Op 1 september 2017 eindigde de aanstelling van Yme Kuiper als eerste bijzonder hoogleraar Historische Buitenplaatsen en Landgoederen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Deze bundel commemoreert in de eerste plaats zijn afscheid, maar de diversiteit van de bijdragen, samen met de verschillende generaties van onderzoekers die eraan hebben meegewerkt, maken dit boek veeleer een hommage aan Kuipers carrière als geheel. Niettegenstaande Kuipers engagement met een breed scala aan onderzoeksthema’s gedurende zijn academische staat van dienst, vormt deze bundel op thematisch vlak een vrij gefocust geheel. De ondertitel ‘Over kastelen, buitenplaatsen en notabele levensvormen’ dekt de thematische lading van de bijeengebrachte studies dan ook goed, al ligt het zwaartepunt hier om begrijpelijke redenen toch specifiek op sociaal-culturele elites en hun buitenplaatsen in de Noordelijke Nederlanden gedurende de negentiende eeuw en slechts in mindere mate op een breder Europees perspectief binnen een ruimere tijdsperiode. Zoals Rob van der Laarse schrijft in de inleiding, geeft de bundel vooral een goed overzicht van de status quaestionis binnen dit onderzoeksveld (18). Een deel van de auteurs biedt daarnaast ook een reflectie op de historiografie van Europees eliteonderzoek in het algemeen. Wellicht de grootste sterkte van deze bundel is de manier waarop academisch en niet-academisch onderzoek geïntegreerd worden in één boek.

De redacteuren hebben de meer dan dertig bijdragen ingedeeld in drie opeenvolgende delen volgens goed gekozen categorieën, al vertonen die vanzelfsprekend overlap. De eerste categorie, ‘huis en goed’, bevat vooral lokale en regionale studies over de historische ontwikkeling van ‘buitens’, die we kunnen definiëren als landelijk gelegen, al dan niet periodiek bewoonde residenties van een sociaal-culturele elite, die in de Noordelijke Nederlanden sinds de zestiende- en vooral zeventiende eeuw ontstonden en meestal een recreatieve functie hadden (59-60, 62-64). Gerrit van Oosteroms bijdrage over Abcoude is een goed voorbeeld van hoe een dergelijke lokale studie een concreter inzicht kan bieden op een breder regionaal fenomeen. In dit geval vult zijn artikel een leemte in het onderzoeksveld die Yme Kuiper in 2012 signaleerde, namelijk de rol van boer, boerin en boerderij, en het agrarisch landschap in de ontwikkeling van de Nederlandse buitenplaatscultuur ten tijde van de Republiek. Van Oosterom beargumenteert overtuigend dat het de boeren waren die de buitenplaatsen in deze periode ‘duurzaam rendabel’ hielden (124). Met deze rurale agency plaatst hij een belangrijke kanttekening bij de tot dusver vermeende dominantie van de Amsterdamse heren.

Daarnaast bevat dit deel van de bundel ook meer overkoepelende studies. Ben Olde Meierink, een van de redacteuren, die eerder samen met Kuiper een bundel over buitenplaatsen publiceerde, gaat in op de zestiende-eeuwse oorsprong van de buitenplaats in Noord-Nederland. Hij demonstreert de variatie aan soorten landhuizen binnen de adellijke wooncultuur in deze regio in de daaropvolgende eeuwen (71). In dit deel zijn daarnaast meer thematische stukken opgenomen, zoals dat van Hans Renes over het gebruik van water bij historische buitenplaatsen (van militair tot esthetisch). Renes besteedt in deze sterke bijdrage veel aandacht aan de rol van geografische factoren, zonder te vervallen in determinisme.

