Het monastieke verleden van Nederlands en Belgisch Limburg tijdens de vroege en volle Middeleeuwen is een veronachtzaamd onderzoeksthema, vooral wat betreft de vrouwenkloosters. Enerzijds is dat verwonderlijk, aangezien niet minder dan vier gemeenschappen (Munsterbilzen, Susteren, Aldeneik en vanaf de late tiende eeuw ook Thorn) de Maasvallei bevolkten. Anderzijds is het bronnenmateriaal uit deze instellingen vaak fragmentarisch, typologisch eenzijdig en lastig te contextualiseren, en is de wetenschappelijke literatuur op een enkele uitzondering na sterk verouderd en weinig comparatief. Anderzijds belichten de meeste studies slechts één aspect of fase uit het bestaan van deze gemeenschappen. De abdij van Thorn is geen uitzondering op die regel. Tot voor kort beperkte de bibliografie zich tot twee summiere, weinig rigoureuze monografieën door J. Wolters (1850) en J. Linssen (1963), een handvol artikelen over de ontstaansgeschiedenis, vermeldingen in onderzoek over andere instellingen of de regio als geheel, wat hagiographica en ten slotte ook een aantal heemkundige publicaties. Kerskens studie, tegelijk zijn proefschrift, brengt een einde aan die teleurstellende stand van zaken.

Met een typische Duitse Gründlichkeit heeft de auteur zich eerst op het netelige dossier van de stichting geworpen. Zoals het er nu naar uitziet, werd Thorn in de late tiende eeuw gesticht door Gravin Hilsondis van Strijen en haar echtgenoot, Graaf Ansfrid II van Leuven en Hoei. Ansfrid was een vooraanstaand lid van de Lotharingische elite, die bezittingen had in de Maasstreek, Brabant, en Gelre en enige tijd behoorde tot de entourage van Otto I. Tussen 975 en 995 stichtte het echtpaar Thorn, met als doel de abdijkerk te laten fungeren als dynastisch mausoleum; mogelijk wilden ze er ook hun dochters onderbrengen toen duidelijk werd dat er geen mannelijke nakomelingen zouden komen. Na het overlijden van Hilsondis kwam het klooster in handen van de Luikse bisschoppen, in omstandigheden die helaas niet meer opgehelderd kunnen worden. Een aantal bisschoppelijke schenkingen en een privilegie van Hendrik II stelden het voortbestaan van het klooster zeker.

Tijdens de eerste helft van de elfde eeuw kende de gemeenschap een bescheiden bloei: zo genoten de religieuzen rechten op de plaatselijke markt, de plaatselijke tol en de rechtspraak, en zijn er aanwijzingen voor het bestaan van een lokale munt. Daarbij had de abdis ook een aandeel in de plaatselijke textielproductie. Een belangwekkende vaststelling in dit boek is dat de traditionele benaming van Thorn als Damesstift – dat wil zeggen een gemeenschap van adellijke kanunnikessen – niet van toepassing is op de eerste drie eeuwen van zijn bestaan. Sterker nog: tot in de vroege veertiende eeuw bestond er bij de religieuzen zelf geen behoefte aan een strak gedefinieerde normatieve identiteit (ordo). Die vaststelling noopt de auteur van deze studie de klassieke theoretische beschouwingen over het leven in een Stift achterwege te laten en zich uitsluitend te laten leiden door het primaire bronnenmateriaal, dat overwegend bestaat uit oorkonden. Nopens de beperkte typologie van de bronnen levert die aanpak een wat eenzijdig – over de spiritualiteit en het zelfbeeld van de zusters, en over andere ‘culturele’ aspecten verneemt de lezer nagenoeg niets – maar vrij gedetailleerd beeld op van de socio-economische en juridische situatie van het klooster, de rekrutering en het profiel van de gemeenschapsleden, de interne organisatie en taakverdeling en ten slotte ook van de relaties met wereldlijke heren.

Deze op het eerste zicht traditionele studie loopt niet te koop met haar verdiensten. Die zijn er nochtans zeker. Zo brengt het boek de lang veronachtzaamde regio van de Maasvallei onder de aandacht van een internationaal lezerspubliek en schept ze hoge verwachtingen over wat gelijkaardig onderzoek over de abdijen van Aldeneik, Munsterbilzen, en Susteren kan opleveren. Verder komen in de tekst allerlei thema’s aan bod die niet centraal staan in de argumentatie, maar waar de auteur dankzij zijn uitmuntende kennis van dit lokale dossier een en ander in een nieuw daglicht stelt: zo krijgen we voor het eerst goed zicht op de lastige zoektocht van de kloosterlingen naar een cultische identiteit na het verdwijnen van het stichterskoppel. Zonder meer de grootste prestatie van dit boek bestaat er nochtans in dat het – samen met een aantal andere recente studies – een streep trekt onder de krampachtige pogingen van generaties historici om het vrouwelijke kloosterwezen vóór circa 1300 in normatieve categorieën (nonnen of kanunnikessen) onder te brengen. Alleen daarom al verdient dit boek de aandacht van een breed lezerspubliek.