Ondanks de gestage groei van het vakgebied Environmental History, ecologische geschiedenis in het Nederlands, vertoont de geschiedenis van natuur- en landschapsbescherming nog talloze hiaten. Wybren Verstegen, milieuhistoricus aan de VU in Amsterdam, is een van de weinigen die zich in Nederland met deze geschiedenis bezighouden. In zijn nieuwste werk, Vrije Wandeling, bouwt hij voort op zijn eerdere publicaties over landgoederen, belastingwetgeving en de adel. Hij richt zich daarbij niet op de grote spelers in Nederland, zoals Staatsbosbeheer (SBB), Natuurmonumenten of de Provinciale Landschappen, maar op een specifieke groep: de landgoedeigenaren. Daardoor gaat het in Vrije Wandeling om een ander soort natuurbeheer dan bij de officiële natuurorganisaties. Geldelijk gewin en landbouwkundig gebruik zijn voor landgoedeigenaren vrijwel altijd wezenlijk, terwijl de waardering van deze gebieden door hen en anderen niet zozeer afhangt van floristische en faunistische bijzonderheden, maar van de esthetische en cultuurhistorische kwaliteit. Het gaat de landgoedeigenaren eerder om een Nieuw Arcadië dan om Nieuwe Wildernis.

De zogenaamde Natuurschoonwet uit 1928 staat centraal in dit boekje van Verstegen, dat is geïllustreerd met fraaie kaarten uit een bijna vernietigd SBB-archief. Wat was het effect van deze wet op het recreatief, financieel en biologisch beheer van de landgoederen, wat was hierbij de rol van de Nederlandse staat en verschilde het beheer per regio? Impliciet stelt Verstegen ook de vraag of de wet heeft bijgedragen aan de instandhouding van natuur. De auteur gaat in op de voorgeschiedenis van de wet, de diverse parlementaire behandelingen ervan, de discussies met betrokkenen en de financiële positie van de landgoedeigenaren. Verstegen gebruikt daarvoor niet alleen statistieken, wetsteksten, nota’s en archieven, maar ook de resultaten van periodieke enquêtes onder landgoedeigenaren en ANWB-wandelgidsen. Daarnaast beschrijft hij in detail de ontwikkelingen van enkele landgoederen, zoals de inkomsten, de eigendomssituatie, de inrichting en het beheer.

De Natuurschoonwet werd van kracht in een periode waarin ook andere initiatieven tot de bescherming van natuur werden genomen. Zo kreeg SBB in 1928 de taak natuur te beschermen. Daarnaast verrees in 1932 de Contact-Commissie van Natuur en Landschapsbescherming, die het maatschappelijke verzet kanaliseerde tegen de ontginning van woeste gronden en landschapsontsiering, en waarin Natuurmonumenten en de ANWB hoofdrollen speelden. Deze twee organisaties stelden onder meer via een zogenaamde Noodklokvergadering in 1926 de bedreiging van Nederlandse landgoederen aan de orde.

Nadat verschillende kamerleden, zoals de communist en natuurliefhebber Willem van Ravesteyn in 1924, de regering tot actie hadden gemaand, vroeg deze diverse bosbouworganisaties om advies over genoemde kwestie. Uit een overzicht uit 1925 bleek inderdaad dat veel landgoederen en buitenplaatsen op allerlei manieren bedreigd werden, vooral in het westen van het land. Als belangrijkste bedreiging beschouwde men de sterk gestegen belastingdruk van de landgoedeigenaren. Wie een landgoed erfde, moest al snel 25 procent van de waarde ervan aan successierechten betalen. Deze lasten stonden niet in verhouding tot de opbrengsten van de terreinen, zodat eigenaren hun bezit verkochten of bomen kapten voor de verkoop. Daarnaast was het onderhoud van het landgoed relatief duur. Overigens was het probleem van relatieve aard. Inkomen hadden de landgoedeigenaren namelijk meestal voldoende, zoals effecten die meer opbrachten dan hun landgoederen, zij het dat er vanaf 1918 problemen waren met Russische obligaties. Hoe dan ook, er bestond een onbalans tussen de lage opbrengsten van de landgoederen en de hoge belastingaanslagen.

Tegelijk was de overheid al enige decennia van mening dat de ‘vrije wandeling’ in de landgoederen bevorderd moest worden. Deze moesten worden opengesteld, opdat, in de woorden van het Vrije Liberale kamerlid Johan ter Spil, de ‘kleine luyden […] bewaard worden voor een volslagen verpietering’. Daarbij was er een groeiende maatschappelijke zorg over het verdwijnen van de mooie en vrije natuur. Door de verkoop van landgoederen en houtkap dreigde veel bos – en daarmee natuurschoon – te verdwijnen. Menig landgoed werd in een bloembollenveld veranderd. In de Natuurschoonwet kwamen deze drie kwesties samen, want de wet maakte het mogelijk forse belastingverlaging te geven aan landgoedeigenaren als ze hun landgoederen openstelden voor het publiek en zich gedurende vijfentwintig jaar zouden inzetten om de esthetische kwaliteit van hun landgoed op peil te houden.

Vrijwel iedereen steunde de invoering van deze wet, al achtten sommigen, zoals de bekende socialist en natuurbeschermer Henri Polak, de wet volstrekt ontoereikend om natuur voldoende te beschermen. Eigenaren van een landgoed konden, zo vreesde hij, onvoldoende aangesproken worden op de kwaliteit van het natuurbeheer en als ze een beroep op de wet deden, konden ze niet gedwongen worden dit vijfentwintig jaar vol te houden. Anderen dachten dat deze wet de staat veel inkomsten zou schelen. En dan waren er nog vele onduidelijkheden over de waardebepaling van de landgoederen en over de definitie van natuurschoon.

