In dit helder geschreven werk onderzoekt Eline Van Onacker (Universiteit Antwerpen) de economische en sociale geschiedenis van het laatmiddeleeuwse en vroegmoderne platteland van de Lage Landen. Ze doet dit aan de hand van een diepte-onderzoek naar de Kempen (tegenwoordig hoofdzakelijk gelegen in de provincie Antwerpen). Hoewel de regio in de onderzochte periode een groter gebied besloeg dan de hedendaagse Kempen beperkt ze zich tot de ‘Belgische Kempen’, een wat kunstmatige afbakening dus, die voornamelijk ingegeven is door de beschikbaarheid van bronnen. De auteur heeft een grote hoeveelheid documenten van vrijwillige rechtspraak, rekeningen, haardtellingen en ordonnanties doorgenomen ten einde de economische diversificatie in enkele dorpen te onderzoeken en de sociale stratificatie van de bevolking in kaart te brengen. Daar is ze wonderwel in geslaagd. Dit is een rijk gestoffeerd boek, dat aandacht besteedt aan de veelzijdige facetten van het dorpsleven: de armenzorg, politieke besluitvorming, kredietnetwerken, de relatie met de grootstad (in casu Antwerpen, metropool in wording), fiscaliteit enzovoort. Onderzoekers biedt dit boek een geweldige gelegenheid om hun eigen gegevens met die over de Brabantse dorpen te vergelijken. Onderzoek naar het platteland in de Lage Landen heeft zich overigens tot nog toe vaak beperkt tot specifieke regio’s in Holland, Vlaanderen of Gelre, maar nu is dus – eindelijk – een integrale studie naar het Brabantse plattelandsleven verschenen. Eerder had de Leuvense historicus Eduard Van Ermen al dergelijk onderzoek gepland (eigenaardig genoeg staan diens publicaties niet in de bibliografie van dit werk vermeld), maar nu is er dus een heel interessant naslagwerk beschikbaar dat vorsers nog lang zullen consulteren.

Doorgaans onderzoeken economische historici samenlevingen ‘in transitie’, dat wil zeggen de effecten en gevolgen van boerengemeenschappen die zich langzaamaan aanpasten aan kapitalistische tendensen. De Kempen bleven echter lang ‘stabiel’, zoals Van Onacker stelt. Eerder dan transformatie bestudeert zij dus hoe een samenleving door de eeuwen heen een gelijkaardige sociale structuur behield. In de Kempen veranderden de sociale en economische omstandigheden amper in de periode tussen 1300 en 1800. Er vond voornamelijk kleinschalige landbouw plaats, met schapenteelt, in kleinere dorpsgemeenschappen. Helaas liet het bronnenmateriaal niet toe ook de dynamiek binnen verschillende families te bestuderen. Het is immers mogelijk dat er sprake was van sociale mobiliteit en dat er in de loop van de eeuwen telkens andere families tot de elite behoorden. Toch is het opmerkelijk hoe stabiel de samenleving in dit gebied eeuwenlang bleef. Van Onacker wijt dit aan de specifieke machtsbalans in deze dorpen: de elite bestond uit een grote groep rijke boeren, die relatief onafhankelijk hun gemeenschap konden besturen – van vorstelijke of adellijke inmenging was nauwelijks sprake. Bovendien bestond er een relatief geringe economische ongelijkheid. De auteur betoogt dat het gebrek aan grote welvaartsverschillen in deze regio de politieke en sociale stabiliteit ervan in de hand heeft gewerkt.

Het is aan andere historici om te beoordelen of de economische analyse van dit boek hout snijdt – ondergetekende is vooral gespecialiseerd in de politieke geschiedenis – maar de argumenten van de auteur overtuigen. Bovendien kwam dit boek in een hecht teamverband tot stand. De promotor van dit onderzoek, Tim Soens, staat garant voor de kwaliteit ervan, en er verschijnt binnenkort een tweede proefschrift (van Maïka De Keyzer) dat als deel van een tweeluik de stellingen van dit boek zal onderbouwen. Wat de politieke geschiedenis betreft, is het opvallend dat deze regio ook gespaard bleef van grote conflicten. Terwijl in naburige gebieden grootschalige opstanden plaatsvonden (zoals de veertiende-eeuwse Kustopstand in Vlaanderen, of de zestiende-eeuwse Boerenopstand in de naburige Duitstalige regio’s), bleef het in de Kempen rustig. Toegegeven, de verschillen in welvaart waren in de Kempen niet zo groot, terwijl in Vlaanderen en in het Roomse Rijk herenboeren en de adel te duchten tegenspelers waren voor behoeftige boeren en rurale have-nots. Een vergelijkend hoofdstuk tussen de conflicten in deze verschillende regio’s zou de Kempen beter in perspectief geplaatst hebben, maar dat is misschien een idee voor een aparte bijdrage. De vraag blijft echter of de ‘modale dorpeling’ wel degelijk toegang had tot het bestuur, zoals Van Onacker betoogt. Misschien ontbrak het deze dorpeling veeleer aan middelen, een georganiseerde vorm van samenwerking of sociale netwerken over de dorpsgrenzen heen om verzet te voeren, want Van Onackers argumenten dat zij aan het besluitvormingsproces konden deelnemen, overtuigen niet. De auteur concludeert dat onder meer de studie van ordonnanties aantoont dat een groot aantal beslissingen genomen werd door de dorpsgemeenschap als geheel, omdat die ordonnanties beweren in het algemeen belang van elke inwoner tot stand te zijn gekomen. Daarbij gaat ze voorbij aan het gegeven dat een dergelijke bewering slechts uiting is van een algemeen verspreide ideologie die standaard werd gebruikt in zowat elke wettekst uit die tijd met de bedoeling om de legitimiteit ervan af te dwingen, en dus minder een reële participatie van de betrokkenen verraadt. De vaststelling dat zo’n 30 procent van de bevolking een bestuursfunctie uitoefende, een argument om aan te tonen dat de politieke macht werd gedeeld, kan maskeren dat een aantal mensen de besluitvorming naar zich toe trok. Immers, ook in grote steden bekleedden velerlei personen een administratief mandaat, maar verzamelden belangrijke politieke figuren meer macht dan een dorpsnotabele in zijn gemeenschap. Dat Van Onacker niet tot op het bot kan onderzoeken wie concreet aan de macht deelnam, is echter geen tekortkoming van haar analyse, maar heeft met het gebrekkige bronnenmateriaal te maken. Tot slot: de auteur gebruikt veelvuldig de term ‘coqs de village’, een uit het Frans ontleende term om de dorpselite en het bijpassende ‘haantjesgedrag’ van bestuurders aan te duiden, om in het besluit vast te stellen dat de term minder toepasselijk is op de Kempen. Misschien was het beter geweest om in de inleiding van het werk te stellen dat die term niet geschikt is om de elite in de Kempen aan te duiden, en nadien zelf een eigen terminologie te gebruiken. Hoe dan ook, dit boek toont een solide onderbouwd onderzoek, dat nog lang debatten over sociale en economische veranderingen (of het gebrek eraan) zal voeden.