Aandacht! Aandacht! is een herwerkte, bondige versie van het proefschrift dat Evelien Jonckheere in 2014 verdedigde aan de Universiteit Gent. Kunsthistorica Jonckheere doet al enige tijd onderzoek naar de wereld van theaters, cafés-chantants en revues in België. Haar masterscriptie boorde het thema aan en in 2009 publiceerde ze op basis van dat eerste onderzoek een fraai geïllustreerd, vulgariserend werk over revues en variététheaters in België, hoewel grotendeels gericht op Vlaanderen en Brussel. Jonckheere heeft duidelijk belangstelling voor de low brow-spektakels en dat is een goede zaak, want de geschiedenis van die meer ‘populaire’ podium-gerelateerde vormen van entertainment is in België tot dusver sterk onderbelicht gebleven. In Aandacht! Aandacht! verbreedt de auteur evenwel het perspectief en legt ze drie onderscheiden genres naast elkaar. Deze genres voert ze in drie verschillende soorten gebouwen op, telkenmale in de specifieke context van provinciehoofdstad Gent: vooreerst de high brow-wereld van het Grand Théâtre en dan opnieuw het veld dat Jonckheere in eerdere publicaties al heeft aangesneden: het café-chantant en het variététheater, die dus naar de low brow overhellen. Periodegewijs concentreert ze zich op de laatste decennia van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw.

Jonckheere probeert op diverse manieren grip te krijgen op deze niet zelden volatiele wereld, waarbij de ervaringen op en voor het podium geen evidente vertaling hebben gekregen in het klassieke geschreven of gedrukte bronnenmateriaal. Uiteraard wordt dit laatste waar mogelijk wel ingezet, maar meermaals worden dan minder voor de hand liggende types gebruikt (annonces in kranten bijvoorbeeld en de diverse efemera, zoals uit de belangrijke Gentse collectie ‘vliegende blaadjes’). Verder legt Jonckheere een sterk accent op het gebruik van visueel materiaal. Zo worden de drie grote delen van het boek op originele wijze ingezet met het ontleden van schilderijen en vooral van grafisch werk van Jules De Bruycker. Gentenaar De Bruycker, bij uitstek een artistieke flâneur, was een scherpzinnig observator van zijn tijd en heeft nogal wat werk geproduceerd waarin theaters en spektakels een opmerkelijke plaats hebben gekregen (dat gebeurde overigens op een esthetisch zeer aantrekkelijke wijze: Bruyckers oeuvre verdient meer belangstelling dan het recentelijk heeft gekregen). De keuze van Jonckheere om net deze beelden te gebruiken, is hoegenaamd geen toeval. De Bruycker besteedde zijn aandacht immers minder aan wat er zo al op het podium gebeurde, maar meer aan het alledaagse in de theaterzaal zelf, precies waar Jonckheere naar op zoek was.

Jonkheere problematiseert de drie bestudeerde genres van theater en spektakel vanuit het spanningsveld ‘aandacht’ versus ‘verstrooiing’. Ze identificeert de verschillende accenten die dienaangaande werden gelegd in de drie types van spektakel en kijkt naar de verschuivingen die hieromtrent plaatsvonden, zowel binnen als tussen de genres. De auteur heeft zich daarbij in belangrijke mate laten inspireren door het werk van Jonathan Crary, die zelf refereert aan de oeuvres van Georg Simmel en Walter Benjamin, en hier en daar komt ook Foucault om de hoek kijken. De groei van een ‘disciplinerend aandachtsregime’ aan het einde van de negentiende eeuw – niet alleen in de wereld van theater en spektakel dus, maar in de samenleving breed genomen, zoals Jonkheere het in haar contextualisering uitgebreid aangeeft – komt daarbij te staan tegenover een moderniteit die toenemend door verstrooiing wordt gekenmerkt. Jonckheere kijkt daarbij evenwel niet naar een metropolis – Simmel had het snel groeiende Berlijn van de eeuwwisseling voor ogen, Benjamin het Parijs van de negentiende eeuw– maar naar een provinciestad.

De auteur schetst vooreerst een fascinerend beeld van de wijze waarop de aandachtspraktijken in het Gentse Grand Théâtre in de negentiende eeuw veranderden, in niet zo geringe mate door sturing door de theaterdirecties zelf. Van de interne reglementen tot de binnenarchitectuur van de zaal, van het aanpassen van de verlichting tot het leveren van toneelkijkers – een hele panoplie van herkenbare maatregelen en technieken moest ervoor zorgen dat de aandacht van een publiek van individuen strak op de bühne werd gericht en dat interacties binnen het publiek of tussen publiek en diezelfde bühne tot een absoluut minimum werden beperkt. Klaarblijkelijk had dit ook gevolgen voor de aantrekkelijkheid van het instituut: het failliet van het Grand Théâtre in 1898 – het opstapje waarmee de auteur haar betoog aanvat – werd door de uitbater verklaard door de voorkeur die het publiek was gaan geven aan andersoortige genres. In het café-concert heersten duidelijk andere regels. Het repertoire was veel diverser (met veel lichte muziek), de verhouding tussen het podium en een veel minder geïndividualiseerd publiek was van een geheel andere orde dan in het Grand Théâtre en dan kwam daar nog eens de sfeer van de guingette en de carnavaleske esthetiek bovenop. Ook de zaal was anders georganiseerd en de consumptie – vooral van drank – kreeg er eveneens een geheel andere plaats. Hier was nauwelijks nog sprake van een stil en geconcentreerd kijken; hier ging het om verstrooiing door een spektakel dat de toeschouwers eerder fysiek dan geestelijk moest aanspreken. Die verstrooiing werd overigens door meer dan één als problematisch bekeken, niet alleen omwille van de afkalvende populariteit van het high brow theater, maar ook omdat het meer algemeen werd gezien als een symptoom van de pathologieën van de moderne stad.

Met haar onderzoek naar het variététheater snijdt de auteur een mengvorm aan, die in Gent vooral binnen de muren van de nouveau cirque vorm kreeg. Hier was het spektakel aan een duidelijker stramien onderworpen. Zo werden er bijvoorbeeld toneelkijkers gebruikt, zoals in het Grand Théâtre, maar stond de organisatie van de zaal en de interactie met het publiek weer iets dichter bij het café-concert. Een ambivalent format dus, met een ambivalent publiek. Het is trouwens opmerkelijk hoe handig die variététheaters commercieel werden uitgebaat in dit fin-de-siècle.

Hoewel door de herwerking van het proefschrift het betoog al eens wat bochtig is geworden en er hier en daar in de Franse citaten foute transcripties zijn blijven staan, is Jonckheere’s studie van deze Gentse theaters en spektakels verfrissend en mag die een stimulans zijn om deze te weinig gekende wereld ook voor andere steden nader in kaart te brengen en op theoretisch onderbouwde manier te problematiseren. Het is jammer dat de uitgever niet wat meer aandacht heeft besteed aan het goed presenteren van het rijke beeldmateriaal dat Jonckheere doorheen haar onderzoek heeft opgedoken: voor de auteur vormen die tijdsdocumenten – die vaak ook tekst bevatten – immers niet zomaar wat leuk ogende illustraties, maar zijn ze een volwaardig onderdeel van het betoog. Niet zelden evenwel zijn de afbeeldingen zó klein afgedrukt dat ze hun rol niet echt kunnen vervullen. Voor een boek als dit was een kleine financiële investering in grotere illustraties de moeite waard geweest.