In dit boek staat de bron centraal – zoals in het leven van de adellijke vrouwen het vriendenboekje een centrale plaats innam. De auteur bespreekt het onderzochte corpus in de context van het netwerk van familie en vrienden van deze vrouwen. Om deze netwerkwerken te reconstrueren, heeft zij minutieus bronnenonderzoek gedaan. Bij de beschrijving daarvan heeft zij zich laten leiden door de studie van Luuc Kooijmans over vriendschap in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Daarnaast heeft zij een uitvoerige analyse gemaakt van de verzen en tekeningen in de vriendenboekjes. Die analyse maakt duidelijk dat de bijdragen vaak teruggaan op bekende emblemen of heraldische voorstellingen, maar laat tevens zien dat individuele inscribenten – om met de woorden van de auteur te spreken – die voorbeelden naar hun hand zetten. Die onderstrepen bijvoorbeeld hun stand door middel van een hiërarchische ordening van de bijdragen of door het gebruik van heraldiek, of geven blijk van hun culturele bagage door literaire thema’s te kiezen. Tezamen geven deze twee analyses inzicht in de leefwereld van adellijke families uit de provincies Gelderland, Overijsel en, in mindere mate, Friesland. Aldus draagt deze studie bij aan kennis over het functioneren van elites in de Republiek, en biedt ze een noodzakelijke correctie op het beeld van de Republiek als een hoofdzakelijk stedelijke, burgerlijke samenleving.

De albumhoudsters komen vooral tot leven in het tweede deel van de studie, waarin Reinders de levens van Rutghera van Eck en haar nichtje Catharine van Eck gedetailleerd weergeeft. Daarbij stelt ze veronderstellingen over vrouwen uit de vroegmoderne periode impliciet ter discussie. Zo blijken deze twee vrouwen politieke allianties boven religie te hebben gesteld, zoals dat in hun milieu betaamde. Tegelijkertijd verbonden zij zich echter met de reformatorische stroming. Dit komt vooral naar voren in het album van Catharine, die haar jeugd doorbracht in het gereformeerde stift Ter Hunnepe. Haar medebewoonsters vulden de pagina’s van haar bescheiden album, en verwezen en passant naar de specifieke waarden van deze instelling. Daarnaast maakt het album duidelijk dat de cohesie binnen de familie Van Eck minder hecht was dan je zou verwachten. Over Rutghera’s huwelijk met een Engelse officier was de familie niet te spreken. Om die reden was ook haar tweede echtgenoot een Engelsman uit de lage adel. Zo leidt Reinders’ nauwgezette reconstructie van de levens van deze twee vrouwen tot enkele kritische kanttekeningen bij de historiografie.

Een enkel punt van kritiek is op zijn plaats, zoals op Reinders’ keuze om Kooijmans concept van vriendschap over te nemen. In deze context is Natalie Zemon Davis’ studie naar netwerken in zestiende-eeuws Frankrijk relevanter: behalve op de noodzaak tot netwerken gaat Zemon Davis ook in op culturele verschillen tussen verschillende netwerken. Uit haar studie blijkt dat urbane elites onder invloed van de Renaissance een eigen cultuur ontwikkelen, ook om zich te onderscheiden van de adel.

Een tweede punt van kritiek betreft Reinders’ terminologie voor familieverbanden. Zij onderscheidt horizontale en verticale verbanden. Tot het eerste type rekent ze familie en vrienden van de familie en tot het tweede ouders en grootouders. De hiërarchische verhoudingen in het verticale verband duidt ze aan met de term patrilineair. Door deze neutrale termen te gebruiken omzeilt ze echter vragen betreffende het patriarchale gezag. Tot slot wordt de specifieke levensfase van de albumhoudsters te weinig uitgewerkt. Alle vrouwen begonnen als jongvolwassene aan het houden van een album, en de meesten stopten ermee aan de vooravond van hun huwelijk. Uit de studie blijkt dat het album werd gebruikt om een netwerk op te bouwen. Dit verklaart het geringe aantal bijdragen van ouders – waarover de auteur haar verbazing uit spreekt. Dit biedt tevens een verklaring voor de vrijpostigheid van sommige mannelijke inscribenten – die niet aarzelen om bijdragen van andere jongelui van commentaar te voorzien.

‘Deze adellijke vrouwenalba vertellen een ander verhaal dan mannenalba,’ stelt Reinders in haar inleiding. Genderspecifieke aspecten wijst zij aan op basis van vergelijking van het corpus met het genre van het album amicorum in het algemeen. Verschillen komen duidelijk naar voren in de keuze van inscribenten – jonge vrouwen nodigden vooral mensen uit hun directe omgeving uit om in hun album te schrijven terwijl jongemannen graag beroemde geleerden benaderen voor een tekst. Meer verschillen blijken uit de bijdragen, zoals het gegeven dat jonge mannen zich in hun bijdragen aan de alba meer profileerden dan jonge vrouwen. Zo schrijft een jongeman zijn vers in het Italiaans – vergetend dat de albumhoudster in kwestie deze taal niet machtig was. Verschillen tussen de seksen blijken nog het minst uit de inhoud van de bijdragen. Dat bevreemdt: wellicht had een systematische vergelijking van het onderzochte corpus met albums van adellijke jonge mannen op basis van een poststructuralistische analyse meer resultaat kunnen opleveren. Dan zou, bijvoorbeeld, het thema van de mug en de kaars het inzicht in gender hebben kunnen verdiepen. Dit thema kwam in vele albums voor. Doorgaans volgden de inscribenten een voorbeeld uit een embleemboek. Uit de literatuur zijn twee variaties op het thema bekend: het ene legt in navolging van Petrarca de nadruk op de aantrekkingskracht van de vlam, en het andere benadrukt de zelfdestructie van de mug, naar voorbeeld van Erasmus. Dat mannelijke inscribenten dit thema kozen, is niet zo vreemd. De specifieke toepassing ervan behoeft echter meer aandacht, omdat de inscribent met dit beeld de eigenaresse op een lijn stelt met de kaars. Maar welk aspect wordt benadrukt: de aantrekkingskracht van de vrouw of het gevaar dat zij vertegenwoordigt? In dit verband valt op dat slechts één inscribent in plaats van de schoonheid de deugd van de jonge albumhoudster roemt. De overige jongelui kiezen voor een petrarkisme – een opmerkelijk onderzoeksresultaat dat allerlei vragen oproept. Hielden jongemannen dan geen rekening met de goede naam van de eigenaresse? En zegt een gebrek aan inlevingsvermogen iets over de verhouding tussen de seksen? Op dergelijke vragen gaat de auteur helaas niet in. In plaats daarvan lezen we over de populariteit van Petrarca in adellijke kringen in de Oostelijke Provinciën, decennia voordat zijn werk in de mode raakte bij de stedelijke elites van Holland.

Al met al biedt deze studie prachtige inkijkjes in het leven van de Noord-Nederlandse adel gedurende de eerste decennia van de Republiek. Historici, kunsthistorici en letterkundigen kunnen hun voordeel doen met de schat aan informatie over adellijke families en hun culturele belangstelling. Dat deze dissertatie bovendien goed geschreven en fraai geïllustreerd is, maakt het lezen ervan tot een waar genoegen.