Sinds 1877 bevinden zich in het Rijksmuseum 82 kleine ovalen portretjes van Nederlandse dichters en dichteressen. Zij zijn in de achttiende eeuw geschilderd door verschillende kunstenaars en van wisselende kwaliteit. Ooit maakten zij deel uit van een verzameling van ruim 350 portretjes, onder de naam ‘Panpoëticon Batavûm’ (‘alle Nederlandse dichters’) bijeengebracht in een typisch achttiende-eeuws verzamelaarskabinet, als een monument voor de Nederlandse literaire traditie. In het Rijksmuseum hebben de portretjes een goeddeels verborgen bestaan geleid, tot aan de heropening van het museum in 2013. Dat de portretjes destijds een plaats kregen in de grote zaal die gewijd is aan het intellectuele leven in de achttiende eeuw – haar verzameldrift, encyclopedisme, genootschapszin – heeft alles te maken met de kentering in de visie op de Nederlandse Verlichting in de geschiedschrijving sinds de jaren tachtig. De strijd voor de herwaardering van die periode is nog niet voltooid, maar heeft er met Literaire erflaters. Canonvorming in tijden van culturele crisis 1700-1750 van Lieke van Deinsen een krachtige impuls bij gekregen. Zij pleit ervoor de Nederlandse achttiende eeuw op eigen merites te beoordelen en geeft met haar contextuele benadering zelf het goede voorbeeld.

In Literaire erflaters weerlegt Van Deinsen op overtuigende wijze de gangbare mening dat de bestudering van het eigen literaire verleden in Nederland pas echt begon vanaf 1800. Na een inleidend hoofdstuk, waarin ze de opvatting dat het historisch en literair-historisch bewustzijn een negentiende-eeuws fenomeen is aan de kaak stelt, schetst Van Deinsen in hoofdstuk II een aantal ontwikkelingen rond 1700 die het op de internationale markt georiënteerde literaire bedrijf in de Republiek danig beïnvloedden. Te weten: de toenemende concurrentie door buitenlandse boekdrukkers, de opmars van het gebruik van landstalen die de afzetmarkt van boekdrukkers begrensden en de in het buitenland oplaaiende kunsttheoretische strijdvraag of de klassieke oudheid wel maatgevend moest zijn voor de literatuur van de eigen tijd en eigen land. Van Deinsen beschrijft als eerste uitgebreid hoe deze strijd, bekend als de Quérelle des anciens et des modernes, door Nederlandse literatoren op de voet werd gevolgd en hier, net als elders, de aanzet gaf tot onderzoek van de vaderlandse literaire smaak en traditie. Uiteraard werd dit onderzoek op achttiende-eeuwse wijze aangepakt en moet dus ook door ons in die context bekeken worden, benadrukt Van Deinsen terecht.

In hoofdstuk III plaatst Van Deinsen de aanleg van het Pantoëticon Batavûm in het verlengde van de achttiende-eeuwse wetenschapspraktijk en het belang dat daarin werd toegekend aan het verzamelen en classificeren van objecten. Langs deze weg kwam men ook tot de constructie van vaderlandse culturele tradities. Een verzameling dichtersportretten kon dan vervolgens uitgroeien tot een ‘monument voor het nationale genie’, mede dankzij de gewoonte om een verzameling door middel van gedichten te vereeuwigen. Een overtuigend voorbeeld van deze ‘literaire monumentenzorg’ geeft Van Deinsen met de verzamelpraktijk van de Amsterdamse notabele Gerard van Papenbroek (1673-1743). Zijn collectie omvatte onder meer een grote hoeveelheid belangwekkende autografen en portretten van zeventiende-eeuwse dichters, schrijvers en geleerden, waaronder Vondel, Hooft, Vossius, Barlaeus en Coornhert. Van Papenbroek liet de autografen grotendeels na aan de Leidse universiteit en de schilderijen aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre, ‘ten nutte van allen’. Op deze manier voorkwam hij dat de verzamelingen uit elkaar vielen. Tijdens zijn leven had Van Papenbroek de portretten al laten vastleggen in gravures opdat zij een ruimere bekendheid kregen; ook zette hij zich in voor de bestudering en publicatie van nieuwe tekstedities op basis van zijn autografen. Dichtende tijdgenoten prezen de verzamelaar dan ook als hoeder van het Nederlandse literaire erfgoed. Zijn voorbeeld kreeg navolging in de vorm van wat Van Deinsen ‘papieren monumenten’ noemt: de verzameledities van zeventiende-eeuwse auteurs die in de achttiende eeuw het licht zagen.

