De kerk en het geloof speelden in de Middeleeuwen een belangrijke rol. Ontwikkelingen in de geloofsbeleving hadden dan ook veel maatschappelijke invloed. Dit is het onderwerp van de verzamelbundel van Koen Goudriaan, emeritus hoogleraar Middeleeuwse Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In de bundel Piety in Practice and Print zijn elf eerder gepubliceerde essays van Goudriaan opgenomen, die volgens de redacteuren Anna Dlabacˇ ová en Ad Tervoort representatief zijn voor Goudriaans onderzoek naar de Late Middeleeuwen. Het vroegste artikel dateert uit 1999, de overige uit de jaren 2008-2013 (19-20). Soms is nieuw onderzoek verwerkt in een epiloog of in een aanpassing van de appendix, in meer gevallen is recente literatuur in een noot genoemd, maar niet in het desbetreffende essay verwerkt (17). Dit is bijvoorbeeld het geval bij het oudste artikel in deze bundel ‘Ownership of Graves in Medieval Parish Churches in Holland’ (183, n.*). Een artikel uit 1999 had voor deze bundel uit 2016 wel herschreven mogen worden met het nieuwe onderzoek erin verwerkt. Het voorwerk bevat een uitgebreide bibliografie van Koen Goudriaan, die 102 publicaties uit de jaren 2008 tot en met 2016 omvat, plus nog enkele ongedateerde bijdragen. Deze lijst toont dat Goudriaans onderzoek zich op een breder terrein heeft bewogen dan deze bundel laat zien.

Goudriaans essays zijn volgens drie thema’s gerangschikt. Deel I bevat artikelen over religieuze gemeenschappen en instituties (29-179); deel II gaat over memoriecultuur (181-215) en III over religieuze teksten en de vroege drukpers (217-308). In alle drie de delen is een rol weggelegd voor de opkomst en invloed van de Moderne Devotie, de spirituele beweging die gesticht werd door Geert Grote (1340-1384). Grote wilde de kerk van binnenuit hervormen en stond een ascetische levenshouding voor. Dit komt onder andere tot uiting in het traktaat over simonie ofwel materiële vergoedingen voor spirituele zaken, dat Grote voor begijnen schreef. Goudriaan probeert vast te stellen voor welk convent de tekst oorspronkelijk was geschreven en geeft vervolgens een grondige analyse van de opbouw en inhoud ervan. Zo laat hij zien dat Grote rechtlijnig was in zijn definitie van waar al dan niet voor mocht worden betaald. Het was bijvoorbeeld toegestaan voor een plaats in een gasthuis te betalen, maar betaling was ongewenst als er geestelijke zaken (zoals aflaten) bijkwamen (84). Het slot van dit artikel is vooral interessant, omdat Goudriaan de ideeën van Grote vergelijkt met die van John Wycliff, de Engelse kerkhervormer die tot ketter werd verklaard (94-95). Grote bleef met zijn beweging binnen de kerk, terwijl de volgelingen van Wycliff vervolgd werden. Deze grondige analyse door Goudriaan is representatief voor de andere artikelen in deze eerste sectie, zoals zijn essays over het ontstaan van het gasthuiswezen in Holland, Zeeland en Utrecht tot aan 1428. De lijst van 98 gasthuizen in de Appendix bij dit artikel vormt een uitstekend overzicht van de ontwikkelingen in de drie genoemde provincies en biedt mogelijkheden voor verder onderzoek.

