Sinds 2001, toen het vorige deel van dit geschiedwerk (1898-1940) verscheen, is uitgekeken naar de beschrijving van de oorlogsjaren op het departement van Justitie, of eigenlijk departementen, want de minister zat met enkele medewerkers in Londen, terwijl de rest van de ambtenaren in Nederland was achtergebleven om samen met de bezetter het bestuur voort te zetten. Een tipje van de sluier was al opgelicht in Verburgs boek over zestig jaar vergaderingen van de procureurs-generaal,1 waarin de oorlogsjaren uitgebreid aan bod komen – tot begin 1943, toen de vergaderingen vanwege de reorganisatie van de politie ophielden.

Verburg heeft een spannend boek geschreven, een in prettige vertelstijl gepresenteerd dossier met veel details en soms lange, maar steeds functionele citaten uit bronnen. Door de uitvoerige weergave van wat de archieven prijs hebben gegeven blijft de schrijver dicht bij de gebeurtenissen, waardoor je een goed idee van het dagelijks reilen en zeilen krijgt. Dat maakt dit boek een ideale bron voor schrijvers van historische romans, en natuurlijk voor andere historici. Het is daarom des te spijtiger dat er geen overzicht van de gebruikte bronnen in het boek is opgenomen. De wetenschappelijk geïnteresseerde lezer moet het doen met de eindnoten, welk leed enigszins verzacht wordt doordat het namenregister ook op die noten betrekking heeft.

Het boek kent logischerwijs twee delen: het ene speelt zich af in Londen en het andere in Den Haag/Apeldoorn. De hoofdstukken zijn grotendeels thematisch, wat logisch is en geen storende redundanties oplevert. De eerste twee hoofdstukken van het Londense deel geven een korte beschrijving van het departement aan de vooravond van de oorlog en tijdens de gevechten, en gaan dus eigenlijk vooraf aan beide delen. Terecht besteedt Verburg daarin aandacht aan de Aanwijzingen die de regering in 1937 had opgesteld voor ambtenaren in geval van een bezetting en die het aan de ambtenaar zelf overlieten om te beoordelen wanneer zijn of haar werkzaamheden het belang van de bezetter meer ging dienen dan dat van de Nederlandse bevolking. Als dat het geval was, moest hij of zij opstappen. Het dilemma van de spreekwoordelijke burgemeester in oorlogstijd werd dus expliciet aan de ambtenaren opgedrongen. Zoals bekend dachten de meesten tot het eind van de bezetting dat hun aanblijven per saldo gunstiger was voor land en volk – en gezin.

De belangrijkste onderwerpen in het deel over het Londense departement zijn: wetgeving, interne strubbelingen, veiligheid en politie. De wetgeving voor de naoorlogse berechting van collaborateurs werd gebaseerd op ‘ongeschreven staatsnoodrecht’. Dankzij Verburg komen we iets meer te weten over hoe de juristen in Londen zich dat voorstelden. Zij vatten deze wetten op als onderdeel van een apart juridisch systeem naast het gewone recht, waarmee die wetten dus niet in strijd konden zijn. In dit parallelle juridische universum kon alles wat normaal niet mocht, zolang het de staatsnood bedoelde te lenigen, zoals terugwerkende kracht van strafwetten, de doodstraf, meerdere vervolgingen voor hetzelfde feit en lekenrechtspraak (38, 105). Ook andere materie moest geregeld worden, waaronder de inrichting van het bestuur direct na de bevrijding, voor het herstel van de grondwettige overheid. Interessant is de achtergrond van het door De Jong slechts vluchtig genoemde ‘Grondleggend Besluit’2 dat blijkt te zijn ontworpen als een ‘nevengrondwetje’, een geschreven wettelijke basis – in de plaats van het schimmige staatsnoodrecht – voor de overheidshandelingen en regelingen in de tijdelijke uitzonderingstoestand. Het werd nooit ingevoerd. Slechts één aspect ervan bereikte de status van wetgeving: het Besluit Bezettingsmaatregelen (96-99).