In het vierde hoofdstuk zoomt de auteur in op de boekencollecties, een typisch aspect van de achttiende-eeuwse verzamelcultuur. Ze werd daartoe aangemoedigd door de titelprent van een verzameling lofdichten op het Panpoëticon Batavûm. De prent toont een bibliotheek waarin drie putti die bezig zijn namen van auteurs op papierrollen te schrijven; zij stellen als het ware de canon van de Nederlandse letteren samen. Het is hoe dan ook een verdienste van dit boek dat titelprenten volop in het betoog betrokken worden. Zo analyseert Van Deinsen nog drie andere prenten die op allegorische wijze de bibliotheek als plaats van literaire canonvorming verbeelden. Een concreet voorbeeld van canonvorming bespreekt zij aan de hand van het lange lofdicht uit 1723 van Jan Baptista Wellekens op de kunst- en boekenverzameling van de Delftse verzamelaar Valerius Röver. Werd dit lofdicht wat de boeken betreft tot nu toe louter gezien als een beschrijving, Van Deinsen toont aan dat Wellekens’ bedoeling veel verder ging. Zij interpreteert het gedicht als ‘een zoektocht naar de karakteristieken en hoogtepunten van de Nederlandse literaire smaak’ (133). In Appendix I krijgt de lezer een schematisch overzicht van de auteurs en hun werken die Wellekens selecteert en de aanwezigheid van deze werken in de bibliotheek van Röver. Dat deze verzameling een sturende rol heeft gespeeld bij de selectie en canonisatie is onmiskenbaar.

Als laatste bewijs van de achttiende-eeuwse bemoeienis met het Nederlandse literaire verleden komt in hoofdstuk V het Panpoëticon Batavûm aan orde. Het is voor het eerst dat deze verzameling en haar rol in de canonvorming van de Nederlandse dichtkunst zo uitvoerig wordt beschreven en geanalyseerd. Een belangrijke bron hierbij zijn de vele lofdichten die op de verzameling geschreven zijn. Rond 1700 gestart door de schilder/dichter Arnoud van Halen (1673-1732), uit ‘liefde tot den roem der Nederlandsche Digters, kwam de verzameling, inclusief het kabinet, na diens overlijden in het bezit van de welgestelde Amsterdamse zakenman Michiel de Roode. Onder zijn hoede kregen ook portretjes van eigentijdse dichters en dichteressen een plaats in het kabinet. Na nog eens van eigenaar gewisseld te zijn kwam het Panpoëticon Batavûm in 1772 uiteindelijk terecht bij het Leidse dichtgenootschap Kunst wordt door arbeid verkregen. Een bijzonder aspect van deze geschiedenis is dat de verzameling altijd toegankelijk is geweest voor literatuurliefhebbers en zodoende veel heeft bijgedragen aan de bekendheid van de Nederlandse dichtkunst. De faam heeft echter niet kunnen verhinderen dat de portretjes in de loop van de negentiende eeuw verspreid raakten en de kast verloren is gegaan. Dit verlies is nu vergoed door Van Deinsens interessante en zeer leesbare proefschrift en niet te vergeten ook door de computerreconstructies van Timothy de Paepe die ons als het ware binnenvoeren in de zaal waar het Leidse dichtgenootschap haar pronkstuk, het Panpoëticon Batavûm, had opgesteld.