Eind 2016, vlak voordat de Noord-Brabantse gemeente Sint-Oedenrode opging in de fusiegemeente Meierijstad, verscheen een bundel (onder redactie van Arnoud-Jan Bijsterveld en Veronique Roelvink) waarin nieuw onderzoek over de geschiedenis van de voormalige gemeente wordt gepresenteerd. In zeventien bijdragen richten academici en heemkundigen hun aandacht op de hoogmiddeleeuwse heren van Sint-Oedenroede, op de legendarische stichteres van de middeleeuwse kerk en op de diverse wijzen waarop de plaatselijke heilige, Sint-Oda, eeuwenlang werd vereerd. Aan de hand van een uitzonderlijk rijk en gevarieerd corpus van diplomatische, hagiografische, verhalende, iconografische, musicologische en materiële bronnen passeert zo’n 1300 jaar Rooise geschiedenis de revue, vanaf het midden van de achtste eeuw. Het resultaat is een multidisciplinaire en rijk geïllustreerde bundel die nieuwe aspecten van de geschiedenis van Sint-Oedenrode en haar heilige blootlegt, vroegere hypotheses hierover ter discussie stelt en belangrijke aspecten van de Rooise geschiedenis in een ruimer kader plaatst.

De bijdragen worden in vier thematische luiken gepresenteerd. Het eerste deel, ‘Sint-Oedenrode en de macht van de Van Rodes’, is gewijd aan de sociale positie van de telgen van het hoogmiddeleeuwse adellijke geslacht Van Rode, hun goederenbezit en het gebied waarin zij hun invloed en rechtsmacht konden doen gelden. In dit luik komen ook de resultaten van de recente archeologische opgravingen van een groot gedeelte van het vroegere burchtterrein van de Van Rodes en hun opvolgers aan bod. Dit grootschalige bodemonderzoek uit de periode 2003-2009 leverde een indrukwekkend aantal bodemsporen en vondsten op, waaronder een Hellenistische gem (gesneden edelsteen) van amethist uit ca. 200 v.C. met een portret van de Griekse halfgod Herakles. In ‘Sint-Oda: een heilige en haar vroege verering’ richten verschillende historici, een musicologe, een architectuurhistorica en een filoloog zich op de verschillende vormen die de verering van Sint-Oda (een blinde, van oorsprong Schotse prinses die zich begin achtste eeuw in Sint-Oedenrode als kluizenares zou hebben gevestigd) aannam in de Middeleeuwen en de zestiende eeuw: gaande van een kerk- en kapittelsstichting ter ere van haar, via de optekening en herwerking van haar levensverhaal, tot de viering van haar sterfdag als hoogfeest in het Bossche Sint-Janskapittel. Een korter, derde luik, ‘Hildewaris: legende of werkelijkheid’, tracht meer licht te werpen op de identiteit van een zekere Hildewaris, die in verschillende bronnen te boek staat als stichteres van de middeleeuwse Sint-Odakerk. Een analyse van deze geschreven bronnen wordt aangevuld met de resultaten van een onderzoek uit 2004 naar stoffelijke resten die mogelijk van haar waren. Het laatste deel, ‘Sint-Oda: haar relieken en haar voortleven’, gaat dieper in op de verering van Sint-Oda en de fascinerende lotgevallen van haar relieken vanaf de zestiende tot diep in de twintigste eeuw. Onder meer de invloed van de contrareformatie op de Sint-Odaverering en de niet-aflatende pogingen van de plaatselijke pastoor om die verering nieuw leven in te blazen in de eerste helft van de twintigste eeuw komen hier aan bod. In dit deel worden ook de resultaten voorgesteld van een onderzoek uit 1996 naar de primaire en secundaire relieken van de heilige, waarbij onder meer bleek dat de stoffelijke resten die aan haar werden toegeschreven uit de derde of vierde eeuw stammen (en dus niet uit de achtste waarin Sint-Oda zou hebben geleefd). Bij dit onderzoek dook een uiterst zeldzame liturgische kam uit de twaalfde eeuw op, die na verlies van zijn eerste functie in de Late Middeleeuwen een tweede leven heeft gekregen als attribuut van Sint-Oda.

Een opvallende rode draad in de bundel is de grote aandacht voor het bronnenmateriaal waarop de verschillende bijdragen steunen. Zo is er een Nederlandse vertaling bijgevoegd van de middeleeuwse vita van Sint-Oda, evenals een editie en vertaling van het ‘Odagedicht’ uit 1570 van de hand van de Rooise kanunnik Willem van de Ven. Dit laatste geschrift – een sterk bewerkte en gelatiniseerde versie van het levensverhaal van Sint-Oda – kwam tot stand in het kader van de beginnende contrareformatie in Noord-Brabant. Zoals Michiel Verweij in het bijhorende artikel illustreert, staat het gedicht boordevol referenties aan het werk van de Romeinse dichter Vergilius. Maar ook in de andere bijdragen is het onderliggende bronnencorpus nooit veraf: telkens stellen de auteurs de gehanteerde bronnen uitvoerig voor, evalueren ze de betrouwbaarheid ervan en melden ze eventuele afwijkende interpretaties van deze bronnen door andere auteurs. Citaten van geschreven bronnen en afbeeldingen van iconografische, musicologische en materiële bronnen brengen de lezer dichter bij het materiaal waarmee de auteurs aan de slag gingen. Die transparantie is het gevolg van de expliciete keuze van de redacteurs om ‘alles zo zorgvuldig mogelijk te documenteren’ voor toekomstige onderzoekers. Zoals Bijsterveld in de inleiding aangeeft, zorgt dit uitgangspunt ervoor dat de bundel bij momenten ‘stevige kost’ is, zeker voor lezers die niet academisch geschoold zijn. Daar komt bij dat niet alle auteurs erin slagen hun bronnencorpus en de bijhorende problematieken op een heldere manier voor te stellen. Toch wegen de voordelen van deze aanpak ruimschoots op tegen de nadelen: bronnentransparantie biedt een duidelijke meerwaarde voor het academisch debat, speelt een rol in het initiëren van nieuw onderzoek en brengt in dit geval ook niet-academici in contact met geschreven, iconografische en materiële bronnen waar zij doorgaans ver vandaan worden gehouden.