De tweede categorie, ‘notabele identiteiten en distinctie’, vertoont de minste cohesie, aangezien deze studies geografisch, chronologisch en thematisch sterk uiteenlopen. Tegelijkertijd bevat dit deel bijdragen die de bredere relevantie van eliteonderzoek tonen. Goede voorbeelden hiervan zijn Wijnand Mijnhardts bespreking van de geschiedenis en historiografie van de rol van notabelen (rijke grondbezitters) in het Nederlandse politiek bestel tussen de late achttiende en vroege twintigste eeuw, of Paul Janssens verkennende studie naar de banden tussen de Belgische adel en de paus in de negentiende en twintigste eeuw.

Evenwel, de term habitus in de titel wekt een licht verkeerde indruk, vooral wat het tweede deel van de bundel betreft. Ten eerste wordt deze term pas aan het einde van het boek gedefinieerd, in het stuk van Maria Malatesta (309). Ten tweede is dit artikel de enige bijdrage waarin Pierre Bourdieu’s concept expliciet wordt toegepast. Vervolgens is Arie van Steensel de enige auteur die het werk van Bourdieu echt kritisch toepast, in zijn studie over vorstelijke ridderorden. Van Steensel wijst namelijk op de historische continuïteit van ridderorden als middelen van ‘distinctie’ voor de elite, maar toont ook aan dat de moderne ridderorden qua functie en institutioneel- en ideologisch karakter sterk zijn komen te verschillen van die uit de Late Middeleeuwen. Op zich is het geen probleem dat de andere auteurs niet ingaan op Bourdieu, maar het vooropstellen van de termen habitus en (in mindere mate) distinctie creëert een verkeerde verwachting.

De bijdragen in het derde deel van deze bundel, ‘De buitenplaats herinnerd’, gaan vooral in op de betekenis van buitenplaatsen als historisch erfgoed. Deels gaat het hier om historische studies over de evoluerende betekenis van de buitenplaats. Zo onderzoekt Fred Vogelzang continuïteit en verandering in de rol van Utrechtse ridderhofsteden als dragers van adellijke status tussen de zestiende- en late achttiende eeuw. Andere bijdragen in dit deel gaan meer in op het behoud van historische buitens. Sommige studies, zoals die van René W. Chr. Dessing, Vincent Sleebe en Elyze Storms-Smeets, richten zich op de vraag hoe men in het verleden is omgegaan met erfgoed. Hanneke Ronnes daarentegen onderzoekt de hedendaagse productie en consumptie van erfgoed, en komt tot de conclusie dat commercialisering en infantilisering momenteel de boventoon voeren bij de presentatie van museale kastelen en buitenplaatsen aan het Nederlandse publiek.

De combinatie van historische en hedendaagse, academische en niet-academische perspectieven op de buitenplaats is misschien wel het interessantste aspect van dit boek. Rob van der Laarse wijst in de inleiding op de ‘academisering’ van het eliteonderzoek vanaf de jaren 1990. Het merendeel van de auteurs vervult inderdaad een universitaire functie (15). Maar de meeste van hen hebben – net als Yme Kuiper – daarnaast nauwe banden met culturele instellingen en erfgoed-organisaties. Een aantal auteurs is bovendien in het geheel niet werkzaam in academia. Die hybride aard van het eliteonderzoek biedt de mogelijkheid tot een bredere reflectie op de rol die historisch erfgoed als buitenplaatsen speelt – of zou moeten spelen – in de huidige Nederlandse samenleving en de rol die de academische geschiedschrijving daarin kan vervullen. Het artikel van Ronnes geeft hier een aanzet toe, maar deze kwestie had beter uitgelicht kunnen worden in een reflecterende synthese (nu wordt het onderwerp alleen aangestipt in de inleiding). Nochtans maakt de immense lading kennis en onderzoek die dit fraai vormgegeven boek tentoonspreidt het van grote waarde voor zowel academici als niet-academici die zich interesseren voor Nederlands historische elites en/of hun buitenplaatsen. Tegelijkertijd is deze bundel een geslaagde bekroning van Yme Kuipers indrukwekkende carrière.