De publicatie van De brandende kampongs van Generaal Spoor heeft in Nederland flinke deining veroorzaakt. Met dit proefschrift (oorspronkelijk geschreven aan de universiteit van Bern en voor handelspublicatie bewerkt aan het Nederlands Instituut voor Militaire Historie) heeft historicus Rémy Limpach nu al meer publieke en politieke invloed gehad dan de meeste historici in hun hele carrière hopen te bereiken. De landelijke pers berichtte over Limpachs conclusies, ministers zagen zich gedwongen erop te reageren, en uiteindelijk besloot de regering tot de financiering van grootschalig vervolgonderzoek.1

Die uitgebreide aandacht komt deels voort uit de keuze van een gevoelig onderwerp: het gebruik van ‘extreem geweld’ door Nederlandse militairen in de dekolonisatieoorlog in Indonesië (1945-1949). Maar die aandacht is ook te danken aan de combinatie van een grondige en zeer gewogen behandeling van het onderwerp met een uitgesproken kritische toon. Waar veel auteurs van omvangrijke empirische studies ertoe neigen door hun beschrijvende toon een kritisch oordeel te vermijden, gaat Limpach in deze vuistdikke pil harde conclusies niet uit de weg. Dat deze combinatie goed is geslaagd, blijkt wel uit het feit dat Limpachs bevindingen in de publieke debatten grotendeels geaccepteerd werden door uiteenlopende groepen, gaande van activisten voor Indonesische slachtoffers tot en met belangenvertegenwoordigers voor Indiëveteranen.

In De brandende kampongs stelt Limpach de vraag of en in welke mate Nederlandse militairen in Indonesië ‘massageweld’ of ‘extreem geweld’ gebruikten: praktijken als foltering, executie, brandstichting, of willekeurige massa-beschieting. Daarnaast stelt hij belangrijke vragen over motieven en oorzaken voor dit geweld, bestraffing, verhulling, mogelijke preventiepogingen, en verantwoordelijkheden.

Limpach komt tot de conclusie dat ‘Nederlandse militairen […] zich structureel schuldig [maakten] aan massageweld’ (738). Sommige eenheden, zoals de speciale troepen en veel inlichtingeneenheden, maakten zelfs systematisch – dat wil zeggen: als deel van hun strategie – gebruik van extreem geweld. Bovendien werd dit gebruik van extreem geweld van hogerhand toegestaan of zelfs aangemoedigd. Met deze conclusie weerlegt Limpach eenduidig het regeringsstandpunt zoals dat in de zogenaamde Excessennota van 1969 werd geformuleerd en tot op heden niet werd herzien: namelijk dat de krijgsmacht als geheel zich in Indonesië meestal correct had gedragen, met de mogelijke uitzondering van de speciale troepen en inlichtingendiensten.

De brandende kampongs is thematisch opgebouwd. Het boek opent met een inleidend hoofdstuk waarin het verloop van de oorlog wordt geschetst en de ‘spelers’ worden geïntroduceerd, gevolgd door een hoofdstuk over ‘de eerste golf van extreem geweld’ in 1945-1946. In hoofdstuk 4 worden zeven case studies van extreem geweld in detail uitgewerkt. In de volgende hoofdstukken wordt regelmatig terugverwezen naar deze gedetailleerde cases, maar vaak ook ad hoc gewerkt met nieuwe voorbeelden. In hoofdstuk 5 analyseert Limpach verschillende vormen van geweld: technisch geweld, plundering, brandstichting en vernieling in het kader van ‘zuiveringen’, geweld tegen gevangenen, en geweld tegen vrouwen en kinderen. In de hoofdstukken 6 tot en met 9 komen achtereenvolgens het officiële onderzoek naar en de bestraffing van extreem geweld, pogingen tot verhulling en controle van extreem geweld, maatregelen tot preventie van extreem geweld en de melding van en het verzet tegen extreem geweld aan de orde. In hoofdstuk 10 ten slotte worden de oorzaken van extreem geweld geanalyseerd, waarbij Limpach die oorzaken vooral zoekt in ‘geweldbevorderende factoren’ in de militaire en politieke structuur. Het boek sluit af met een slotbeschouwing waarin niet alleen de voorgaande hoofdstukken uitgebreid worden samengevat, maar ook wordt ingegaan op de verantwoordelijkheid van een aantal hoge militaire en civiele autoriteiten (zoals generaal Spoor, gouverneur-generaal Van Mook, procureur-generaal Felderhof en de regering in Den Haag).

Limpach beëindigt met dit boek een al bijna vijftig jaar lopende discussie over de vraag of ‘extreem geweld’ – ‘oorlogsmisdaden’, ‘excessen’ – door Nederlandse troepen in Indonesië incidenteel of juist structureel werd toegepast. De conclusie in De brandende kampongs, dat dit geweld structureel was, is eenduidig en gezien de overvloed aan empirische voorbeelden onvermijdbaar. Het is Limpachs verdienste dat hij deze conclusie ook in het maatschappelijke en politieke debat plaatst, veel nadrukkelijker dan eerdere historici, onder andere door het regeringsstandpunt in de Excessennota expliciet te verwerpen.

