Nog niet zo lang geleden kon de architectuur van de negentiende eeuw, zeker bij het grote publiek, op weinig waardering rekenen. Lange tijd hield het beeld stand van een tijdperk waarin stijlnamaak domineerde en matige architecten de dienst uitmaakten. Dit veranderde pas rond 1900 toen een tijdperk van Nieuwe Kunst aanbrak. In deze tijd boorden kunstzinnige architecten een geheel nieuwe vormentaal aan, waarna een avant-garde in de jaren twintig zorgde voor de doorbraak van het internationale Modernisme, dat definitief afstand leek te nemen van het verleden. Sommige architectuurhistorici beschouwden de negentiende eeuw echter al eind jaren zeventig als een fascinerend tijdperk waarin vernieuwingen elkaar vooral na 1850 in hoog tempo opvolgden. Aanvankelijk richtte men zich vooral op het blootleggen van de persoonlijke werkwijze en belangrijkste werken van enkele vooraanstaande architecten, maar al snel verbreedde de aandacht zich naar de complete architectuurpraktijk en de bouwwereld. Sinds het onderzoek van onder anderen Luc Verpoest in België en Auke van der Woud in Nederland is juist de negentiende-eeuwse architectuur een proeftuin geworden voor veelsoortig en gedurfd onderzoek naar onderwerpen die de traditionele focus op de architect als kunstenaar overstijgen. Zo is er veel meer aandacht gekomen voor de instituties en voor andere actoren naast de architect, die in wisselend verband verantwoordelijkheid namen voor bouw, onderhoud, restauratie of vernieuwing van architectuur. Niet zelden kan de historicus daarbij profiteren van veelsoortig, fascinerend en een grote hoeveelheid bewaard gebleven schriftelijk en visueel bronnenmateriaal, dat hem of haar in staat stelt het traditionele beeld van de negentiende-eeuwse bouwkunst te nuanceren.

Het onderzoek van Jeroen Cornilly, een bewerking van zijn proefschrift uit 2013, behandelt de West-Vlaamse negentiende-eeuwse architectuurpraktijk aan het voorbeeld van provinciaal architecten, die als ambtenaar/architect een substantieel aandeel hadden in het bouwen in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de regionale overheid, maar tevens een belangrijke rol speelden als adviseurs en controleurs voor de provincie. De auteur legt deze architectuurpraktijk bloot door de organisatie van het overheidsbouwen en het toezicht daarop centraal te stellen.

Binnen een helder, in drie delen gestructureerd betoog behandelt Cornilly het provinciale bouwbeleid, de architect en de ‘19e-eeuwse tijdsgeest’. In drie hoofdstukken bespreekt hij de ontwikkelingen binnen de instituties vanaf de provinciewet van 1836 en de vraag naar provinciale gebouwen (gerechtshoven, rijkswachtkazernes, gevangenissen, gebouwen van het bisdom en het Provinciaal Hof) en gemeentelijke bouwprojecten (vooral dorpskerken en scholen, de laatste soms gecombineerd met kleinere gemeentehuizen). De behoefte om binnen het West-Vlaamse territorium ook financieel greep te houden op de bouwactiviteit van openbare werken, leidde tot een sterk verambtelijkt provinciaal bouwbeleid. Voor een efficiënt apparaat waren gespecialiseerde ambtenaren nodig, zodat een toenemend aantal architecten en ingenieurs in overheidsdienst trad. Die evolueerden vervolgens tot controlerende ambtenaren en besteedden daarom steeds minder tijd aan het ontwerpen van gebouwen.

In deel twee krijgen deze ambtenaren/architecten meer aandacht in een zestal hoofdstukken, waarbij hun administratieve taken en verantwoordelijkheden aan de hand van rijk archiefmateriaal worden belicht. Hun was de dagelijkse zorg toevertrouwd voor het provinciaal gebouwbestand en de bouwwerven, terwijl de incidentele ontwerpopdracht voor een prestigieus bouwproject de aantrekkelijkheid van het ambt vergrootte. Zo ging de opdracht voor het neogotische ontwerp van het nieuw te bouwen Provinciale Hof in Brugge in 1880 naar de lokale stadsarchitect Louis Delacenserie en naar provinciaal architect René Buyck, die volgens Cornilly in de geschiedschrijving ten onrechte naar het tweede plan werd geschoven.