De kwestie natuurschoon was van belang, omdat de omschrijving hiervan bepaalde wat beschermd werd. Vennen en stuifzand werden aanvankelijk door velen niet als natuurschoon gezien en vielen daarom niet onder de wet. Heuvelachtig land met ‘forsche boomen’ hoorde er wel toe, net als mooie lanen, beekjes en vergezichten. ‘Lelijke’ gebouwen, zoals sommige villa’s, vielen niet onder de wet, bouwland en weiland soms. Uiteindelijk ging men flexibel om met het begrip natuurschoon. Pas veel later, in 1989, kwamen er stringentere officiële normen voor wat natuurschoon was en wat niet.

De waardebepaling van het landgoed was evenmin een vrijblijvende kwestie, omdat het de grondslag van de belastingvermindering vormde. Men koos niet voor de verkoopwaarde van een landgoed, maar voor de bestemmingswaarde, doorgaans een lager bedrag. Daarmee werd rekening gehouden met de kosten van onderhoud van de verschillende landgoederen. Met de inkomstenderving voor de staat bleek het mee te vallen, voor zover dat viel te bepalen.

Bleef over de kritiek van mensen als Polak: droeg de wet werkelijk bij aan de bescherming van de natuur? Uit de balans in het boek van Verstegen, gemaakt toen de wet vijfentwintig jaar van kracht was, blijkt dat er in kwantitatief opzicht sprake was van succes: in 1950 viel zo’n 100.000 ha. onder de wet, verdeeld over 667 landgoederen. Van de lijst van bedreigde landgoederen uit 1925 bleek echter slechts een deel onder de wet te zijn gebracht. Andere landgoederen die niet onder de wet vielen, waren wel behouden. Daar kwam bij dat veel via de wet beschermde landgoederen buiten de Randstad lagen, veelal in handen van de adel. In de Randstad was openstelling lastiger en bleef de fiscale druk hoog. Daarnaast profiteerden grote landgoederen meer dan kleine, onder meer door de gebruikte methodiek. Het door Verstegen gepresenteerde gedetailleerde onderzoek naar enkele landgoederen maakt aannemelijk dat de Natuurschoonwet soms wel enig effect had op de kwaliteit van de landgoederen, maar niet altijd. Wel blijkt dat verreweg de meeste landgoederen ten minste de afgesproken duur van vijfentwintig jaar onder de wet bleven vallen. Een nauwkeurig beeld van de precieze kwaliteitsontwikkeling van de landgoederen ontbreekt echter in het boek. Het andere gewenste effect van de wet, de toename van het recreatief gebruik, bleek in 1950 niet zo groot te zijn. Afgaande op het aantal uitgegeven wandelkaarten, hadden tussen 1925 en 1950 slechts enkele tienduizenden mensen de verschillende landgoederen bezocht.

Na 1950 veranderde er lange tijd weinig als het gaat om regelgeving en het aantal landgoederen. Wel nam het aantal bezoekers gestaag toe. Omstreeks 1980 groeide de behoefte aan wetsaanpassing omdat veel landgoederen inmiddels in handen waren gekomen van natuurorganisaties en stichtingen. Ook wilde de overheid het aantal nieuwe landgoederen uitbreiden. Dit leidde ertoe dat de normen werden aangescherpt voor landgoedeigenaren die hun landgoed onder de wet wilden laten vallen. Zo diende het landgoed uit ten minste 30 procent bos te bestaan en moesten er voorzieningen worden aangebracht voor recreanten en de bescherming van het natuurschoon. Het aantal hectares dat onder de wet viel, nam iets toe. In 2017 viel ongeveer een kwart van de ca. 400.000 ha. natuurgebied in Nederland onder de Natuurschoonwet. Daarnaast waren nogal wat historische landgoederen overgedragen aan natuurbeschermingsorganisaties, waardoor de bescherming daarvan uitgebreider en duurzamer werd.

Verstegen heeft met zijn werk belangrijke informatie toegevoegd aan de geschiedenis van natuur- en landschapsbescherming en daarvoor diverse nieuwe bronnen ontsloten. Over de rol van de adel en de landgoederen voor moderne natuurbescherming was weinig bekend. Hetzelfde geldt voor het belang van wettelijke inkadering en economisch profijt van dit soort terreinen. Wat dat betreft is het boek zeker een aanwinst. De auteur stipt af en toe de situatie op het gebied van natuur- en landschapsbescherming in andere landen aan, wat naar meer smaakt. Helaas ontbreekt in Verstegens studie een duidelijke inhoudelijke lijn. Een systematischere behandeling van de verschillende maatschappelijke actoren en factoren zou het boek sterker hebben gemaakt. Ook de slotbeschouwing synthetiseert onvoldoende, zodat het de lezer moeite kost te achterhalen wat de precieze betekenis van de Natuurschoonwet voor het natuurbehoud in Nederland nu was en wat de belangrijkste achtergronden waren van die wet. De uitdagende hypothese dat de Nederlandse adel er – met de bosbouwers, de ANWB en de rijksoverheid – voor heeft gezorgd dat 100.000 ha. Nederlandse natuur werd gered, blijft een hypothese.