Op 21 maart 1960 trok een stoet van ongeveer zes- a zevenduizend zwarte Zuid-Afrikanen, na een dag van demonstraties tegen de aanscherping van de zogenoemde paswetten door de regering-Verwoerd, door de straten van Sharpeville. Toen de stoet halt hield voor het politiebureau openden de daar aanwezige agenten het vuur, waarbij 69 demonstranten het leven lieten. Deze gebeurtenis schokte de internationale gemeenschap. Op 1 april nam de VN-Veiligheidsraad Resolutie 134 aan. Daarin werd vastgesteld dat de apartheidspolitiek niet alleen had bijgedragen aan de gebeurtenissen van 21 maart, maar dat deze politiek eveneens een bedreiging vormde voor de vrede en de stabiliteit in de wereld. Hoewel Frankrijk en Groot-Brittannië zich onthielden van stemming, was ‘het bloedbad van Sharpeville’ een keerpunt in de beoordeling van de apartheid in Zuid-Afrika. In plaats van een interne kwestie werd het systeem van rassensegregatie nu ook op regeringsniveau bestempeld als geïnstitutionaliseerd racisme. Tal van organisaties en verenigingen die zich sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog druk maakten over apartheid kregen bovendien de wind in de rug. Een internationale, maatschappelijke beweging tegen apartheid was geboren.

Naar deze maatschappelijke beweging is betrekkelijk veel onderzoek gedaan, ook binnen Nederlandse context. In dat onderzoek is veel aandacht besteed aan religieuze actoren, zeker vanwege de ‘stamverwantschap’ met de witte Afrikaanders, zoals die ervaren werd in vooral hervormde en gereformeerde gemeenschappen. Aan de inzichten uit dit onderzoek voegt deze bundel onder redactie van Caspar Dullemond, Barbara Henkes en James Kennedy weer het nodige toe. In een negental beschouwingen worden aspecten van het denken over apartheid in verschillende protestantse kringen besproken. Daarbij is veel aandacht voor de concrete activiteiten die uit dit denken voortvloeiden. De vraag welke acties besproken actoren deden voortvloeien uit hun opvattingen komt steeds terug, bijvoorbeeld in de bijdrage van redacteur Dullemond over vrijgemaakt gereformeerden, de apartheid en de kerkelijke correspondentie tussen 1948 en 1978. Op die manier houden de artikelen mooi het midden tussen ideeëngeschiedenis enerzijds en een analyse van een sociale beweging anderzijds.

De belangrijkste bijdrage die de bundel aan het debat over de omgang met de apartheid in protestants Nederland levert, is het transnationale perspectief dat voor de artikelen werd gekozen. In de verschillende artikelen staat steeds de vraag centraal hoe in contacten tussen Nederlanders en Zuid-Afrikanen ideeën, concepten en gebruiken werden overgenomen en toegeëigend in de Nederlandse respectievelijk Afrikaanse culturele en politieke context. Het meest geslaagde voorbeeld van de meerwaarde van een dergelijke benadering is een artikel van George Harinck. Daarin wordt gekeken hoe het denken van de theoloog en politicus Herman Bavinck het Zuid-Afrikaans theologisch debat over apartheid enerzijds en de interacties tussen leerlingen van Bavinck werkzaam in Afrika en Nederland anderzijds beïnvloedde. Net als de meeste andere artikelen in deze bundel maakt dat van Harinck duidelijk dat het transnationale perspectief een wezenlijke bijdrage kan leveren aan een beter begrip van zowel de houding van Nederlandse actoren ten opzichte van de apartheid als ook van de situatie in Zuid-Afrika destijds.

Met de gekozen benadering sluit de bundel bovendien mooi aan op ontwikkelingen in de historiografie met betrekking tot sociale bewegingen en maatschappelijk activisme. In die historiografie stond lange tijd voornamelijk de opbouw van een achterban en de relatie tot de politiek centraal. Studies over bijvoorbeeld de vredesbeweging gingen vooral over de wijze waarop verschillende organisaties eerst een achterban opbouwden om daarmee hun politieke eisen kracht bij te kunnen zetten. De organisaties zelf bleven betrekkelijk statische entiteiten; aan de opbouw ervan, de discussies over eigen identiteit, actierepertoire en de verhouding met andere organisaties werd relatief weinig aandacht besteed. Dankzij historici als Benjamin Ziemann is er de laatste jaren echter veel meer aandacht voor de ‘binnenkant’ van bijvoorbeeld de vredesbeweging ontstaan. De waarde van deze bundel is dat het idee van een specifieke organisatie of vereniging als uitgangspunt van onderzoek geheel is losgelaten. Niet de Nederlandse actiegroepen tegen apartheid staan centraal, maar specifiek gekozen actoren daarbinnen of daarbuiten. Door dit perspectief neemt de gelaagdheid van het beeld van de verhouding tussen apartheid, religie en stamverwantschap toe en wordt een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het uiteenrafelen van ‘het’ debat tussen voor- en tegenstanders van apartheid in Nederland.

