Kring 71. De NSB in het Westland handelt over de opkomst, de organisatie en het functioneren van de lokale partijafdeling kort voor en tijdens de Bezetting. Centraal in dit boek staan een schets van een profiel van de NSB’er en een overzicht van de beweegredenen voor het partijlidmaatschap. Hiervoor zijn ‘bijna tweehonderd’ persoonsdossiers van de naoorlogse bijzondere rechtspleging geraadpleegd. Met deze in eigen beheer uitgegeven studie beoogt Philip van den Berg de stedelijke bias van bestaande NSB-studies te corrigeren. De dossiers heeft hij gebruikt om al tellend en classificerend de leden naar onder meer leeftijd, beroep en kerkelijke achtergrond te profileren. Dit is een waardevolle aanpak, maar het is jammer dat de mogelijkheden die een lokale studie biedt – het verrichten van onderzoek op microscopisch niveau – zich niet ook heeft vertaald in onderzoek naar aspecten als de partijsociabiliteit, het belang van verwantschap, gezins- en familieverbanden, buurtschap, peer pressure en de zichtbaarheid van de NSB in de lokale samenleving. De auteur rept over ‘interessante en bijzondere levensverhalen’, maar die zijn niet in het boek opgenomen. Er wordt überhaupt weinig prijsgegeven van de inhoud van de dossiers.

Er zijn verstrekkender problemen met dit boek. De redactie had zorgvuldiger gemoeten. Er zijn veel kleine type-, taal- en spelfouten blijven staan en de lezer blijft soms haken achter zinsconstructies en lange gecursiveerde citaten die de plaats van een uitleg innemen. Niet altijd is duidelijk wie aan het woord is. Zijn formuleringen als de ‘handjeklap’ van politici, hun ‘mooie woorden en beloftes zonder deze in de praktijk te brengen’ en de ‘onprettige en verstikkende sfeer’ in de jaren dertig afkomstig van Van den Berg of gaat het om de emic visies van potentiële NSB-leden? Hier constateer ik onvoldoende distantie, wat ook spreekt uit de woordkeus. Het gevolg is dat de bekende oproep om uit ‘de ban van goed en fout’ te geraken uitpakt als een aubade aan de NSB. De partij levert een ‘politiek huzarenstuk’, Mussert heeft een ‘droom, visie… en ambities’ en zette zich ‘volledig’ in ‘voor zijn visie en idealen’. Ook bleef hij bij zijn ‘onopvallende en rustige werkwijze’. De partij is ‘vol enthousiasme’, er is ‘luid gejuich en gejubel’, de partij was ‘een aantrekkelijk alternatief’ en had ‘een groepje enthousiaste Westlandse NSB-leden’. Het veelgebruikte woord ‘enthousiasme’ blijft zonder toelichting. Deze bewoordingen vallen des te meer op als wordt vermeld dat de ‘heer H. Colijn’ een ‘kwalijke plaats’ in de jaren dertig innam. Hij is, afgaande op dit boek, de enige.

Van den Berg legt de oorzaak voor onrust en geweld steevast buiten de NSB. Regering en kerk probeerden de partij te ‘dwarsbomen’. Ook werd ze ‘geconfronteerd met tegenstanders uit de links-radicale hoek’, vergaderingen werden door ‘“relschoppers” verstoord’, de WA ging ‘orde op zaken stellen’ als het onrustig was en de regering ‘wierp een smet op het blazoen van de NSB’ waardoor Mussert in een ‘negatief daglicht kwam te staan’. Rellen ontstonden doordat jongeren ‘provocerend’ exemplaren van Volk en Vaderland verscheurden, NSB’ers zich ‘zwaar beledigd’ voelden of doordat twee WA-mannen met messen werden bedreigd en diezelfde WA-mannen marcheerden ‘om hun colporterende kameraden te beschermen tegen vijandige politieke tegenstanders’ (125-126).

Ik constateer dat het zoeken naar een ‘evenwichtig en verantwoord beeld’ resulteert in het onbemiddeld overnemen van het slachtofferperspectief dat de NSB al vóór de Bezetting uitdroeg. Dit komt mogelijk door wat in de eerste pagina’s aan de orde komt. Daar wordt gesproken over de onverwerkte herinneringen van allen die in na-oorlogs Nederland ‘hebben geleden onder afwijzingen, weerstand en andere negatieve gevoelens, indrukken en ervaringen’. In zijn gesprekken met ‘voormalige leden van de NSB, de Nationale Jeugdstorm, de Waffen-SS en andere “foute” (para)militaire organisaties, hun vrouwen en hun (klein)kinderen’ was Van den Berg onder de indruk geraakt van de impact van het leed ‘tot in de derde en vierde generatie’. Met alle aandacht voor verzet en het leed van de Joden, mogen, aldus de auteur, ‘de verliezers van de oorlog’ – hier zijn de NSB’ers bedoeld – niet ‘uit beeld geraken’. Het lijkt erop dat in dit geval empathie voor familie en nageslacht het stellen van cruciale vragen in de weg heeft gestaan: vragen over bijvoorbeeld het aandeel van individuele NSB’ers in de terreur, over het mogelijke profijt van partijlidmaatschap en de precieze aard van vigerende opvattingen.

