaan Rijpkema dit thema opgepakt.5

In zijn proefschrift Democratie en gezag. Extremismebestrijding in Nederland, 1917–1940 karakteriseert de historicus Joris Gijsenbergh de bestaande historiografie op het gebied van democratie en extremisme goeddeels als ‘anachronistisch’ en ‘reductionistisch’. Politicologen en sociologen stellen ‘nog altijd zelf democratiemodellen’ op en beoordelen democratievormen en –opvattingen uit het verleden met hedendaagse definities en normatieve interpretaties, stelt Gijsenbergh. Ook de nuance ontbreekt in het debat, zegt hij: Capoccia beschouwt iedere discussiant ofwel als democraat ofwel als antidemocraat en De Jonge classificeert de democratiediscussies in het interbellum als ‘grote’ ofwel als ‘kleine crisis’ van de democratie. Een palet aan gelaagde democratiedenkbeelden zien ze daarmee over het hoofd, betoogt de auteur (18, 227-228). In navolging van een begripshistorische verkenning van Henk te Velde6 wil hij daarom ‘een grotere variatie aan democratieopvattingen’ in beeld brengen (20-21).

Dit laatste doet hij aan de hand van het publieke debat over de bestrijding van politiek geweld en extremisme in het interbellum. Verschillende kabinetten introduceerden maatregelen als de Revolutiewet (1920), het Ambtenarenverbod (1933), strengere parlementaire tucht en het harder optreden van orde- en gezagsbewakers tegen ordeverstoringen en demonstraties. Voor- en tegenstanders betoogden dat deze maatregelen democratisch of juist ondemocratisch waren om hun eigen standpunten kracht bij te zetten. Achter de discussie over extremismebestrijding, schrijft Gijsenbergh, ging daarom een strijd om de betekenis van het begrip democratie schuil. Voorstanders van het Ambtenarenverbod bijvoorbeeld noemden deze maatregel een ‘vereiste van een gezonde, sterke democratie’; tegenstanders betoogden dat de democratie erdoor ‘gekortwiekt’ werd (163-164).

Om dit soort typeringen is het Gijsenbergh in Democratie en gezag te doen. In acht thematische hoofdstukken behandelt hij de aan het ‘extremismedebat’ onderliggende democratieopvattingen. Wie denkt dat de democratiekritiek in het interbellum slechts vorm kreeg in een debat over de keuze tussen democratie en dictatuur, concludeert Gijsenbergh, heeft het mis. De discussianten beschouwden zichzelf op een enkeling na allemaal als democraat. Alleen: zij zetten het begrip democratie naar eigen hand. Over de precieze vorm van het democratische stelsel ontbrandde daardoor een levendig parlementair en publiek debat.

Door dit te historiseren, laat Gijsenbergh mooi zien hoe in de jaren twintig het beginsel van de volksvertegenwoordiging onaantastbaar was en het idee dat iedere burger het recht had in het parlement vertegenwoordigd te zijn, heilig was. In de jaren dertig maakten deze denkbeelden plaats voor een door orde- en gezagshandhaving gedomineerde opvatting over democratie. Alleen een beweging als Eenheid door Democratie pleitte destijds tegen de strafbaarstelling van bepaalde uitlatingen van alle burgers; die inbreuk op de grondrechten (vrijheid van vergadering, vrije meningsuiting) zou in hun ogen slechts orde verstorende en opruiende burgers mogen treffen.

Hoewel de democratieopvattingen die hij bespreekt vrij helder gestructureerd zijn, zegt Gijsenbergh een ‘repertoirebenadering’ nodig te hebben om ze op een inzichtelijke manier te kunnen bespreken (23, 235). In zijn eigen interpretatie van het werk van Charles Tilly beschouwt hij zogenaamde ‘democratierepertoires’ als een ‘verzameling van ideeën en praktijken, (in)formele instituties, (ongeschreven) regels, actievormen, vertogen, stijlelementen, rituelen en symbolen, gegroepeerd rondom een kernwaarde’ (21-22). Op basis van een niet nader toegelicht vooronderzoek stelt Gijsenbergh dat er in het interbellum ‘vertegenwoordigings-, disciplinerings-, burgerrechten- en egaliteitsrepertoires’ bestonden. Zo ontstaat een ingenieus ogend methodologisch frame dat Gijsenbergh in staat stelt de debatten en onderliggende democratiedefinities te categoriseren. Ondanks de veelvuldige aanprijzingen van deze methodologische vondst (Gijsenberg noemt het ‘structurerend’, ‘innovatief’ en ‘van toegevoegde waarde’), rijst de vraag of zijn gebruik van het repertoireconcept wel zo verhelderend werkt.

Ten eerste voegt Gijsenbergh de daad niet bij het woord. Terwijl zijn definitie van ‘repertoires’ ook actievormen, vertogen, stijlelementen, rituelen en symbolen includeert, gaat het boek bijna uitsluitend over kernwaarden. In de conclusie staat dan ook te lezen dat het accent daarop heeft gelegen (236). Bovendien lijkt de definitie van die kernwaarden steeds te verschuiven. Ze worden afwisselend aangeduid als ‘essentie van de democratie’, ‘democratieopvatting’, ‘basisbeginsel’, ‘beginsel’, ‘leidend principe’ en ‘achterliggende gedachtes’ (23, 36). Als de achterliggende gedachtes over de invulling van het begrip ‘democratische rechtsstaat’ en de onderliggende principes het eigenlijke onderwerp van het proefschrift zijn, is dan een repertoireconcept echt nodig?

Ten tweede leidt Gijsenberghs gebruik van het repertoireconcept tot methodologische problemen. Repertoires worden als ‘constructies van de historicus’ getypeerd. Maar hoe construeert of reconstrueert een historicus die kernwaarden en doorgaans onuitgesproken democratieopvattingen? Volgens Gijsenbergh komen die ‘aan het licht’ (236) en zitten ze ‘verborgen’ in de argumenten over anti-extremistische maatregelen, waaruit de historicus ze kan ‘destilleren’ (23). Dit is te vaag geformuleerd. Bronnen spreken niet voor zich, ook niet als je ze met een repertoire benadert. Ook de historicus die niet anachronistisch wil zijn, maakt keuzes. Hij of zij richt zich op bepaalde opvattingen over democratie (in dit geval de opvattingen over gezag, de burger en de relatie wetgevende-uitvoerende macht) om andere opvattingen over democratie (bijvoorbeeld partijpolitiek, economie, buitenlands beleid) buiten beschouwing te laten. Dit keuzeproces had met meer uitvoerige voorbeelden verhelderd kunnen worden. Beter had Gijsenbergh de discussianten van een specifiek debat wat langer aan het woord kunnen laten om vervolgens te beargumenteren hoe hij in die discussie de kernwaarden identificeerde.

De inkijk die dit proefschrift biedt in de botsende en verschuivende democratieopvattingen in het interbellum is echter niet minder interessant. De repertoirebenadering is een retorisch middel om tegenover de ‘versimpelde en anachronistische modellen’ van politicologen een rijke, historiserende (en dus niet-anachronistische) benadering van democratie te plaatsen (23). Dit kan Gijsenbergh ook zonder dit concept doen, zelfs met behoud van een gestructureerde historische analyse. Zijn proefschrift vormt daarvan het beste bewijs.