In The Practice Turn in Architecture: Brussels after 1968, belicht architectuurtheoretica Isabelle Doucet (University of Manchester, UK) de na-oorlogse Europese architectuurkritiek aan de hand van een gevarieerde selectie aan casussen uit de bewogen twintigste-eeuwse stadsgeschiedenis van Brussel. In tegenstelling tot de klassieke externe ‘autoritaire’ benadering van architectuurtheorie, draait de auteur het onderzoeksperspectief om en start ze haar architectuurkritische lezing van binnenuit. Op die manier tracht ze grip te krijgen op de complexiteit van de architectuurpraktijk en de netwerken tussen de verschillende actoren, gaande van burger tot beleid. Haar kritiek richt zich daarom in de eerste plaats op de dominerende aanpak als derde partij van vóór de zogenaamde practice turn.

De heersende architectuurkritiek uit de tweede helft van de twintigste eeuw trachtte ‘krachtlijnen en onderdrukkingen van buitenaf’ te ontmaskeren (22). Door de over-geïntellectualiseerde aard van de kritiek ontstond er een sterke splitsing tussen architectuurtheorie en architectuurpraktijk. Vanaf het einde van de jaren negentig zien we echter een kentering, de zogenaamde practice turn, die aanstuurde op het verschuiven van de nadruk op de theorie over architectuur naar de realiteit van architectuur en van het bouwen. In navolging daarvan begon Doucet haar onderzoek niet van bovenaf, maar middenin haar onderzoeksobject: de stad Brussel in al haar gelaagdheid. Dit heeft geresulteerd in een gecontextualiseerde, realistische, maar ook beladen kritiek op de architectuurpraktijk. Doucet tracht, in navolging van pioniers als de Belgische filosofe Isabelle Stengers, enerzijds tot hernieuwde inzichten te komen door zich als modest witness middenin het complexe netwerk van stedelijke actoren te begeven, en anderzijds in datzelfde onderzoeksproces ook als betrokken partij transformaties los te weken. Kort gesteld is dit boek een pleidooi voor een vanuit de praktijk gevoerd debat dat aan de hand van een analyse van architectuurpraktijken in diverse specifieke projecten op zoek gaat naar inzetbare methodes en tools voor een beladen en gecontextualiseerde architectuurkritiek.

Nadat Doucet de door haar toegepaste methode als criticality-from-within heeft toegelicht en gesitueerd in een ruimere onderzoekscontext, duidt ze door middel van welgekozen voorbeelden het bereik van deze methode. Aan de hand van beschrijvingen van verschillende, uiteenlopende projecten bevestigt Doucet haar bedenkingen aangaande de bestaande opvatting over architectuurkritiek. Haar pragmatische aanpak als modest witness biedt daarbij verbredende inzichten in de complexiteit van stedelijke netwerken en actoren. Vanwege de moeizame, gefragmenteerde planningscontext, het dubieuze stedenbouwkundige verleden dat te vaak uitging van een kaalslag en de kritiek daarop, is Brussel in dit opzicht een uitgelezen onderzoeksobject. Uitdrukkingen als skieven architek in het Nederlands en Bruxelisation in het Frans weerspiegelen immers nog steeds de bittere nasmaak van megalomane stadsprojecten (Justitiepaleis, Europawijk, Manhattenwijk etc.) en de kritiek hierop van een groot aantal inwoners van Brussel (158). Drie van de in het boek uitgewerkte cases worden hieronder toegelicht.

Doucets casestudies beginnen in de jaren 1970, die gekleurd waren door het politiek en esthetisch activisme van getekende ‘counter-projecten’ als reactie op de destijds heersende modernistische stadsprojecten. Deze geïllustreerde manifesten fungeerden als politiek en esthetisch instrument om het ongenoegen met de megalomane stedelijke ontwikkelingen te duiden. De traditionalistische tegen-ontwerpen brachten een getekend alternatief voor het modernistische bouwproject om zo een verdere kaalslag tegen te gaan. Uitvoerige debatten werden onder meer gevoerd over de Manhatten kantoorwijk in Schaarbeek en de heraanleg van het gebied boven de ondergrondse delen van de Noord-Zuid treinverbinding waarbij volledige stadsdelen werden afgebroken. Dankzij de makkelijke leesbaarheid van de getekende projecten, de afbeeldingen van lokale ambachtslieden en de herkenbaarheid van de locaties vormden de getekende counter-projecten een pragmatische, lokaal ingebedde kritiek. Doucet schetst hiermee de methodiek van een, weliswaar radicale, vorm van criticality-from-within.

