‘De meeste volwassenen dragen een misvatting, als kind opgedaan, ongewijzigd bij zich, soms bewust, meestal onbewust en dan des te gevaarlijker. Latere correctie door kritische bezinning is slechts weinigen beschoren.’ Deze woorden schreef Godfried Bomans (onder het pseudoniem Parlevink) in de Volkskrant van 29 november 1956. Aanleiding vormde het verhaal ‘Van een Jodenjongetje’ dat was opgenomen in het Nederlands Taalboek voor de R.K. lagere school. Het verhaal diende als brontekst voor een les in tekstverklaring. De gehele tekst omvatte nauwelijks driehonderd woorden, maar leidde destijds tot veel ophef. Het hervormde weekblad In de Waagschaal noemde de ‘bijgelovige dwaasheden’ in het verhaal ‘typerend […] voor de Roomse mentaliteit’. Henk Gortzak, cpn-raadslid in de Amsterdamse gemeenteraad, sprak over ‘smerige anti-semietische voorlichting [die] in de hoofdjes van 10-jarige kinderen [werd] gepompt’. Vervolgens werd de kwestie opgepikt door de landelijke pers – De Waarheid, Het Vrije Volk en het Nieuw Israelietisch Weekblad – waarbij ook de Volkskrant, hoewel rooms-katholiek, het verhaaltje als ‘dwaas en onverantwoord’ betitelde. Uiteindelijk werd de kwestie zelfs in de Kamer besproken. Het boekje beleefde in 1956 nog zijn vierendertigste druk, maar werd vervolgens eind december van dat jaar door uitgever Malmberg uit de handel genomen.

Het hele verhaaltje draait om een joods jongetje dat een katholieke kerk binnenloopt en daar eet van overgebleven hostiekruimels. Thuis vertelt hij dit aan zijn vader, een glasblazer, die zo kwaad wordt dat hij zijn zoon in de oven gooit. Moeder, die van het hele voorval niets heeft meegekregen, gaat op zoek naar haar zoon en vindt hem ongedeerd in de oven. De Heilige Maria had de kleine beschermd. Vader wordt vervolgens ter dood veroordeeld, terwijl moeder en kind zich bekeren tot het katholicisme. Eind goed, al goed.

De kwestie rond dit antisemitische verhaal keert terug in Ewoud Sanders boek Levi’s eerste kerstfeest. Jeugdverhalen over jodenbekering, 1792-2015, de handelseditie van zijn proefschrift dat hij in 2017 in Nijmegen verdedigde. Sanders is taalhistoricus en bekend van zijn werk voor NRC Handelsblad, waarvoor hij de rubriek ‘Woordhoek’ verzorgt en het Stijlboek heeft geschreven. Voor zijn promotieonderzoek onderzocht Sanders tachtig Nederlandse jeugdverhalen over jodenbekering – dertien uit rooms-katholieke en zevenenzestig uit protestantse hoek – en keek hij naar terugkerende thema’s, auteurs en receptie.

Levi’s eerste kerstfeest is opgebouwd uit drie delen. Het eerste deel omvat de historische context en analyse, deel twee samenvattingen van de verschillende protestantse en rooms-katholieke jeugdverhalen, en deel drie biedt overzichten van de doelgroepen, specifieke uitdrukkingen, uitgevers, vertalers en illustratoren. Eigenlijk is alleen het eerste deel goed te lezen. Niemand gaat immers voor zijn of haar plezier de samenvattingen van jeugdverhalen doorploeteren en dat geldt ook voor de genoemde overzichten en grafieken. Daarmee kun je dit omvangrijke werk van vijfhonderd pagina’s in feite terugbrengen tot de honderddertig pagina’s van deel een. Voor een proefschrift zijn delen twee en drie natuurlijk noodzakelijk, maar voor een handelseditie zijn die overbodig. Daarbij ontbreekt eigenlijk de bredere, maatschappelijke context; die komt alleen aan bod in het voorbeeld van Bomans. Waarom niet een daadwerkelijke handelseditie geschreven, gericht op een breder publiek, in een duidelijke historische context gevat?

In 1792 verscheen het eerste jeugdboek over jodenbekering in Nederland – Jezus liefde betoond aan drie Joodsche kinderen – en in 1797 werd het eerste zendingsgenootschap in Nederland opgericht. Opmerkelijk is dat er zich onder deze ‘proselietenmakers’ veel bekeerde joden bevonden, mensen die nauw verbonden waren met het Reveil, de protestantse opwekkingsbeweging. Isaäc da Costa, Abraham Capadose en Carl F. Schwartz golden als de voornaamste voormannen van die beweging. Dat een dergelijke bekeringsijver onder de joden in Nederland niet altijd werd gewaardeerd, moge blijken uit de moordaanslag die in 1850 op Schwartz plaatsvond. Hij overleefde die, maar noteerde enkele jaren later over de reacties uit joodse kringen op de zendelingen: ‘Men vloekt, men scheldt, men slaat, werpt steenen, trachten in de grachten te dringen hen zowel die Christus willen belijden, als hen die Hem willen verkondigen.’

