In het najaar van 1951 ontstond in het Friese dorp Hardegarijp een conflict over een verzoek van enkele tientallen orthodox-hervormde ouders om een protestantse dorpsschool op te richten. De ophef ontstond niet omdat andersdenkenden zich daartegen verzetten, maar omdat de hervormde kerkenraad zich ertegen keerde. De initiatiefnemers werd door de kerkenraad aanbevolen het verzoek in te trekken, daar het voor de kinderen veel beter was gezamenlijk de bestaande, openbare school te bezoeken. Kinderen opdelen in groepen was – volgens de kerkenraad – niet bevorderlijk voor de eenheid in het dorp en het land. Het conflict, oorspronkelijk een geschil tussen de kerkenraad en de ouders, liep danig uit de hand. Een koor van vooraanstaande theologen sprak zich over de kwestie uit, en in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 1952 verscheen het conflict ook op de radar van politieke partijen. Grote woorden werden daarbij niet geschuwd. Een van de deelnemers aan het debat merkte op hoezeer de nieuwe school in Hardegarijp nodig was, daar Nederland met ‘de S.S. ideologie’ in de Tweede Wereldoorlog slechts het voorspel had meegemaakt van wat met de intrede van ‘het Europees-Amerikaanse heidendom’ nog te wachten stond. Onder dergelijke omstandigheden was, volgens deze spreker, enige meegaandheid ongewenst.

De uit de hand gelopen dorpsrel uit de jaren vijftig lijkt een relict uit een ver verleden, een conflict waar seculiere burgers van het huidige Nederland gniffelend op terug kunnen kijken. In zijn boek Heer en meester laat Wim de Jong zien dat een dergelijke conclusie voorbarig zou zijn. In zijn studie onderzoekt De Jong de ontwikkeling van het Nederlands protestants-christelijke onderwijs na de pacificatie. Daarbij stelt hij vier kwesties aan de orde. De eerste vraag is: wie was eigenaar van de school? Ouders, schoolbesturen, onderwijzers of de overheid? Wie had de leiding in de ontwikkeling van identiteit en lesprogramma? De tweede: was de christelijke school op aarde om specifiek de eigen bevolkingsgroep te dienen of was de school er ten bate van de samenleving als geheel? Deze vraag kwam in de kwestie Hardegarijp uiteindelijk centraal te staan. De derde vraag richt zich op de verhouding van het bijzonder onderwijs tot de overheid en de vierde vraag heeft te maken met de wijze waarop binnen het onderwijsveld het samenspel verliep tussen bestuur, leraren, leerlingen, ouders en de kerken.

De Jong behandelt deze vragen chronologisch. Hij bespreekt drie perioden – 1878-1945, 1945-1980, 1980-2017 – in telkens twee hoofdstukken. In de eerste hoofdstukken is de pacificatie van 1917, toen in een groot compromis tegelijkertijd de vrijheid van onderwijs en het algemeen kiesrecht ingevoerd werden, het kantelpunt. Opgemerkt moet worden dat De Jong helaas nalaat zijn analyse wat steviger in te bedden in het bestaande debat over de politieke en maatschappelijke betekenis van deze gebeurtenis. Waar voor sommigen ‘1917’ voornamelijk als het eindpunt van een periode geldt, is het voor anderen meer een nieuw begin. Nu kan dat natuurlijk beide waar zijn, maar iets meer aandacht voor de bredere context van de pacificatie had de eerste hoofdstukken sterker gemaakt.

Meest thuis is de auteur in de naoorlogse periode. Dit is op zichzelf niet verwonderlijk, want De Jong promoveerde op een inzichtrijk boek over burgerschapsvorming en democratieontwikkeling na de Tweede Wereldoorlog. In zijn proefschrift liet hij al zien dat hij in staat is uit een woud van bronnen en citaten een algemeen beeld van een periode op te roepen en dat blijkt in Heer en meester opnieuw. Met meesterhand schetst De Jong de ingewikkelde vraagstukken waar het christelijke onderwijs voor kwam te staan nadat binnen de Nederlands Hervormde kerk zélf de vraag wat de verhouding tussen kerk en samenleving moest zijn nadrukkelijk op de agenda was gezet. De christelijke school werd een van de strijdtonelen waar het debat over die vraag werd uitgevochten. Het knappe van de hoofdstukken over deze periode is dat ze laten zien welke effecten dit had op scholen, zonder dat de hoofdlijn van het debat uit het oog wordt verloren.