Toch worden in de bundel drie aspecten wat al te stiefmoederlijk behandeld. In de eerste plaats had de verhouding met andere, niet-religieuze actoren in de bredere maatschappelijke beweging tegen apartheid nog wel wat nadrukkelijker uitgewerkt kunnen worden. In de inleiding wordt expliciet opgemerkt dat de bundel zich los wilt maken van ontwikkelingen in alleen hervormde en gereformeerde kring door zich te richten op ‘verschillende protestants-christelijke verbanden en individuen in Nederland en Zuid-Afrika, evenals op andere plekken waar uitwisseling tussen kerkleden uit beide landen tot stand kwam’. Dat levert veel nieuw inzicht op, maar de waarde ervan is niet altijd helder. Immers, wat in kleine kring gebeurt kan zowel illustratief zijn voor de hoofdstroom van het maatschappelijk debat over apartheid als daar danig van afwijken. Maar of de in de artikelen behandelde actoren nu voorlopers of achterblijvers waren, wordt eigenlijk nergens echt helder. Of hun ideeën enige invloed hadden buiten de eigen kring ook niet.

In de tweede plaats wordt ‘de politiek’ te veel buiten beeld gehouden. Bijvoorbeeld in het artikel van Erika Meijers over contacten van Nederlandse studenten en predikanten met Zuid-Afrikaanse predikanten – wit en zwart – die voor hun studie naar Nederland kwamen. In dit artikel wordt duidelijk dat deze contacten met onder apartheid levende christenen een grote invloed had op de discussie in verschillende protestantse gemeenschappen. Maar of dit ook zijn weerslag had op de politieke vertegenwoordigers van deze kring wordt niet aan de orde gesteld. Het belangrijkste kritiekpunt is tot slot dat de bundel zich nadrukkelijk beperkt tot protestants Nederland. Waarom niet een wat meer oecumenische houding aangenomen? Zo werd bijvoorbeeld in de katholieke vredesbeweging Pax Christi in 1974 een werkgroep Zuid-Afrika opgericht en ook vanuit de verschillende voorlopers van ontwikkelingsorganisatie Cordaid was er aandacht voor deze problematiek. Tot op heden worden de ontwikkelingen in katholieke en protestantste kring echter zelden met elkaar vergeleken, zelfs niet in een bundel met kerk en apartheid in transnationaal perspectief als ondertitel. Het begrip kerk is hier klaarblijkelijk niet zo breed opgevat.

Dit alles overziend is de meerwaarde van de bundel betwistbaar, hoewel veel van de afzonderlijke artikelen van grote kwaliteit zijn. De auteurs komen stuk voor stuk tot afgewogen conclusies op basis van grondig onderzoek en er worden interessante perspectieven voor verder onderzoek geboden. De transnationale insteek wordt bovendien consequent toegepast. Die is zonder meer navolgenswaardig. Echter, de bundel sluit zich al te zeer op in protestants Nederland en de gekozen casussen worden zelden in een breder perspectief geplaatst. Daarmee staat de bundel met het ene been in de historiografie van morgen, maar met het andere helaas nog in die van gisteren. De levensbeschouwelijke verkaveling lijkt in de Nederlandse geschiedwetenschap maar moeilijk te doorbreken. Het is de hoogste tijd ook op dat punt stappen te zetten. Een artikel over bijvoorbeeld de betrekkelijk late oprichting van de werkgroep Zuid-Afrika binnen Pax Christie en een concluderende beschouwing waarin alle inzichten in verband gebracht worden met verschuivingen in de publieke opinie en het politiek debat over Zuid-Afrika had de bundel sterker kunnen maken.