De Doorbraak, het streven om te komen tot één progressieve partij, wordt doorgaans toegerekend aan de politieke geschiedenis van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Als beweging wordt het direct in verband gebracht met de oprichting van de Partij van de Arbeid in 1946. Dat de Doorbraak echter vooroorlogse wortels had en bovendien meer was dan een politiek fenomeen, wordt op overtuigende wijze aangetoond in het proefschrift van Peter Kromdijk, Eenheid in verscheidenheid. Doorbraak in de Nederlandse Hervormde Kerk en de samenleving tijdens het interbellum. Hierin geef hij een analyse van christelijke intellectuelen en hun streven naar eenheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en, in het verlengde daarvan, de samenleving als geheel.

De plek van de Hervormde Kerk in het verzuilings-narratief is niet zo helder. Hervormden worden ingedeeld bij de protestantse zuil, maar vergeleken met de gereformeerden stond hun maatschappelijke organisatiegraad op achterstand. Het ontbreken van strak aangelijnde, hervormde organisaties gaf ruimte voor discussies onder vooral jonge gelovigen. In de jaren 1920 troffen zij elkaar in de Nederlandse Christen-Studenten Vereniging (NCSV). Op bijeenkomsten en in hun verenigingsblad vonden fundamentele debatten plaats over de opstelling van de Hervormde Kerk ten opzichte van rispingen in de maatschappij, zoals de erbarmelijke toestand waarin veel arbeiders verkeerden, de opkomst van de vredesbeweging en het fascisme. Ondanks algemene onvrede over de maatschappelijke terughoudendheid van de Hervormde Kerk werd de gereformeerde organisatiewijze afgewezen. De Kuyperiaanse leerstelling dat christelijke en seculiere politiek elkaar uitsloten, werd verworpen omdat die tweespalt in plaats van eenheid in de samenleving zaaide. De antithese werd weerlegd met behulp van de Zwitserse theoloog Karl Barth. Die stelde dat mensen weliswaar allerlei normatieve overtuigingen in het hier en nu konden hebben, maar dat ze daarbij geen beroep konden doen op God; de mens kon God namelijk niet kennen.

Het Barthianisme had een vormende werking op een generatie die in de jaren dertig van zich liet horen in tijdschriften, verenigingen en commissies. Kromdijk noemt hen ‘doorbrekers’ zonder de leidende figuren over één kam te scheren. Een eerste groep, met de dominees Willem Banning en Jan Buskes als beeldbepalende leiders, richtte zich op de toenadering van het christendom tot het socialisme. Een tweede groep omarmde de theologie als middel om christelijke organisaties te bekritiseren; Kromdijk voert de geleerden Kornelis Heiko Miskotte en Jan Koopmans als belangrijkste representanten hiervan op. Een derde groep doorbrekers richtte zich meer op maatschappelijke domeinen als het zendelingswerk (Hendrik Kraemer), het jongerenwerk (Johan Eijkman) en de vernieuwing in de Hervormde Kerk zelf (Gerardus van der Leeuw).

De grote waarde van dit proefschrift is dat Kromdijk de zeer diverse domeinen belicht waarop de doorbrekers werkzaam waren. Bovendien onderstreept hij de theologische basis van hun maatschappelijke engagement. Het evangelie vormde hun vertrekpunt voor het streven naar eenheid. In eerste instantie werd kerkelijke eenheid geambieerd. Maar door de economische malaise en de politieke onvrede, die de samenleving verdeelden en onder druk zetten, breidde het doel zich uit naar maatschappelijke eenheid.

Het analyseren met behulp van de term ‘doorbrekers’ is een vondst die navolging verdient. Toch waarschuwt Kromdijk ervoor de doorbrekers als een georganiseerde groep te zien. Hoogstens in gezamenlijke opstelbundels, waarin vanaf 1935 de term ‘doorbraak’ ook letterlijk werd gebruikt als een begrip dat de schotten in de samenleving omver moest stoten, traden zij als groep naar buiten. Hun gevecht tegen nog meer verdeeldheid behoedde hen voor het vormen van eigen organisaties. In plaats daarvan wilden zij hun ideeën in bestaande verbanden verspreiden, zodat de samenleving doortrokken zou worden van een nieuw eenheidsstreven. Waarom veel doorbrekers hier in de jaren veertig vanaf stapten en lid werden van de PvdA, is een van de vragen die volgens de auteur nieuw onderzoek behoeft.

Sommige aspecten in het proefschrift getuigen van onnodige nonchalance. De auteur springt nogal vrijzinnig met de Nederlandse taal om – het boek wemelt van de interpunctiefouten en ongemakkelijke zinsconstructies. Daarnaast wordt een beroep gedaan op de interpretatiekunst van de lezer, vooral met betrekking tot de theologische concepten. Wanneer gesteld wordt dat de ethische theologie de weg plaveide voor de receptie van Barths theologie in Nederland, dan lijkt me dat een cruciale gedachtenstap in het betoog. Maar zulke begrippen, inclusief Barths ‘dialectische theologie’, worden weinig gehistoriseerd en summier toegelicht. Dit doet jammer genoeg afbreuk aan de ideeënhistorische uitwerking van de dissertatie. Daar staat tegenover dat Kromdijks bijdrage 160 pagina’s bedraagt en dat deze beknoptheid een verdienste op zich is. Toch had de auteur meer aandacht kunnen besteden aan het historische verzuilingsdebat. Hoe verhoudt de analyse zich tot recente bijdragen van onder anderen Peter van Dam, die in het geheel af wil van het begrip ‘verzuiling’ en de geschiedenis wil begrijpen in termen van ‘lichte’ en ‘zware’ gemeenschappen? En waarom wordt een bundel uit 2013 van Kromdijks promotor George Harinck, met interessante bijdragen over protestantse organisaties tussen kerk en wereld, niet aangehaald?

Deze kanttekeningen daargelaten heeft Kromdijk een interessante prestatie geleverd, die aanleiding geeft om ons denken in termen van ‘de Doorbraak’ te herzien. Bovendien spoort dit proefschrift aan tot verdere verdieping in de kritische debatten over de segmentatie in de Nederlandse samenleving, debatten die al gevoerd werden tijdens het Interbellum.