In de laatste hoofdstukken ligt het zwaartepunt op de meest recente periode, toen scholen zelf uit de brokstukken die na het debat in de vorige periode waren overgebleven, een enigszins coherente en werkbare identiteit moesten destilleren. De protestantse kerken waren voor een aanzienlijk deel leeggelopen, maar het christelijk onderwijs bleef onverminderd populair. De betekenis hiervan voor de identiteit van datzelfde onderwijs was niet helder, en De Jong weet de worsteling die dit voor scholen, schoolbestuurders, docenten en ouders met zich mee bracht mooi in beeld te brengen. De rol van de overheid, die ondanks de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van onderwijs steeds nadrukkelijker een sturende rol op zich probeerde te nemen, maakte dit niet makkelijker. Iets meer aandacht voor de rol van de onderwijsinspectie als intermediair tussen overheid en scholen had overigens bijgedragen aan de scherpte van de uiteindelijke analyse. De inspectie was en is immers een eigenstandige actor en niet het voorportaal van een abstracte ‘overheid’. Ook de staat wordt vormgegeven en gerepresenteerd door individuele actoren.

Deze kritische kanttekeningen daargelaten heeft De Jong een fabelachtig goed boek geschreven, dat rijk aan informatie is. De centrale vragen houdt hij stevig bij de hand. De auteur bedient zich bovendien van een vlotte pen zonder dat hij concessies doet aan diepgang en academische verantwoording. Het boek had het dan ook verdiend uitgegeven te worden door een gerenommeerde uitgeverij. Nu is het verschenen onder auspiciën van de opdrachtgever van het onderzoek, de vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs Verus. Dat is overigens met zorg gebeurd – het eindproduct doet recht aan de inhoud –, maar publicatie ervan door een onafhankelijke uitgever had onderstreept dat dit boek ver uitstijgt boven een in opdracht geschreven gelegenheidsgeschiedenis.

Het is, ten slotte, ook jammer dat de opdracht beperkt is gebleven tot een geschiedenis van het protestants-christelijk onderwijs. Vergelijkbare vragen speelden uiteraard ook in katholieke en openbare kringen en het was van grote waarde geweest als De Jong ook die onderwijsvelden in vergelijkend perspectief in het boek een plek had gegeven. Opnieuw wordt hiermee aangetoond dat de geschiedschrijving in Nederland waarschijnlijk vele malen ‘verzuilder’ is dan het verleden dat erin beschreven wordt. Maar het boek kan uitstekend dienen als bouwsteen voor een veel meer geïntegreerde geschiedschrijving van de discussie over de vrijheid van onderwijs.

Voor nu biedt het boek van De Jong een mooie inkijk in de wondere wereld van het Nederlands onderwijs en geeft het bovendien inzicht in de daadwerkelijke uitwerking van de levensbeschouwelijke verkaveling van de Nederlandse politiek en samenleving. J.P. Kruijt merkte in de jaren vijftig al op dat het begrip verzuiling in Nederland vooral betrekking had op instituties als het onderwijs. De Jong lijkt met zijn boek die stelling te onderstrepen. Achter de façade van eenheid en geslotenheid bevond zich een wereld van strijd en debat over de juiste koers, de eigen identiteit en de vraag wat de waarde was van een eigen plek onder de zon.

Heer en meester. Vrijheid van onderwijs 1917-2017 heeft bovendien een grote actualiteitswaarde. Opnieuw staat immers de vraag centraal van wie onze scholen eigenlijk zijn. Van ondergewaardeerde en onderbetaalde onderwijzers en leraren, van ouders en leerlingen, van schoolbesturen of van de overheid met haar eindtermen, financieringsconstructies en onderwijsinspectie? Het zou het huidige debat over de staat van het Nederlandse onderwijs van de nodige diepgang voorzien door de analyse van het verleden er nadrukkelijk bij te betrekken en opnieuw over de meerwaarde van de vrijheid van onderwijs te denken. Het zou een aanzet kunnen zijn om het eigenaarschap van het onderwijs opnieuw te bevechten. Als De Jong met zijn boek één ding heeft aangetoond, is het wel dat het onderwijs een dergelijk diepgravend debat verdient.