Het universitair geschiedenisonderwijs is aan grote veranderingen onderhevig. Thematisch gezien gaat het nog vaker dan vroeger over hedendaagse geschiedenis. Ook richt de aandacht zich meer dan voorheen op de beroepspraktijk van historici buiten de universiteit. Tegelijk is de werkwijze van historici door de komst van de computer en, daarna, het internet ingrijpend gewijzigd. Dit geldt niet alleen voor het eigenlijke onderzoek en het schrijven, maar ook voor het ordenen van het gevonden materiaal. Nadat studenten misschien wel een eeuw of langer vertrouwd werden gemaakt met systeemkaarten en kaartenbakken, volgde het grote niets. Natuurlijk kwam dat ook doordat docenten door de komst van de computer van hun vaste ankers waren geslagen. Hoewel sommigen overstapten op het een of andere databeheerprogramma, ontwikkelde zich geen nieuwe standaard om studenten bij te brengen. Net als veel docenten behielpen die zich daarom maar met hun tekstverwerker en de zoekfunctie en raakten het overzicht kwijt.

De bekende handleidingen voor historisch onderzoek boden allerminst soelaas. Het beroemde Zoeken en schrijven van P. de Buck, voor het eerst in 1982 verschenen, had eigenlijk lang voordat zo’n twintig jaar later de tiende en laatste druk verscheen de aansluiting bij de praktijk verloren. Het meest in het oog liep de instructie om boek- en tijdschrifttitels te onderstrepen – vroeger een signaal aan de zetter die van manu- en typoscripten drukwerk moest maken: dit a.u.b. cursief! Druk na druk hield De Buck aan dat gebruik vast, stoïcijns voorbijgaand aan het feit dat vanaf de late jaren tachtig steeds meer studenten op de computer overstapten en daardoor met een simpel opmaakcommando zelf konden cursiveren. In plaats van De Buck ontstonden wel allerlei lokale, vaak web based initiatieven, zoals de inmiddels door mij beheerde Utrechtse Onderzoekgids Geschiedenis (ong.wp.hum.uu.nl). Door de wetten van het internet zijn dit soort gidsen echter altijd beperkt. Bovendien blijken papieren handboeken minder uit de tijd dan vaak wordt gedacht. Zo loopt menig Utrechtse student met een print-out van de pdf-versie van de Onderzoekgids rond.

Kortom, redenen te over om de verschijning van een nieuwe handleiding, Geschiedenis schrijven! Wegwijzer voor historici, met gejuich te onthalen. Deze nieuwe gids is geschreven door een collectief van vier auteurs dat in 2013 aan de Vrije Universiteit werd gevormd. Naast Susan Legêne, VU-hoogleraar Politieke Geschiedenis en voorzitter van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap (KNHG), zijn dat Jeannette Kamp, Matthias van Rossum en Sebas Rümke (de initiatiefnemer); jongere auteurs die Legênes inhoudelijke expertise goed aanvullen. De vier auteurs plaatsen zich in een verantwoording nadrukkelijk in de traditie van De Buck. Daarbij lopen ze echter het gevaar hun eigen bijdrage te kort te doen.

De belangrijkste vernieuwing is dat toon en inhoud nauwer aansluiten bij de actuele praktijk van historisch onderzoek en bij het toegenomen zelfbewustzijn van de discipline dat binnen de opleidingen ook in hogere mate aan studenten wordt meegegeven. Waar De Buck soms wat streng overkomt, is Geschiedenis schrijven! over het algemeen prettig van toon en mede daardoor overtuigend. Er wordt vaak ingegaan op de achterliggende principes van methodes – het eerste hoofdstuk heeft al als ondertitel ‘het belang van een vraagstelling’ – in plaats dat er louter regels worden geformuleerd. Studenten worden op een plezierige manier bejegend; de gids is vooral een aanmoediging en steun in de rug en is redelijk terughoudend in het uitspreken van verboden of verkondigen van taboes. Net als in de beroemde Chicago Manual of Style gaat het meer over do’s dan don’ts. De auteurs lijken te begrijpen dat het effectiever is studenten te wijzen op bepaalde geaccepteerde conventies binnen de geschiedwetenschap dan ze steeds voor te houden wat verkeerd of verboden is.

