Wie in de jaren zestig van de vorige eeuw tot de adel behoorde, van patricische afkomst was of een dubbele achternaam had, liep een grote kans mikpunt van spot en pesterijen te worden. De oude elites waren weliswaar al voor de Tweede Wereldoorlog op maatschappelijk gebied grotendeels naar de achtergrond verdwenen, maar iemand met een adellijke of patricische familieachtergrond werd destijds wegens zijn of haar afkomst vaak met de nek aangekeken en op school getreiterd, niet alleen door medeleerlingen, maar soms ook door docenten. Daarom kozen velen voor een low profile. Adellijke titels en predicaten gebruikten ze niet langer in het openbaar, dubbele namen halveerden ze, en zegelringen verdwenen schielijk in jas-, broek- of rokzak om toch vooral niet op te vallen. Naar deze recente geschiedenis is tot nu toe niet veel onderzoek verricht.

De belevenissen van burgemeester Gijs van Hall in het Amsterdam van de jaren zestig vormen echter een interessante case-study. Het was een woelige tijd waarin de jeugd rebelleerde en het establishment met demonstraties en ludieke acties tartte. In Amsterdam liep dat protest herhaaldelijk flink uit de hand, zoals in 1966 bij het huwelijk van prinses Beatrix met Claus von Amsberg. Ook de zogenoemde Telegraafrellen, die ook bekend staan als het bouwvakkersoproer, eindigden in geweld. Provo’s namen het ‘regentenmechanisme’ (nepotisme en corruptie) op de korrel, maar zij ageerden in feite tegen elke vorm van autoriteit. De Amsterdamse PvdA-burgemeester Gijs van Hall stamde uit een vooraanstaand patriciërsgeslacht. Hij slaagde er in 1966 maar niet in de rust en openbare orde te handhaven. Het kabinet onder leiding van premier Piet de Jong besloot korte metten te maken met het gebrek aan rust en orde en vroeg de koningin daarom op 12 mei 1967 Van Hall eervol te ontslaan. Niet eerder was een burgemeester op die manier naar huis gestuurd.

Hoe dit zo kon gebeuren, is het onderwerp van Dirk Wolthekkers genuanceerde en voortreffelijk geschreven proefschrift, dat meer behelst dan de levensbeschrijving van Gijs van Hall. Het is ook een portret van een drama, niet alleen voor Van Hall zelf en zijn naasten, maar ook voor de hoofdstad en de Amsterdammers, vooral voor hen die het slachtoffer van politiegeweld werden. Wolthekker geeft een nieuw beeld van Van Halls burgemeesterschap op basis van diens persoonlijke geschiedenis. Hij voert de lezer aan de hand van vijf historische thema’s in tien chronologisch opgezette hoofdstukken mee langs Van Halls levensloop en plaatst hem binnen zijn Amsterdamse, patricische familieachtergrond.

Volgens eerdere verklaringen zou de patricische burgemeester te weinig oog hebben gehad voor het ontstaan van de nieuwe democratische bewegingen. Als we Wolthekkers verklaring accepteren, was de ‘regent’ Van Hall echter niet slechts het slachtoffer van de omstandigheden, zoals een onderzoekscommissie onder leiding van Chr. Enschedé in 1966 ook al had geconcludeerd. En zijn mislukken had evenmin geheel met zijn notabele afkomst te maken, zoals Van Hall zelf stelde.

Wolthekker laat overtuigend zien dat dit ook aan Van Hall zelf lag. De voormalige bankier en verzetsheld had onvoldoende inzicht in wat het burgemeestersambt inhield. Hoewel zijn eerste ambtstermijn (1957-1963) redelijk succesvol verliep – Van Hall was onder andere verantwoordelijk voor de bouw van de Bijlmer, de IJ-tunnel en de verzelfstandiging van de Gemeente Universiteit Amsterdam – ging het in zijn tweede termijn mis, vooral vanwege het buitensporige politieoptreden tegen demonstranten, zijn onhandige optreden in de media (livetelevisie deed haar intrede) en een belabberde relatie met ‘Den Haag’.

