Sally de Jong, de tweelingbroer van journalist en historicus Loe de Jong, was aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog een van de 534 Joodse artsen die Nederland rijk was. Anders dan zijn broer wist hij in de meidagen van 1940 niet op een boot naar Groot-Brittannië te geraken. Hij bleef daarom in het bezette Amsterdam wonen. In het najaar van 1942 meldde hij zich als arts-vrijwilliger in Westerbork, waar hij samen met enkele collega’s de vele gevangenen medische bijstand bood. De Jong overleefde de oorlog niet. Tijdens een vluchtpoging via Frankrijk werden hij en zijn vrouw Lies eind 1943 gevangengenomen. Lies werd vergast in Auschwitz; Sally is waarschijnlijk vermoord in het kamp Mittelbau-Dora in het voorjaar van 1945.

Als Joodse arts ten tijde van de Tweede Wereldoorlog is De Jong een van de vele personages uit ‘Vergeet niet dat je arts bent’, Joodse artsen in Nederland 1940-1945, het proefschrift waarop Hannah van de Ende in 2015 promoveerde. In deze collectieve biografie onderzoekt Van den Ende het bijzondere van hun positie tijdens de Duitse bezetting. Net als alle Nederlandse Joden kregen zij te maken met de steeds verdergaande anti-Joodse maatregelen en uiteindelijk met deportatie, maar alleen al het feit dat ruim 60 procent van hen de oorlog overleefde (in vergelijking met 25 procent van alle Nederlandse Joden), maakt duidelijk dat zij een aparte status genoten. Zo beschikten velen van hen over enige privileges, alleen al omdat zij vaak hun beroep konden blijven uitoefenen. Al gauw mochten zij enkel nog Joodse patiënten behandelen, maar daartoe behielden zij vaak hun fiets, werden zij ontheven van de avondklok en als vooraanstaande figuren in de Joodse gemeenschap met een onmisbare functie genoten velen van hen – tenminste voor enige tijd – bescherming van de Joodse Raad. Als gevolg daarvan zijn veel artsen relatief laat gedeporteerd, wat hun overlevingskansen aanzienlijk bevorderde. Bovendien beschikte een deel van hen ook in de kampen – vanwege hun specifieke kennis en kunde, en daarmee vanwege hun bruikbaarheid – over een relatief bevoorrechte positie.

Maar, zo maakt Van de Ende duidelijk, hun arts-zijn maakte hen ook uniek geplaatst en geschikt om anderen te helpen, vooral in de beginfase van de oorlog. Zodra de eerste deportaties op gang kwamen, werd geneeskunde – in de woorden van Van den Ende – ‘een reddingssloep’. Mensen die erg ziek waren, werden bijvoorbeeld voorlopig vrijgesteld van transport en dat bracht artsen in een hele nieuwe positie. Waar zij zich voor de oorlog op basis van medisch-ethische principes als ‘niet-schaden’ bezighielden met het verbeteren van de gezondheid van hun patiënten, kregen zij nu verzoeken om die juist te verslechteren. Verzoeken om suïcidale middelen, om abortus provocatus, om misleidende medische attesten, en zelfs om onnodige operaties gaven het arts-zijn tijdens de bezetting een hele nieuwe betekenis. Stap voor stap onderzoekt Van den Ende hoe de artsen met dergelijke verzoeken omgingen, welke dillemma’s zij daarbij ervoeren, en hoe zij gaandeweg hun beroepsethiek aan de omstandigheden aanpasten. In sommige situaties kwam mensen helpen gelijk te staan aan het opwekken van koortsen of het simuleren van blindedarmoperaties.

Eigen morele oordelen laat Van de Ende daarbij achterwege, maar zij plaatst haar werk wel nadrukkelijk in de trend die door de vorige NIOD-directeur, Marjan Schwegman, is ingezet en waarbij morele bewondering weer een plaats heeft gekregen in de historiografie van de Tweede Wereldoorlog. Voor Van de Ende is haar boek dan ook een ‘morele les’ waarvan ook huidige artsen en medische studenten iets kunnen – en misschien wel moeten – leren.

Dankzij Van den Endes aanpak – met een nadruk op de individuele gevallen – wordt deze oorlogsgeschiedenis invoelbaar en aanschouwelijk gemaakt. Als lezer kom je via de vele dagboekcitaten en persoonlijke reflecties dicht bij de dillemma’s en overwegingen van de betreffende artsen, wat het boek tot een beklemmende en indringende ervaring maakt. Het individuele perspectief is daarmee zeker een grote troef van het boek. Tegelijkertijd is die aanpak juist ook het grootste probleem. Ruim vijfhonderd hoofdpersonages is natuurlijk erg veel, en mede daardoor komt het boek qua biografische informatie doorgaans niet veel verder dan dat het hier om artsen gaat. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn, maar het maakt wel dat de genoemde artsen veelal abstracte namen blijven, en dat eventuele beweegredenen die niets met hun arts-zijn te maken hadden buiten beschouwing gelaten worden. Een onderverdeling in categorieën of types, met telkens een meer biografisch uitgewerkte voorbeeld, had hier een oplossing kunnen bieden.

Problematischer echter is dat het persoonlijke perspectief in ‘Vergeet niet dat je arts bent’ beperkend werkt, omdat Van den Ende slechts zelden de stap zet naar het grotere verhaal. Anders dan bij bijvoorbeeld Burgemeesters in oorlogstijd van Peter Romijn – een boek met een vergelijkbare opzet en aanpak – is de aandacht voor de ruimere historische context schaars. Daardoor zie je wel wat voor gevolgen de maatregelen van het Duitse bezettingsbestuur hadden voor de artsen in kwestie, maar niet hoe die maatregelen tot stand kwamen, welke intentie daarachter zat, welk doel ze dienden, hoe ze werden afgedwongen en hoe dat alles zich verhield tot de rest van de Nederlandse samenleving. Een enkele keer weet Van de Ende te melden dat ook niet-Joodse artsen met dillemma’s geconfronteerd werden als verzoeken om valse attesten of zelfmoordmiddelen, maar veel meer aandacht is voor hen niet weggelegd en daarmee blijft ook een echte vergelijking tussen het optreden van Joodse en niet-Joodse artsen in de eerste jaren van de bezetting achterwege.

Desondanks blijft ‘Vergeet niet dat je arts bent’ een mooi en indrukwekkend boek dat de kracht laat zien van biografisch bronnenmateriaal en dat waarschijnlijk elke historicus stil doet staan bij de vraag of ons vak inderdaad ‘educatief potentieel’ heeft of zou moeten hebben, ook in morele zin.