De kern van de wegwijzer bestaat uit de eerste vier hoofdstukken, die de lezer goed doordacht langs alle stappen van historisch onderzoek leiden. Niet alles is natuurlijk even verrassend, maar enkele opvallende elementen duiden op het vele denkwerk dat in de wegwijzer is gaan zitten. Zo worden de lezers er bijvoorbeeld op gewezen dat het belangrijk is na te denken over de situering van het onderzoek in een historiografische discussie of in bredere wetenschappelijke debatten. Dit is precies een aspect dat in de Utrechtse bacheloropleiding Geschiedenis de laatste jaren meer nadruk heeft gekregen. Juist het expliciet bespreken en ter discussie stellen van kwesties als deze sluit goed aan op de professionalisering van het vak en de noodzaak tot voortdurende voeling met andere wetenschappen. Een aanwinst is ook de uitleg van leesstrategieën in de paragraaf over de ontwikkeling van een onderzoeksplan.

De hierboven besproken veranderingen van het vak vinden ten slotte nog hun vertaling in de twee laatste hoofdstukken, gewijd aan mondeling presenteren – inclusief feedback en debat – en beroepsperspectieven. De wegwijzer sluit met twee onmisbare bijlagen: ‘richtlijnen voor annotatie’, in de vertrouwde stijl van De Buck – maar zonder onderstrepingen –, en ‘andere annotatiestijlen’. Deze bijlagen zullen ongetwijfeld tot de meest geraadpleegde delen van het boek behoren – al hoop ik dat ook de pagina’s ervoor vaak gelezen en gebruikt zullen worden.

Het activerende in de titel Geschiedenis schrijven! past in een trend om jonge historici bewust te maken van de actieve rol die zijzelf bij de ‘constructie van het verleden’ (Chris Lorenz) spelen. In haar inleiding tot historisch onderzoek, Geschiedenis is een werkwoord, trekt de Leuvense historica Violet Soen dit idee op een hoger plan. Soen, een kenner van religie en politiek in de Spaans-Habsburgse wereld in de zestiende en zeventiende eeuw, presenteert een uitermate interessante verkenning van de historische professie. Dit is een boek met veel aandacht voor theorie en terminologie, maar dan in de jas van een toegankelijk en bruikbaar handboek gestoken. Dit is een goed, modern alternatief voor het door mij vele jaren gebruikte The Pursuit of History van John Tosh (eerste druk 1984).

Soen heeft veel moeite gedaan om het studentenleespubliek te ‘bespelen’. Zo sluit ze elk hoofdstuk af met voorstellen tot verder lezen of verder speuren op internet. Ook zijn er didactisch aardige ‘test jezelf’-vragen – sommige ervan zouden zonder meer in seminars gebruikt kunnen worden. Het belangrijkste is echter dat het gehele boek uit de beantwoording van drie schijnbaar simpele vragen bestaat: wat doen historici eigenlijk, hoe doen ze dat en waarom?

Soen heeft de gehele compositie van haar boek door die trits laten bepalen. Zo zijn de tien helder betogende hoofdstukken ondergebracht in drie hogelijk coherente afdelingen: Praktijk (wat?), Methode (hoe?) en Discipline (waarom?). Natuurlijk doet ze daarmee concessies aan de inhoud, maar dat lost ze op door het boek met twee aanhangsels te verrijken: een korte mediageschiedenis en een beknopt overzicht van de West-Europese geschiedschrijving. Dit is een handige zet die het haar mogelijk maakte deze verplichte informatie te presenteren zonder de lezer af te leiden van de strakke lijn van het boek.

Zonder meer valt op dat Soen zich steeds bewust blijft van de missie om haar lezers – toch vooral studenten, maar ook senior-historici kunnen er van profiteren – aan het denken te zetten over de praktijk van historisch onderzoek en de achterliggende tradities en principes. De conclusie is dan ook dat de professie er ineens twee heel waardevolle, elkaar aanvullende gidsen bij heeft gekregen: een praktische wegwijzer in onderzoeksland én een inleiding die studenten kan enthousiasmeren voor historisch onderzoek en voor kritische reflectie op wat historici nu eigenlijk in het academisch bedrijf en de samenleving doen. De enige wens is dat beide boeken snel ook in het Engels zullen verschijnen, opdat ze ook in de welig tierende Engelstalige cursussen kunnen worden ingezet. De concurrentie met de Britse en Amerikaanse equivalenten kunnen ze moeiteloos doorstaan.