Met de bundel ‘Een man van zeldzame talenten.’ Lambert Th. Van Kleef 1846-1928. Chirurg en pionier op de grens van de oude en nieuwe geneeskunde willen de auteurs Lambert van Kleef uit ‘de mist der geschiedenis’ naar voren halen. Deze medicus genoot in zijn tijd ‘internationale bekendheid’ en had ‘grote verdiensten’ verricht voor de gezondheidszorg in Maastricht. Als chirurg had hij ‘een glansrijke carrière’ gemaakt op het gebied van maagoperaties (XI, XVII). Het boek is niet bedoeld als ‘definitieve’ biografie, maar wil daartoe een aanzet zijn. Aan de hand van een levensverhaal van Van Kleef laten de zes auteurs diverse aspecten van de medische zorg in Maastricht aan het einde van de negentiende eeuw zien.

De eerste twee hoofdstukken hebben een sterk biografische inslag. Daarna volgen hoofdstukken over maagoperaties, epidemiologie, ziekenhuisarchitectuur, röntgenologie en fotografie; hoofdstukken waarin Van Kleef niet meer dan als kapstok dient om over deze onderwerpen uit te wijden. De auteurs zijn zich bewust van de haast onvermijdelijke gevolgen die eigen zijn aan het genre van een bundel: de lezer moet diverse herhalingen voor lief nemen. Dit neemt niet weg dat dit boek overwegend prettig leesbaar is en nieuwe informatie bevat over de medische geschiedenis in Maastricht, waarbij de auteurs de ontwikkelingen vaak in een breder perspectief weten te plaatsen. Ook voor niet-Maastrichtenaren bevat de bundel dan ook interessante artikelen.

Van Kleef groeide op in een rooms-katholiek middenstandsgezin te Den Haag. Op twintigjarige leeftijd rondde hij zijn opleiding aan de Rijks Kweekschool voor Militaire Geneeskundigen te Utrecht af. Dankzij het daaraan verbonden militaire hospitaal stond het praktisch klinisch onderwijs daar – niet in het Latijn – als goed bekend. Van Kleef trad als officier van gezondheid in het Nederlandse leger en schoot als vrijwilliger Franse krijgsgevangenen te hulp tijdens de Frans-Duitse oorlog. Na het behalen van het burgerlijk artsexamen in 1874 nam hij ontslag uit het leger en vestigde hij zich als huisarts in Venlo. In 1880 promoveerde hij aan de universiteit te Heidelberg en een jaar later werd hij tot geneesheer-chirurg aan het Maastrichtse ziekenhuis Calvariënberg benoemd. Dit ‘gesticht’ viel onder het machtige Burgerlijk Armbestuur, terwijl de verpleging in handen lag van de Liefdezusters van de Heilige Carolus Borromeus.

De verschillende auteurs presenteren Van Kleef als een ‘geneeskundig pionier in Maastricht’ (21). Als chirurg slaagde Van Kleef erin diverse vernieuwingen in de gezondheidszorg door te zetten, waarbij hij weerstand niet uit de weg ging. Maar zijn intellectuele bagage was niet ‘nieuw’. De auteurs gaan er helaas aan voorbij dat Van Kleef zich in Utrecht had kunnen laven aan de idealen van de zogenaamde ‘generatie van veertig’, een hervormingsgezinde generatie wetenschappers die, bevangen door vooruitgangsgeloof, zowel een natuurwetenschappelijke wending in de geneeskunde als een grote sociale betrokkenheid van medici op het terrein van de maatschappelijke gezondheidstoestand bepleitte. Ongetwijfeld werd Van Kleef door deze idealen bezield. Hij streefde naar een nieuw, medisch goed geoutilleerd ziekenhuis, naar meer aandacht voor de ‘volksgezondheid’ en hield zich steeds op de hoogte van de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen, zoals de antisepsis, de asepsis, de narcose en de röntgenologie; of hij nog vasthield aan de praktijk van aderlaten is vooralsnog niets bekend. Het is dan ook de vraag of de ondertitel van deze bundel ‘op de grens van de oude en nieuwe geneeskunde’ juist is, want de hoogdagen van Van Kleef betreffen de periode na 1880, dus veertig jaar later. Hoe dit ook zij, Van Kleef slaagde erin om met de nodige wilskracht én trammelant bij het Burgerlijk Armbestuur gedaan te krijgen dat Maastricht in 1881 een ‘modern’ ziekenhuis kreeg: het derde ziekenhuis Calvariënberg, naar het ontwerp van Jules Bilmeyer en Jozef van Riel uit Antwerpen. Volgens Swinkels ging het om het eerste paviljoenziekenhuis in Nederland (139), maar dat strookt niet met het gegeven dat het Maastrichtse ziekenhuis, net als het in 1872 geopende Algemeen Ziekenhuis in Utrecht, een ‘gewijzigd paviljoenstelsel’ kende, dat wil zeggen een mengvorm van paviljoen- en corridorsysteem: de paviljoens waren met gangen aan elkaar verbonden en konden bij eventueel besmettingsgevaar gemakkelijk worden afgesloten.

Van Kleef had niet alleen met het Burgerlijk Armbestuur te maken, maar ook met de Liefdezusters, die formeel buiten zijn directe gezag vielen en niet aan hem, maar aan de Eerwaarde Moeder Overste gehoorzaamheid verschuldigd waren. Toen Van Kleef in 1881 begon, waren er geen geschoolde zusters te vinden. De zusters waren bovendien uiterst snel in hun zedelijk gevoel aangetast. Van Kleef constateerde dat ze bij een tangverlossing in paniek raakten; er volgde dan een sauve qui peut, een ‘wilde vlucht’ (238). Niettemin kreeg hij het voor elkaar dat de Liefdezusters rond de eeuwwisseling een opleiding ziekenverpleging gingen volgen; daarmee liep Maastricht niet bepaald voorop.

Als chirurg verwierf Van Kleef nationale en internationale faam. Hij stond wijd en zijd bekend om zijn, overigens niet altijd succesvolle, buik- en maagoperaties en publiceerde daar vaak over. Meerdere malen werd hij genoemd als hoogleraarskandidaat. Van Kleef gaf er echter de voorkeur aan in Maastricht te blijven. Hier had hij vermoedelijk relatief veel (financiële?) armslag. Zo werd in Maastricht in 1896 de eerste medische röntgenfoto gemaakt. Er bestaat zelfs een interessante collectie medische röntgenfoto’s, die volgens Evers een betere conservering waard is: ze bevindt zich inmiddels al acht jaar in het depot van een verhuisbedrijf in Maastricht. De auteurs van dit overigens prachtig geïllustreerde boek bepleiten terecht dat meer archiefonderzoek naar de rol van Van Kleef in en rond Calvariënberg moet worden gedaan om dichter bij de dagelijkse praktijk van dit ziekenhuis te komen. Maar dan graag wel een studie met wat meer historische distantie. De mogelijkheden zijn er: er ligt nog een berg aan archieven te wachten.