In Nederland waren de belangrijkste onderwerpen: samenwerking met de Duitsers en vanaf juli 1941 met de tot secretaris-generaal benoemde NSB’er Jaap Schrieke, de jodenvervolging, wetgeving, rechtspraak en politie. In dit deel wordt duidelijk hoe ambtenaren sommige zaken konden traineren (zoals de wijziging van het echtscheidingsrecht) of verdoezelen (zoals stukken over NSB’ers die Schrieke niet mocht zien), maar aan andere, zoals verschillende verordeningen, meewerkten.

Een mooi voorbeeld van een kwestie die in uiteenlopende toonzettingen in de literatuur is besproken, en door Verburg van extra achtergrond wordt voorzien, is het protest tegen de noodgevangenis te Ommen, waar gevangenen zeer slecht behandeld werden.3 Er was vanuit het OM, de rechtspraak en het departement een voorzichtige lobby op gang gekomen om van de Duitsers gedaan te krijgen dat het kamp gesloten werd. Verburgs onderzoek bevestigt dat al in januari 1943 tot sluiting van het kamp was beslist, dus nog voor het beroemde ‘Leeuwarder arrest’ van 25 februari, waarin het gerechtshof ‘om des gewetenswille’ een straf verlaagde, zodat de veroordeelde niet naar Ommen hoefde. Dankzij een naoorlogs interview door historicus A.E. Cohen met voormalig Commissaris-Generaal Wimmer, waarnaar Verburg elders verwijst, is bekend dat deze sneer naar de bezetter bij de Duitsers totaal verkeerd viel en de al in gang gezette sluiting van het kamp in gevaar had gebracht. Merkwaardig genoeg verwijst Verburg niet naar de opmerking van Wimmer en concludeert hij dat alle protestacties van de rechterlijke macht het proces van sluiting hebben versneld.

Verburg schrijft invoelend, maar niet emotioneel en met gepaste distantie – behoudens een enkele uitschieter als: ‘De Nederlandse rechtspraak had zich, de Hoge Raad voorop, volledig aan de willekeur van de Duitse regelgever overgeleverd’ (344). Verburg gaat niet in discussie met andere auteurs, maar dat is ook niet de opzet van dit werk. De grote waarde ervan ligt in het presenteren van archiefmateriaal waarmee ook de menselijke kant van de zaak naar voren komt. Dit is het verhaal van de belangrijkste ambtenaren op de justitiedepartementen vanuit hun eigen perspectief. Boeiend om te lezen zijn bijvoorbeeld de ervaringen en overwegingen van waarnemend secretaris-generaal Jan Coenraad Tenkink, die in februari 1941 zijn ontslag indiende toen bij twee van de vijf gerechtshoven NSB’ers tot procureur-generaal werden benoemd. Overigens vermeldt Verburg gek genoeg niet of en hoe de Aanwijzingen voor Tenkink een rol hebben gespeeld, behalve dan de opmerking van Tenkink dat alle andere ambtenaren wat hem betreft op hun post moesten blijven (233). Zowel Tenkink als Van Angeren (secretaris-generaal en minister in Londen) hadden veel aantekeningen gemaakt waaruit Verburg dankbaar heeft geput. Dit boek is mede daardoor onmisbaar voor een goed beeld van de Nederlandse overheid en justitie in oorlogstijd.

Het is goed dat het ministerie van (Veiligheid &) Justitie een geschiedschrijver heeft; elk ministerie zou er een moeten hebben. Dat zou kunnen helpen tegen de almaar voortgaande vernietiging van de geschiedenis door het opruimen van archieven. De geplande periode van het hele geschiedwerk is 1798-1998. Hopelijk hoeven we minder lang te wachten op het volgende deel, dat de periode 1945 tot de vroege jaren zeventig zal beslaan.