Emma van Hall-Nijhoff vatte dit alles vlak na het gedwongen aftreden van haar echtgenoot in mei 1967 bondig samen: ‘Hij is geen politicus en ook geen ambtenaar. […] Hij is een zakenman.’ Dramatisch genoeg had Van Hall dat eerder zelf ook al ingezien. Als Wolthekker Van Hall langs een meetlat legt met zeven cruciale, hedendaagse criteria voor een succesvol burgemeesterschap, kun je alleen maar concluderen dat Van Hall niet geschikt was voor het ambt. Hij mag in de oorlog en in het zakenleven zeer verdienstelijk en succesvol zijn geweest; als bestuurder, politicus en burgemeester schoot Van Hall schromelijk tekort. Bestuurlijke onervarenheid en een naïeve visie op het burgemeesterschap braken hem op. Vooral de openbare orde en het politiebeleid konden Van Hall niet of nauwelijks interesseren, terwijl die juist tot de kerntaken van een burgemeester behoren. Daarmee heeft hij bijgedragen aan zijn eigen val, aldus de auteur. Ook persoonlijke eigenschappen waren dus in het geding. ‘Van Hall was een man die in een verkeerde tijd in een verkeerd metier was gerold,’ schrijft Wolthekker. Daarmee rijst de vraag hoe Van Hall tot burgemeester van Amsterdam kon worden benoemd. Dacht de regering dat zijn verzetswerk, zijn zakelijke successen en zijn uitgebreide netwerk hem geschikt maakten voor het ambt van burgemeester van de hoofdstad?

Piet de Jong (1915-2016), voormalig onderzeebootcommandant in oorlogstijd, wilde bij zijn aantreden als premier in 1967 met het ontslag van de vertwijfelde Van Hall schoon schip maken. In diens plaats benoemde hij de bestuurlijk gepokt en gemazelde Ivo Samkalden. Hoewel de rust in de stad daarmee niet meteen weerkeerde, hield de nieuwe burgemeester de teugels van het gezag strak in handen. In wat in 2012 waarschijnlijk zijn laatste interview was, vertelde De Jong terugblikkend op zijn carrière aan Hella van der Wijst van het KRO-programma ‘De wandeling’: ‘De hamvraag was uiteindelijk na lange gesprekken, zou ik deze man in tijd van oorlog aan boord willen hebben? En als ik dan tegen mezelf zei: nee, nou dan wou ik hem niet in een kabinet hebben. […] Ik ben wel eens onder water gegaan en toen zag ik het voorluik nog open staan, maar ik gaf wel drie claxons, omdat er een vliegtuig aan kwam. Dan vertrouw je volledig op de man die daarmee belast is. Die komt dan ook en trekt snel dat luik dicht, want anders is het einde verhaal.’1 Van Hall was waarschijnlijk in de ogen van De Jong niet in staat om te doen wat nodig was.

Vallen er ook minpunten van deze biografie te noemen? De sociaalhistorische familieachtergrond in de biografische omlijsting is wat al te licht geschetst. Om te beginnen is de literatuur die Wolthekker heeft geraadpleegd beperkt. Zo komt het werk van Jaap Dronkers er met slechts één titel nogal bekaaid van af. Verder zou een beknopte bijlage met de stamboom van de familie Van Hall-Boissevain niet hebben misstaan. Ook zou de sociaal-economische positionering van deze familieclan met de in de Staatscourant gepubliceerde Noord-Hollandse lijsten van hoogstaangeslagenen kunnen worden geschraagd. Daarop staan niet minder dan vijf telgen Van Hall vermeld en acht van de familie Boissevain. Op blz. 49 staat dat de soort belasting die de in 1836 geboren Maurits Cornelis van Hall betaalde ‘ongewis’ is, maar dat wel bekend is dat hij ‘[…] een bedrag in de personele belasting betaalde van 4000 gulden’. Volgens de lijst van hoogstaangeslagenen betaalde de grootvader van de burgemeester in 1890 te Amsterdam 679,90 gulden personele belasting, 320 gulden patentbelasting en 273,555 gulden grondbelasting (in Amsterdam en Laren), zodat hij in totaal voor 1.273,455 gulden was aangeslagen. Dit zijn echter details, die nauwelijks afbreuk kunnen doen aan dit zeer lezenswaardige biografische portret.