Vervolgens behandelt Doucet een minder directe methode, zoals die van Recyclart. Hiermee biedt ze inzicht in de modus operandi van een door de overheid gesteund, kritisch collectief. Het gaat hier om een groep die aan de hand van specifieke ingrepen in de openbare ruimte (festivals, stedelijk meubilair, installaties enzovoort) maatschappelijke thema’s als ongelijkheid, publieke ruimte, culturele diversiteit aansnijdt. Deze participatieve projecten bieden dankzij overheidsfinanciering kritiek van binnenuit en stellen nieuwe, alternatieve routes voor die de stedelijke ontwikkeling kan bewandelen.

Daarnaast behandelt de auteur ook de potenties en struikelblokken van de Brusselse Wijkcontracten, die participatieve stadsontwikkeling moeten stimuleren. Een voorbeeld hiervan is de commotie rond de urinoirs in de Aarschotstraat in Schaarbeek, een straat die bekend staat voor zijn raamprostitutie, sluikstorten en geluidsoverlast. De ludieke bewonersactie ‘Ceci n’est pas un urinoir’ uit 2008 was een reactie op het voortdurende wildplassen in die buurt. Nochtans had het wijkcontract dat in 2002 van start ging reeds de plaatsing van twee urinoirs voorzien, maar het begrotelijke en onaangename onderhoud ervan leidde tot verval en belasting van de buurt. Pas toen de buurtbewoners als protest valse elektrische kabels, wegmarkeringen en ‘spatborden’ plaatsten, werd het probleem in 2010 aangepakt met een ‘Plan Hygiénique’. Als reactie op het aanhoudende burgerprotest kwam er in 2013 geld vrij voor de installatie van acht nieuwe urinoirs (163). Aan de hand van deze voorbeelden schetst Doucet het belang van de meest ‘banale’ en vaak vergeten actoren binnen participatieve projecten, zoals een wijkcontract en de onbekwaamheid van het Brusselse planningsorgaan om dit te omarmen.

Pragmatisme staat in het boek centraal: zowel wat de kritiek op de autoritaire, kritische theorie van vóór de practice turn betreft, als ook de pragmatische wijze waarop de auteur haar kritiek verwoordt. Door de juxtapositie van het ‘banale’ voorbeeld van de urinoirs met de academische counter-projecten en Recyclart, houdt Doucet een pleidooi voor het in de aandacht brengen van de vele verschillende stedelijke actoren en hun netwerken. Haar methode biedt een verbredende, realistischere kijk op de relatie tussen beleid, inwoners en de mogelijkheid tot samenwerking tussen stradsbesturen en stedelingen. Doucet pleit ook daarom voor het belang van het au sérieux nemen van de verschillende actoren. Omdat Doucet zich beroept op de Actor Network Theory (ANT), Science Technology Studies (STS) en Stengers’ opvatting van complexiteit, is dit boek een zoektocht als openminded, modest witness naar het conglomeraat van belanghebbenden en hun specifieke rollen. De verscheidenheid aan de besproken voorbeelden onderstreept de noodzaak van een transitie naar een complexere benadering van architectuurkritiek.

De logische opbouw van de publicatie en elk hoofdstuk, waarin telkens één kritisch concept wordt uitgediept, zorgt ervoor dat de afzonderlijke delen ook op zichzelf gelezen kunnen worden. Toch slaagt Doucet erin om de ‘losse’ cases te verknopen tot een vloeiend geheel dat criticality-from-within in de praktijk omzet. Overigens zorgt de toegankelijke schrijfstijl en selectie van onderwerpen ervoor dat het boek door een breed publiek kan worden gelezen. Ook daarom is dit boek een aanrader, niet alleen voor wie betrokken is bij het debat rond architectuurkritiek, maar ook voor iedereen die geïnteresseerd is in de haat-liefde verhouding van de Brusselaren met hun stad.