Een andere rode draad in de bundel is de factor ‘macht’, vooral de manier waarop actoren macht verwierven, uitten en in stand probeerden te houden. In dit kader schetst Sem Peters mooi hoe de verwerving van Sint-Oedenrode door de graven van Gelre (omstreeks het derde kwart van de elfde eeuw) en de hertogen van Brabant (in 1231) gepaard ging met grootschalige ingrepen in het burchtterrein, onder meer op het vlak van bebouwing en verdedigingswerken. De meest uitgewerkte casus over ‘macht’ in de bundel betreft de telgen van het geslacht van Rode: de nauwgezette analyses van Bijsterveld en Van Asseldonk tonen aan dat de Rodes in de twaalfde eeuw bezittingen en rechtsaanspraken hadden tot ver buiten de directe omgeving van Sint-Oedenrode, bepaalde grafelijke rechten uitoefenden en geregeld vertoefden aan de hoven van de keizer en de bisschoppen van Luik en Utrecht. Volgens Den Hartogs studie naar de middeleeuwse Sint-Odakerk moet er zelfs al een eeuw vroeger sprake zijn geweest van contacten vanuit Sint-Oedenrode met het keizerlijke hofmilieu: de Sint-Odakerk werd immers naar Ottoons model opgetrokken, naar schatting in het eerste kwart van de elfde eeuw, in een periode waarin soortgelijke kerken in het noordoostelijke deel van het hertogdom Brabant (in de elfde en twaalfde eeuw vaak ‘Texandrië’ genoemd) steevast werden gebouwd op initiatief van leden uit de keizerlijke entourage. Bijzonder interessant is de rol die religieuze initiatieven volgens Bijsterveld hebben gespeeld in de ruimere machtspolitiek in de regio. Zo argumenteert hij overtuigend dat de overbrenging van de relieken van Sint-Oda omstreeks 1100 op initiatief van Arnold van Rode ook als een strategische zet van de edelman moet worden gezien om de status van zijn eigen geslacht te vergroten. Mogelijk hadden leden of verwanten van dit geslacht al eerder een soortgelijke strategie toegepast door een initiërende rol te spelen bij de bouw van de kerk en de stichting van het bijhorende kapittel in Sint-Oedenrode. Ook de optekening van het levensverhaal van Sint-Oda in de dertiende eeuw door een Rooise kanunnik hoeft niet enkel een religieuze, maar kan ook een sociaal-politieke functie binnen de plaatselijke gemeenschap hebben vervuld.

Rondom Sint-Oedenrode is dankzij de bronnendiversiteit en -transparantie, alsook de rijkdom aan behandelde thema’s en de kadering van onderzoeksresultaten in ruimere historische debatten niet alleen relevant voor inwoners van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode. De bundel biedt immers ook interessante inzichten voor onderzoekers die zich toeleggen op religieuze, bouwkundige, literaire, musicologische en politieke aspecten van het verleden van hertogdom Brabant en, meer algemeen, de Nederlanden voor de periode 700-1970. In dit opzicht is het jammer dat de bundel geen besluitende bijdrage bevat die de meerwaarde en de resultaten van de multidisciplinaire aanpak nog eens kernachtig samenvat, want net op dat vlak kan Rondom Sint-Oedenrode functioneren als een voorbeeld voor toekomstige projecten rond lokale geschiedschrijving. Dat niet alle auteurs teruggrijpen naar academische literatuur en comparatief onderzoek om hun vaststellingen te verklaren en in een ruimer kader te plaatsen, voelt bovendien aan als een gemiste kans. In enkele bijdragen blijft daarnaast vakterminologie onverklaard: voor het brede publiek dat deze bundel beoogt te bereiken, zal dit een hindernis vormen bij het leesproces. Dit staat overigens in groot contrast met andere artikels in de bundel waarin de lezer in een toegankelijke en heldere taal doorheen complexe bronnen en onderzoeksresultaten wordt geleid. Maar het geheel in beschouwing genomen, zijn deze schoonheidsfoutjes snel vergeven. Wat op tafel ligt is een bundel die zowel zijn dienst zal bewijzen aan toekomstige onderzoekers, alsook aan alle geïnteresseerden in de Rooise geschiedenis.