Van de meeste prominente Nassaus uit de Nederlandse geschiedenis zijn inmiddels biografieën verschenen. Maurits en Willem Lodewijk hebben hun moderne biografieën – Van Deursen (2000), J. Van Hoof (1990) en J. Kalma (1981) – en Willem de Zwijger uiteraard ook (Mörke 2007). Minder prominente Nassaus, zoals Willem II en Ernst Casimir, ontberen echter levensbeschrijvingen en aan de schare nóg minder prominente Nassaus (wie kent de graven Filips en Lodewijk Gunter nog?) wordt meestal helemaal geen aandacht besteed. Tot deze groep moeten we ook Justinus van Nassau (1559-1631), rekenen, de buitenechtelijke zoon van Willem van Oranje en Eva Elinx,wellicht een dochter van een burgemeester uit Emmerik, of anders van een Bredase goudsmit of van een Gentse poorter. Deze ‘secundaire’ Nassaus zullen in toekomstig onderzoek hopelijk een grotere rol spelen, gezien de tendens van een nieuwe generatie historici om naar dynastieën als familiegroepen te kijken, waarin naast de familiehoofden ook andere familieleden een belangrijke rol speelden. Juist biografieën van de ‘kleine Nassaus’ vormen belangrijke puzzelstukjes voor een toekomstig groepsportret van de Nassaus, en ook daarom is deze biografie van Justinus van grote waarde.

Voor deze biografie heeft Adri van Vliet, plaatsvervangend directeur bij het Nederlandse Instituut voor Militaire Historie (NIMH), grondig bronnenonderzoek gedaan. Het boek volgt Justinus’ leven grotendeels chronologisch, dus van zijn geboorte tot zijn dood. Het resultaat is een goed leesbare en mooi geïllustreerde biografie. Justinus’ opvoeding lijkt als voorbeeld gediend te hebben voor de opvoeding van alle volgende protestante Nassaus. Hij was nog maar een jaar of acht toen zijn vader hem meenam in ballingschap naar Dillenburg waar hij opgroeide als ‘le petit monsieur’. Zijn oom Jan VI had een aantal zonen van Justinus’ leeftijd met wie Justinus en Maurits opgroeiden. Justinus werd ingeschreven aan de Leidse universiteit zodra die haar deuren voor het eerst opende – net als Maurits en hun neef Filips later. Daarna volgden enkele diplomatieke en hoofse stages. Justinus maakte deel uit van de hofhouding van Frans van Anjou en reisde met hem mee naar Engeland toen Frans van Anjou koningin Elizabeth het hof ging maken. Ook zijn eerste militaire ervaring deed Justinus op in het gevolg van Anjou.

De hoofdmoot van dit werk beslaat Justinus’ jaren als luitenant-admiraal van Zeeland (1585-1601) en als gouverneur van Breda (1601-1625); vooral de Zeeuwse periode wordt door Van Vliet uitgebreid beschreven. Die jaren vallen samen met de ‘glorieuze’ dagen van de jonge Republiek, waarin Maurits het ene na het andere Habsburgse vestingwerk oprolde en waaraan ook Justinus een bijdrage leverde – ondanks zijn functie als luitenant-admiraal.

Justinus’ jaren als luitenant-admiraal werden gekenmerkt door getouwtrek met de Staten van Zeeland over geld en Justinus’ geringe enthousiasme voor de maritieme dienst; deze zaken stonden met elkaar in verband, omdat Justinus de Zeeuwse admiraliteit geregeld vroeg om zijn kosten te dekken wanneer hij te land aan het vechten was. Waar mogelijk sloot hij zich aan bij het leger te land – overigens steeds met toestemming van de Staten. Toch prijst Van Vliet Justinus voor de manier waarop die het leger van Alexander Farnese belette zich aan te sluiten bij de Spaanse Armada, door effectief de Schelde te patrouilleren. Justinus’ weerzin tegen de zeedienst werd echter uiteindelijk zo groot dat hij het ambt vrijwillig opgaf. Toen hij gouverneur was van Breda gebeurde er op militair vlak niet veel – behalve natuurlijk de inname door Spinola in 1625, die het eind van Justinus’ ambtsperiode inluidde. Van Vliets algemene conclusie over Justinus is dat hij een weinig uitzonderlijke militair was; niet bijzonder succesvol of initiatiefrijk, maar wel loyaal aan zijn opdrachtgevers.

Het spannendste hoofdstuk in deze biografie gaat over Justinus’ huwelijk en dan vooral over zijn vrouw, Anna van Merode. Anna had zich in haar jeugd laten schaken door de Engelse commandant Thomas Morgan, waardoor ze haar relatie met haar ouders ernstig op de proef stelde. Nadat ze weduwe was geworden, ontmoette ze Justinus. Kennelijk klikte het, want Van Vliet meent dat het een huwelijk uit liefde was. Justinus had er bovendien veel bij te winnen, want Anna was van onberispelijke, adellijke komaf, zodat hun kinderen zonder enig probleem huwelijken vonden binnen de adel. Als Justinus al last had gehad van zijn buitenechtelijke geboorte, had hij deze schandvlek door zijn huwelijk uitgewist voor de volgende generatie.