Bekeringsblaadjes werden ongevraagd in joodse brievenbussen achtergelaten, het Nieuwe Testament werd in grote aantallen verspreid en bijeenkomsten werden georganiseerd waar joden konden kennismaken met het ‘ware geloof’. De meeste toehoorders verschenen overigens niet uitsluitend om over de Heere Jezus te horen. ‘Als we geen broodjes gaven, zouden we lang zooveel menschen niet krijgen,’ aldus een voorganger in 1901. De jodenzending werd door de zendelingen als strijd opgevat; een strijd die ook ten tijde van de Tweede Wereldoorlog door het gereformeerde zendingswerk werd voortgezet. Het hervormde zendingswerk staakte haar strijd in de oorlog wel. (Over het rooms-katholieke zendingswerk in deze periode wordt in Levi’s eerste kerstfeest vreemd genoeg niets vermeld.) Zo werd in 1940 De Messiasbode (een maandblad uit gereformeerde hoek) naar 30.000 ‘joodse adressen’ gestuurd. Het evangelie van Mattheus belandde in 1942 op 1.500 joodse deurmatten en op 6.000 ‘joodse adressen’ werd dat jaar een brief bezorgd waarmee men gratis het Nieuwe Testament kon ontvangen. ‘De grote nood der Joden [bood] groote kansen,’ klonk het bijna cynisch. In een zendelingenrapport uit 1946 staat vermeld: ‘Wij waren heel dankbaar dat vóór de wegvoering van vele Joden deze kostelijke lectuur hun kon worden gezonden.’

Harde cijfers over het resultaat van al die bekeringsijver zijn niet beschikbaar. ‘Wij zaaien, de oogst is des Heeren,’ zo klonk de bekende dooddoener. Daarbij kan bekering natuurlijk ook een consequentie zijn geweest van de voortgaande assimilatie onder joden, zeker vanaf het einde van de negentiende eeuw, of als poging om in de oorlogsperiode aan nazi-vervolging te ontkomen, maar ook deze context ontbreekt in Levi’s eerste kerstfeest.

Uit de analyse van de protestantse jeugdverhalen keren een aantal aspecten steeds weer terug. Zo richtten deze zich vooral op joodse meisjes die, anders dan joodse jongens, nauwelijks godsdienstonderwijs ontvingen en daarom dus waarschijnlijk makkelijker te overtuigen waren. De kennismaking met het christendom verliep veelal via bijbelstudie, waarbij Jesaja 53 (waarin de komst van Christus wordt verkondigd) vaak als uitgangspunt gold. In de verschillende jeugdverhalen worden de joodse kinderen die het christelijke licht hebben gezien veelal door hun eigen familie verstoten en mishandeld, waarna de hulp van christenen des te welkomer is. Ook de vele ‘zoekende’ en ‘dwalende’ ogen van de joodse kinderen keren regelmatig terug. Zij die vijandig staan tegenover het christendom hebben daarentegen vuurschietende ogen en spugen voortdurend.

De katholieke verhalen wijken in bepaalde aspecten af van de protestantse. Wonderen en engelachtige verschijningen spelen hier een grotere rol in evenals de doop. Verder is er meer aandacht voor aardse bezittingen en zwijgen de bekeerlingen veelal tegenover de familie, terwijl in protestantse kring de bekering juist in alle openheid wordt gedeeld.

Vanaf eind jaren vijftig stopt de uitgave van dergelijke bekeringsverhalen in Nederland grotendeels. Na 1959 verscheen er geen rooms-katholiek jeugdverhaal over jodenbekering meer en ook het aantal protestantse bekeringsverhalen is sinds die tijd drastisch teruggelopen. Sanders vermeldt één antisemitisch boek dat in gereformeerde kring nog steeds wordt verspreid: De zoektocht van Lea Rachel van M.H. Karels-Meeuse uit 1999. Ook in dit werk spuugt een joodse vader voortdurend op de grond wanneer hij over ‘vuile christenen’ spreekt en een joods jongetje – zwart haar en een gebogen neus – maakt het leven van zijn christelijke buren buitengewoon lastig. In het Reformatorisch Dagblad werd het boek positief ontvangen en staat het in de ‘Boekentoptien jeugdboeken’. Pas in 2017 besloot de uitgever het boek niet meer te herdrukken. ‘Latere correctie door kritische bezinning,’ aldus Bomans, ‘is slechts weinigen beschoren’ – mooi dat de huidige jeugd van dergelijke werkjes verstoken blijft.