Het Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag heeft de afgelopen jaren de recente geschiedschrijving van de Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marine aanzienlijke stappen vooruit geholpen. Aan elk van beide krijgsmachtdelen van Nederland zijn drie grote studies gewijd, gebaseerd op uitputtend bronnenonderzoek. De delen over de luchtmacht verschenen in 2013, ter gelegenheid van de viering van het eeuwfeest van de militaire luchtvaart in Nederland. Het eerste deel van de marine-trilogie rolde al in 2012 van de persen: Dick Schoonoords studie Pugno pro Patria. De Koninklijke Marine tijdens de Koude Oorlog. In 2016 promoveerde NIMH-medewerker Anselm van der Peet op Out-of-Area. De Koninklijke Marine en multinationale vlootoperaties 1945-2001. De onderhavige studie van Egmond van Rijn (1946-2016) was het jaar voordien verschenen. Voor deze studies over de marine leverde de Commissie voor Zeegeschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen, waarmee NIMH nauw samenwerkte, belangrijke steun.

Net als Schoonoord was Van Rijn officier bij de Koninklijke Marine. Hij bereikte de rang van viceadmiraal. Beiden omarmden het historisch metier later in hun carrière. Van Rijn schrijft dus over de omgeving waar hij zelf lange tijd deel van uitmaakte. Dit is een kracht en een zwakte, zoals hij zelf in zijn Woord Vooraf constateert. De auteur kende zijn onderzoeksobject tot in de haarvaten, was persoonlijk bekend met veel van de officieren en onderofficieren die in zijn studie figureren, en kon zo informatie geven die voor een buitenstaander moeilijker te achterhalen is. Dit combineerde hij met grondig en uitputtend archief- en literatuuronderzoek, waarin de dossiers van het ministerie van Defensie en het krijgsmachtdeel zelf leidend waren. Dit maakt de studie nadrukkelijk op de eigen organisatie gericht, waardoor vragen of inzichten van buiten, die wellicht tot afwijkende of controversiële conclusies kunnen leiden, in het boek minder in beeld komen.

De grootste kracht van Van Rijns studie zit in zijn grote kennis van het centrale thema: de mens binnen de Koninklijke Marine. In een krijgsmachtdeel dat gericht is op techniek, in het bijzonder die van navigeren en van het schip als wapensysteem, komt ‘de mens’ er wel eens bekaaid af. Dit beeld corrigeert Van Rijn voortreffelijk. Chronologisch behandelt hij het personeelsbeleid, de kwaliteit en kwantiteit van het personeel, en kwesties als moreel, training en maatschappelijke invloeden op regelgeving betreffende personeel. Hij schat dat ongeveer 250.000 Nederlanders in de zes decennia na de Tweede Wereldoorlog voor kortere of langere tijd bij de marine hebben gediend, een werkomgeving die voortdurend aan verandering onderhevig was door zowel technologische ontwikkelingen als veranderingen in dreigingspercepties. Cesuren in het boek zijn opgehangen aan grote politiek-militaire gebeurtenissen, zoals het einde van de koloniale periode in Indonesië, de Koude Oorlog, de Nieuw-Guinea crisis (1962, toen oorlog met Indonesië dreigde), de détente (1973) en het einde van de Koude Oorlog. Binnen deze structuur bespreekt Van Rijn politiek-maatschappelijke en technologische veranderingen en gaat hij dieper in op opleiding, werving, moreel, informatievoorziening, juridische kaders van personeelsbeleid, belangenbehartiging en het leven aan boord.

De opbouw van het boek maakt duidelijk in welke periode welke kwesties vooral aandacht van de marineleiding vroegen. In de jaren van naoorlogse opbouw en de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog staat vooral de werving van personeel centraal. Gedurende de eerste jaren van de Koude Oorlog stond de marine onder de strakke leiding van H.C.W. Moorman (1899-1971), die als staatssecretaris van Marine een dominante rol speelde in de opbouw van een rol van de Koninklijke Marine binnen de NAVO, die veel omvangrijker uitpakte dan de NAVO aanvankelijk aan Nederland had toegedacht.

In het hoofdstuk over de periode van de Koude Oorlog trekt een aantal paragrafen speciale aandacht. Zo behandelt Van Rijn onder de noemer ‘etnische aspecten’ de komst van marinepersoneel van Indische (Molukse), Surinaamse en Antilliaanse afkomst. Helaas is de analyse kort (182-183) en blijven er na het lezen ervan nog veel vragen over. Dat is jammer, omdat over bijvoorbeeld de instroom van oud-KNIL militairen in de land- en luchtmacht wel studies bestaan. Op pp. 285-286 besteedt Van Rijn aandacht aan de zogenoemde marinevrouwen, die thuis wachten op de terugkeer van hun varende echtgenoot. Ten slotte komt in het hoofdstuk over de post-Koude Oorlog decennia de positie van vrouwen en homoseksuelen in marinedienst aan bod (410-416). Daarbij wordt het beleid van de marine duidelijk uiteen gezet, maar krijgen de dagelijkse cultuur van de organisatie en de weerbarstige praktijk minder aandacht. De betrokkenen zelf komen bovendien niet direct aan het woord. Wel geven deze paragrafen een goede inkijk in de kwaliteit van het proces van aanpassing van een militaire organisatie aan maatschappelijke veranderingen. Die aanpassing is des te meer van belang, omdat een belangrijke conclusie van Van Rijn is dat juist veranderende maatschappelijke inzichten op velerlei gebied, zoals gezag en gehoorzaamheid of de emancipatie van diverse groepen, uiteindelijk het leven aan boord van schepen op de meest ingrijpende wijze hebben veranderd. Noch veranderingen in politiek-militaire dreiging noch op technisch gebied hadden, volgens Van Rijn, zoveel impact als de cultureel-maatschappelijke trends (517).

Deze marine-trilogie, die tussen 2012 en 2016 verscheen, is zonder twijfel een belangrijke bijdrage aan de academische kennis over dit krijgsmachtdeel en daarmee ook over de defensieorganisatie in breder perspectief. Het onderzoek waarop ze is gebaseerd, is zeer gedegen. Dit geldt onverkort ook voor Van Rijns studie, maar het boek roept ook vragen op. De blik van binnenuit wordt niet aangevuld met kritische, problematiserende vraagstellingen die de marine-ontwikkelingen in een breder kader plaatsen. In die zin is de studie een uitstekend voorbeeld van een bedrijfsgeschiedenis, gericht – en dat is vrij zeldzaam – op opleiding, functioneren en moreel van het personeel. Juist deze benadering nodigt echter uit meer te reflecteren over de krijgsmacht, en de marine in het bijzonder, als spiegel van de samenleving die zij dient. Studies over culturen en deelculturen binnen de krijgsmacht, zoals van Amerikaanse onderzoekers als Charles Moskos en C.H. Builder, hadden aanzetten voor een scherpere analyse kunnen geven. Desalniettemin heeft Van Rijn een boek van formaat geschreven, dat van grote waarde is voor verdieping van ons inzicht in het functioneren van de Nederlandse Koninklijke Marine in het tijdperk na de Tweede Wereldoorlog.