Kring 71 gaat gebukt onder de wens om een stereotiep beeld dat de NSB’ers zou achtervolgen te corrigeren. NSB’ers zouden nog altijd worden weggezet als antisemieten en ‘eenvoudige, ongeschoolde en primitieve personen’, ‘fervente nationaalsocialistische hardliners’ (165, 105), maar een bewijsplaats voor deze in het boek keer op keer herhaalde stereotiepen ontbreekt. Daarbij zou de eerste stap in de afwijzing van ‘goed/fout denken’ moeten bestaan uit het schrappen van het adjectief ‘foute’, maar het tegenovergestelde is het geval. In plaats van ‘NSB-leden’ wordt consequent over ‘“foute” Westlanders’ gesproken.

‘Waren het opportunisten, avonturiers of felle en gewetenloze rechts-radicale Jodenhaters’ is een schijntegenstelling waarin de ‘gematigde’ Mussert als de belichaming van de echte NSB mag optreden. Illustratief is het terugkerend gebruik van de term ‘Mussertmannen’ en het ontbreken van een uitleg van ‘gematigdheid’. Om de gematigde NSB te redden, worden voor de NSB’ers die evident niet in het beeld van gematigdheid passen, diskwalificaties geciteerd die de ban van goed en fout weer helemaal terugbrengt: Feldmeijer en zijn aanhangers zijn in de oorlog ‘tuig van de richel’ (34), anderen zijn ‘rotte appels’ die ‘de boel verzieken’ door ‘hun schunnige optreden’ (111).

Dan is er Van den Bergs studie van de dossiers. Ik licht er twee aspecten uit. Een van de centrale vragen heeft betrekking op de motieven voor het partijlidmaatschap. De analyse van deze motieven gaat echter te snel. Feitelijk is de hoofdmoot van dit deel van het onderzoek terug te brengen tot één tabel en twee halve pagina’s (94-95). Eerst brengt de auteur een verfijnd classificerend onderscheid aan. Vervolgens stelt hij vast dat zorg over het ‘sociaaleconomische beleid en de wantoestanden in de samenleving’ het belangrijkste motief vormde voor het partijlidmaatschap. Dit poneert Van den Berg zonder dat hij duidelijk maakt hoe hij dit inzicht uit de dossiers heeft verkregen. Moeten we een visie over wantoestanden – wat zijn dat? – nu wel of niet opvatten als een levensbeschouwing? En hoe moeten we aan de hand van deze vaststelling de ledenaanwas van de NSB vanaf mei 1940 bezien? Is die groei ook toe te schrijven aan bezorgdheid over ‘wantoestanden’?

Van den Berg voert antisemitisme op als een van de kernstereotypen van de NSB en dat verklaart wellicht waarom hij zich bepaald niet enthousiast toont om op deze cruciale kwestie verder in te gaan. Aangezien het volgens de auteur ‘welhaast onmogelijk [is] te ontkomen aan vragen’ hieromtrent ‘wordt kort enige aandacht besteed aan dit onderwerp’ (100). Het verschijnsel is echter al voorafgaande aan het onderzoek conceptueel kaltegstellt. Allereerst wisselt Van den Berg de term fascistisch in voor ‘rechts-autoritair’. Aanhangers van het rechts-autoritaire denken hingen een romantisch nationalisme aan (‘een vleugje romantiek’) en dat verklaart hoe zij meer begrip konden opbrengen voor ‘maatregelen tegen bepaalde groepen mensen in de maatschappij, bijvoorbeeld Joden en andere “dwarsliggers”’ [sic]. Dit zou ik dus antisemitisme noemen, maar Van den Berg hanteert de paradoxale stelling dat in het rechts-autoritaire denken ‘iedere vorm van rassenleer en antisemitisme’ ontbreekt (46-51). Daarbovenop betitelt Van den Berg dat wat hij in de bronnen toch nog aan ongemakkelijke ideeën is tegengekomen ten onrechte als anti-judaïsme (vergelijk Poorthuis en Salemink, Een donkere spiegel, 2006). Kortom, het antisemitisme is in dit boek vervlogen voordat het is onderzocht. Van den Bergs onderzoek in de dossiers leverde het uiterst beknopte en curieus geformuleerde inzicht op dat ‘verreweg de meeste “foute” Westlanders niet feller waren in hun houding ten opzichte van hun Joodse landgenoten dan hun politieke tegenstanders’ (100). Hiermee moet de lezer het doen.