Van Vliet volgde de sporen die Justinus achterliet in de archieven en bibliotheken van Leiden, Den Haag, Middelburg, Delft en Breda. De oogst, moeten we concluderen, was niet al te overvloedig en het is duidelijk dat de auteur alles wat er boven tafel te halen was daadwerkelijk boven tafel heeft gehaald. Ook zijn ongeveer alle bekende afbeeldingen van Justinus in de biografie opgenomen, evenals een reeks kaartjes die gebeurtenissen als het beleg van Antwerpen verduidelijken.

Ondanks al het uitputtend onderzoek had Van Vliet wellicht toch nog meer met Justinus kunnen doen. Zo lijken Van Vliets conclusies niet altijd overeen te stemmen met de bronnen die hij aanhaalt. In de conclusie vinden we bijvoorbeeld de opmerking dat Justinus zijn leven lang in de financiële zorgen zat, omdat hij als bastaard geen erfenis had gekregen. Maar uit het boek zelf blijkt dat hij succesvol salarissen, jaargelden en vergoedingen wist binnen te halen die hem in staat stelden een flinke vastgoedportfolio aan te leggen. Ook zijn admiraalschap in Zeeland noemt Van Vliet een goedbetaalde functie. Was zijn inkomen dan toch nog steeds veel lager dan dat van zijn broers en neven, of van andere edelen in de noordelijke Nederlanden? Of ging hij gebukt onder een verpletterende schuldenlast?

Zonder context is het moeilijk in te schatten waar we Justinus moeten plaatsen. Ook stelt Van Vliet dat Justinus ‘volledig in de Nassaufamilie opgenomen’ was. Soms vangen we inderdaad flarden op van de relatie tussen Justinus en Maurits, maar we krijgen niet te horen of Maurits Justinus net zo behandelde als zijn talloze Dietse neven: kregen ze ongeveer dezelfde militaire aanstellingen? Werd Justinus tijdens bijeenkomsten van de familie in Den Haag of op het slagveld met dezelfde égards behandeld als de ‘volwaardige’ Nassaugraven of moest hij genoegen nemen met een ondergeschikte rol? Was Justinus lid van de club of stond hij een treetje lager? Wat voor beeld zouden we van hem krijgen als we hem vergeleken met familieleden, zoals de graven Filips of Lodewijk Gunter? Deze jongere broers van Willem Lodewijk waren ook op zoek naar fortuin. Hoe verhield Justinus’ financiële situatie, en zijn rol in de strijd, zich tot die van hen?

Bovendien blijft Van Vliet steeds wat te dicht op de bronnen. Zo krijgen we een mooi inzicht in het overgeleverde archiefmateriaal, maar blijft het verhaal wat zwak. Pas in de conclusie durft de auteur bredere lijnen te schetsen, die desondanks niet altijd overtuigen. Zo lezen we dat Justinus een ‘belangrijke, bemiddelende rol speelde’ in het conflict tussen Maurits, Maria en Filips Willem over de erfenis van hun vader (wie kreeg Breda?), maar in het desbetreffende hoofdstuk zien we hem alleen terug op een mislukte missie naar Frankrijk over de Nassause rechten in het vorstendom Orange, het Franse deel van de erfenis dat ontegenzeggelijk aan oudste zoon Filips Willem toekwam. Ook wordt hier vermeld dat hij voor een loyaliteitsconflict werd gesteld toen zowel Filips Willem als Maurits de magistraat in Breda, waar Justinus gouverneur was, wilde vernieuwen – maar dit probleem werd volgens Van Vliet door Maurits ‘opgelost’ toen die zijn eigen keus doorzette. Van een actieve bemiddelende rol tussen de broers lijkt dan toch eigenlijk niet echt sprake.

Het zou wellicht goed in de Cultural Turn gepast hebben als Van Vliet niet alleen Justinus’ militaire rol in de Opstand had gereconstrueerd, maar ook vragen had gesteld over Justinus’ plaats binnen de Nederlandse adel en binnen zijn familie. Graag hadden we meer gelezen over zijn huishouden, bijvoorbeeld, of zijn eventuele culturele patronage. En hoe stond hij religieus gezien in het leven? De nauwe focus op Justinus’ militaire wederwaardigheden levert uiteindelijk een ietwat beperkt beeld op van deze Nassau, maar naar alle waarschijnlijkheid moeten we deze insteek toeschrijven aan een gebrek aan bronnen. Van Vliets biografie is zonder meer een zeer welkome aanwinst in de beperkte collectie Nassau-biografieën die de Nederlandse historiografie heeft voortgebracht. Hopelijk zal dit werk onderzoek naar de Nassau-clan als familiegroep aanzwengelen.