Tegelijkertijd blijft het boek deels gevangen in de kaders van dit langlopende ‘excessendebat’. Hoewel Limpach de begrippen ‘excessen’ en ‘oorlogsmisdaden’ als analytische categorieën verwerpt en liever spreekt over ‘massageweld’ of ‘extreem geweld’, zijn de vele voorbeelden die hij aandraagt grotendeels in lijn met het soort geweldsdaden waarover historici van Van Doorn en Hendrix (1970) tot en met Oostindie (2015) al langer schrijven. Het lijkt dan ook overdreven om te stellen: ‘Een van de grootste blinde vlekken van de wetenschap vormt tot op heden met name de polariserende en complexe kwestie van Nederlandse “oorlogsmisdaden”’ (20). Deels is Limpach hier afhankelijk van zijn bronnen: de Nederlandse archieven bevatten veel informatie over bepaalde soorten geweld, maar minder over andere vormen. Dit valt bijvoorbeeld op in de analyse van ‘technisch geweld’, zoals door tanks, artillerie, of de luchtmacht (389-419). Deze lezenswaardige passage, waarin Limpach een vorm van extreem geweld belicht die door eerdere historici daadwerkelijk is verwaarloosd, berust veel sterker op anekdotisch bewijs (uit onder andere egodocumenten) dan de analyses van andere vormen van geweld. Het is in dit opzicht jammer dat het boek zich vrijwel uitsluitend baseert op Nederlandse bronnen en literatuur (naast een handvol vertaalde Indonesische werken). Indonesische archieven en egodocumenten hadden bijvoorbeeld meer licht kunnen werpen op het genoemde technisch geweld. Ook had zulk bronnenmateriaal het beeld kunnen nuanceren dat de Indonesische historiografie over de oorlog zeer eenzijdig is (20).

Verder is De brandende kampongs dermate uitputtend in zijn discussies van de relevante literatuur dat het soms onduidelijk blijft hoe Limpach zichzelf positioneert in enkele deeldebatten. Een voorbeeld: in hoofdstuk 2 worden de Nederlandse militaire ‘spelers’ uitgebreid geïntroduceerd (63-119): het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), de Oorlogsvrijwilligers (OVW’ers) van de Koninklijke Landmacht (KL), de dienstplichtigen van de KL, et cetera. Voor elk van deze groepen geeft Limpach aan waarom zij mogelijk geneigd waren tot extreem geweld: leden van het KNIL vochten voor hun thuisland en waren daarom waarschijnlijk extra fanatiek; OVW’ers waren ideologisch gedreven en daarom wellicht extra enthousiast en dienstplichtigen waren onervaren en angstig, en daarom mogelijk trigger happy. Kortom, er zijn mogelijke verklaringen voor extreem geweld te vinden wat betreft alle spelers. Het blijft vanwege de uitgebreide omschrijvingen onduidelijk welke verklaringen Limpach overtuigender of zwaarwegender vindt. Op vergelijkbare wijze wordt in hoofdstuk 9 een waslijst aan oorzaken van extreem geweld gepresenteerd: eigenmachtig optreden van commandanten, falend personeelsbeleid, troepentekort, falende preventie, gebrek aan opleiding en discipline, dominantie van militaire over civiele autoriteiten et cetera. De lezer blijft met de vraag zitten welke factoren belangrijker waren dan andere. Hebben we te maken met een perfect storm waarin al deze elementen bij elkaar kwamen met een uitbarsting van geweld tot gevolg? Of zou elk van deze factoren op zichzelf al extreem geweld hebben veroorzaakt? Had bijvoorbeeld een betere opleiding andere ‘geweldbevorderende factoren’ kunnen opheffen, of was daar meer voor nodig geweest?

Met dit boek stelt Limpach, kortom, definitief en overtuigend vast dat Nederlandse troepen tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië structureel en op grote schaal extreem geweld hebben gepleegd, dat de Nederlandse hoge autoriteiten dit op zijn minst tolereerden en soms zelfs stimuleerden. Voor deze recensent was, naast de uiteenzetting over technisch geweld, vooral de gedetailleerde analyse van het militair juridisch apparaat een eye opener. Maar over de verschillende oorzaken van het geweld zal waarschijnlijk nog lang gediscussieerd worden. Ook valt er nog meer te zeggen over Indonesische perspectieven op deze oorlog. Hoe dan ook, De brandende kampongs zal nog lange tijd het belangrijkste naslagwerk wat betreft Nederlands oorlogsgeweld tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië blijven.

Bart Luttikhuis, Universiteit Leiden