Het laatste deel van deze bundel omvat vier artikelen over het drukken van religieuze teksten in de begintijd van de drukpers. De doelstelling van het eerste artikel over verschillende edities van het leven van Jezus is veelbelovend (219-233). Goudriaan wil hierin aan de hand van dit beperkte corpus de gevolgen van de Medienwechsel van handschrift naar druk illustreren. Interessant is zijn observatie dat de boekdrukkunst een ‘verdunnend’ effect had: van de honderden meditatieve teksten over het leven van Jezus die in handschrift circuleerden, werden er slechts 29 in druk uitgebracht; er bleven dus veel minder teksten beschikbaar in het leescircuit. Van de verschillende edities is een mooi overzicht in de appendix opgenomen. Toch laat dit artikel de lezer achter met vragen over de opbouw van het corpus. En waarom is Appendix II met een lijst van houtsneden in deze teksten toegevoegd (238-239), geheel gebaseerd op Ina Koks Woodcuts in Incunabula Printed in the Low Countries (2013)? Wat is de bedoeling daarvan? Het artikel besluit met een epiloog die ter gelegenheid van het verschijnen van deze bundel geschreven is, waarin Goudriaan tien jaar na dato reflecteert op het oorspronkelijke artikel. Het was waardevoller geweest als Goudriaan het artikel herschreven had en de opmerkingen uit de epiloog in de herschreven versie verwerkt had.

Een ander artikel plaatst echter op voorbeeldige wijze de betekenis van de drukpers voor de Moderne Devotie in een nieuw licht. In de literatuur wordt steevast gesteld dat de Moderne Devotie leken wilde bereiken door voor hen bestemde teksten te verspreiden, het gebruik van de landstaal in kerkelijke zaken te stimuleren en goed voortgezet onderwijs te bevorderen. Bovendien wordt vaak beweerd dat binnen de beweging boeken werden gemaakt voor de externe markt om geld te verdienen. Goudriaan toont echter aan de hand van de boekproductie van zes drukpersen van de Broeders van het Gemene Leven (Marienthal, Brussel, Rostock, Gouda, Schoonhoven, Den Bosch) dat de communis opinio over de Moderne Devotie bijgesteld moet worden. In feite laat hij in het artikel ‘The Devotio Moderna and the Printing Press’ zien dat de broedergemeenschappen hun teksten meer voor de eigen gemeenschap dan voor anderen produceerden. Ze waren niet financieel afhankelijk van de opbrengsten van hun boekproductie en drukten meer boeken in het Latijn dan in de landstaal. Bovendien kwamen er van hun pers niet meer schoolboeken dan van die van wereldlijke drukkers (277). In het laatste artikel, ‘The Franciscans, the Laity and the Printing Press’, betoogt Goudriaan dat niet de Moderne Devotie, maar de franciscanen de drukpers inzetten om lezers buiten de kerk te bereiken. De franciscanen hadden geen enkele drukpers maar lieten tussen 1485 en 1540 ongeveer 150 geestelijke (franciscaanse) teksten in het Nederlands drukken. In tegenstelling tot de Moderne Devotie en de traditionele kerk reageerden de franciscanen dus niet defensief op de hervorming die Luther in 1517 begon, maar zetten al veel eerder de drukpers in bij een weloverwogen publiciteitsprogramma van het verspreiden van op leken gerichte franciscaanse teksten.

Piety in Practice and Print is een rijk boek. Zoals in deze recensie hierboven is aangeduid, heeft Goudriaan bepaalde onderwerpen grondig onderzocht. Hij geeft zijn onderzoek steeds met veel details en appendices weer. Dit maakt deze bundel ook interessant voor de internationale onderzoeksgemeenschap. Daarom is het spijtig dat het Engels van deze bundel te wensen overlaat. De Nederlandse zinnen zijn nog duidelijk achter het Engels te zien. De tekst is weliswaar grammaticaal juist, maar leest moeizaam. Vaak moet je zinnen meerdere malen lezen om werkelijk te begrijpen wat er staat. Dit doet afbreuk aan de bundel en kan ervoor zorgen dat deze belangrijke artikelen buiten Nederland minder gelezen zullen worden dan ze verdienen – en de bundel verschijnt toch juist in het Engels om onderzoekers buiten Nederland te bereiken. Op deze manier blijft het lastig belangrijk Nederlands onderzoek in het buitenland gelezen te krijgen. Waarom heeft NWO toch de vertaalbeurzen afgeschaft?