In deel 3 gaat Cornilly onder meer in op de bredere context van de historische cultuur van de negentiende eeuw. Provinciale architecten werden geacht de behoefte aan een gewenst nationaal verleden in architectuur vorm te geven, maar ook de ‘volkseigen’ bouwcultuur met belangrijke monumenten in kaart te brengen, zoals op dat moment eigenlijk overal in Europa gebeurde. Ook in West-Vlaanderen ging dat gepaard met soms felle debatten over herstel in ‘oorspronkelijke’ toestand, het bevorderen van stijleenheid of het ‘voltooien’ van middeleeuwse kerken naar voorbeeld van gebouwen elders. Zo liet provinciaal architect Pieter Nicolaas Croquison zich bij de kerk van Wervik inspireren door voorbeelden van Viollet-le-Duc. Vanaf 1860 nam hij zitting in de Provinciale Commissie Monumenten naast oudheidkundigen en kunstkenners, waar medelid James Weale volgens Cornilly ‘ongezouten’ kritiek leverde op het ambt van provinciaal architect en Croquison samen met enkele andere architecten van ‘vandalisme’ werd beschuldigd. Hier liggen vergelijkingen met Frankrijk (Victor Hugo) en Nederland (J.A. Alberdingk Thijm) voor de hand, maar deze blijven in het boek achterwege, waardoor de bredere, internationale context van de West-Vlaamse ontwikkelingen helaas buiten beeld blijft. Ook op een ander punt is het een gemis dat de lezer niet wordt geïnformeerd over parallellen elders in België, in Frankrijk, Nederland of Groot-Brittannië, die doen vermoeden dat de West-Vlaamse architectuurgeschiedenis zich minder geïsoleerd voltrok dan uit deze studie naar voren komt. Zo wordt in het derde deel ook uitgebreid stilgestaan bij de groei van de kerkenbouw in deze periode, die gestimuleerd werd door het katholiek reveil. Provinciale architecten kregen daardoor meer gelegenheid het ambtelijke te overstijgen door mee te werken aan de uitbreiding en verbetering van het netwerk van parochiekerken in aansluiting op de bevolkingsgroei. De Brugse bisschop Jean-Baptiste Malou liet zich inspireren door het gedachtegoed van de Britse A.W.N. Pugin en stimuleerde daarmee vanaf de jaren 1840 in de provincie een vervanging van de neoclassicistische kerkbouw door een breed gedragen terugkeer naar de gotiek als uiting van een christelijke samenleving, die vooral in de in de talrijke plattelandskerken werd toegepast. Provinciale architecten, waaronder Pierre Buyck en Croquison, kwamen in hun ontwerpen tot een standaardisering van het ontwerp van neogotische en neoromaanse kerken, die bekritiseerd werd door de Provinciale Commissie Monumenten en uiteindelijk leidde tot een ontwerpverbod dat zij als overheidsarchitecten in 1883 kregen opgelegd. Dit laatste had echter ook te maken met een toename van goed opgeleide architecten en een groeiende lobby van de beroepsvereniging van architecten/kunstenaars, die zich steeds sterker uitspraken tegen de in hun ogen oneerlijke concurrentiepositie van ontwerpende architecten in loondienst. Vanaf 1885 werd de provinciale architect daarom vooral controlerend ambtenaar in een hiërarchisch gestructureerde provinciale technische dienst.

Met dit uitgebreide onderzoek is een belangrijke bijdrage geleverd aan de Belgische geschiedenis van de negentiende-eeuwse bouwwereld en is de plaats daarin van de provinciaal architect genuanceerd naar voren gehaald. Met een heldere betoogtrant en beproefde, klassieke opmaak leest het boek prettig; de zwart/wit illustraties zijn gering van formaat en het kleurkatern met sterk verkleinde afbeeldingen van niet heel goed bewaard gebleven, nauwelijks leesbare bouwtekeningen, ondersteunt de tekst te weinig. Een register en een uitgebreide Franstalige en Engelstalige samenvatting, die nu ontbreken, hadden het gebruik en bereik van het boek nog kunnen vergroten. Dit was zeker de moeite waard geweest, want elk gedegen onderzoek naar de negentiende-eeuwse architectuur verdient het om ook buiten de eigen regio bekend en gebruikt te worden om de vele, nog weinig onderzochte parallellen en dwarsverbanden tussen moderne Europese bouwwerelden bloot te leggen.