In 1943 legde de Nederlandse regering in ballingschap in Londen de basis voor de ‘Bijzondere Rechtspleging’, een speciale, tijdelijke rechtsmacht voor collaborateurs. Wat de structuur betreft, bestond de Bijzondere Rechtspleging uit vijf ‘Bijzondere Gerechtshoven’ en één Bijzondere Raad van Cassatie waar, onder voorwaarden, beroep mogelijk was. Deze colleges oordeelden op basis van een bijzonder strafrecht dat op een aantal punten afweek van het commune strafrecht en toeliet zwaarder te straffen.

In Alles is gedaan om het recht te vinden. Bijzondere rechtspleging in Leeuwarden 1945–1949, de handelseditie van een proefschrift, analyseert Michiel Severein hoe de rechters van de Kamer Leeuwarden van het Bijzonder Gerechtshof Leeuwarden en de Bijzondere Raad van Cassatie recht spraken tussen 1945 en 1949. De centrale vraag is of het werk van de rechters beantwoordde aan de eisen die, rekening houdend met de historische context, aan een behoorlijke rechtspleging mogen worden gesteld. Deze vraag wordt beantwoord aan de hand van een analyse van 554 uitspraken en de bijhorende strafdossiers, waarbij het oordeel van de Bijzondere Raad van Cassatie wordt meegenomen. Dit materiaal werd verzameld uit het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Aanvullend onderzoek werd verricht in archieven van het ministerie van Binnenlandse Zaken, het archief van de procureur-generaal van Leeuwarden en regionale dagbladen.

Severein gebruikte dit materiaal om na te gaan hoe de rechters de beoordeling verantwoordden van de collaborateurs die door het Openbaar Ministerie werden vervolgd. De vraag naar de motivering van de uitspraak stond daarbij centraal. De volgende deelaspecten komen aan bod: de verweren, de strafmotivering en de sancties. In het inleidende hoofdstuk wordt ingegaan op de genese en de juridische specificiteit van de Bijzondere Rechtspleging. Het tweede hoofdstuk werkt de probleemstelling verder uit en legt de band met de aard van de collaboratie in Friesland en de toestand in de regio bij de bevrijding. Verder introduceert de auteur het concept ‘subsocialiteit’, ontleend aan de afscheidsrede van de Groningse hoogleraar Vrij in 1947. Met subsocialiteit wordt bedoeld dat men met bestraffing probeerde te bewerkstelligen dat ‘onlustgevoelens in de samenleving die door de misdragingen der ontrouwen waren ontstaan’ werden weggewerkt (97). Hiermee werd aan het strafrecht een sociaal-politieke functie toebedeeld. De eigenlijke analyse gebeurt aan de hand van casussen, die de auteur gekozen heeft met het oog op verschillende componenten van de motivering van de uitspraak. Deze casussen heeft hij nader uitgewerkt, toegelicht en kritisch tegen het licht gehouden. In het naschrift stelt hij de vraag naar de invloed van de Bijzondere Rechtspleging en de Tweede Wereldoorlog op de ontwikkeling van het strafrecht sinds Cesare Beccaria. In de bijlagen zijn tabellen opgenomen waarin de casussen, overtreden wetsartikelen, de strafmotiveringen, en de sancties worden opgesomd, zowel van het Bijzonder Gerechtshof als van de Bijzondere Raad van Cassatie, die in tegenstelling tot de Hoge Raad de straf kon aanpassen.

Deze studie biedt een originele kijk op de bestraffing van collaboratie: ze is niet alleen een regionale, maar vooral een rechtshistorische studie die strafdossiers als uitgangspunt neemt. Bovendien is het onderwerp niet de beschuldigde, maar de rechter: de vraag is hoe die tot een oordeel kwam. De vraagstelling verklaart ook de structuur van het boek: de auteur toetst de verschillende dimensies van een adequate rechtsbedeling. Het gaat om een andere benadering dan de meer klassieke vraag over de ‘output’ van het gerechtelijk proces, waarbij onderzoek wordt gedaan naar bepaalde gerechtelijke uitspraken en strafdossiers die in hun geheel worden bestudeerd. Dit laatste is hier niet het geval, wat niet uitsluit dat bepaalde casussen in meer dan een onderdeel voorkomen. De keuze voor een dergelijke aanpak is goed te verantwoorden, omdat niet de beklaagde of veroordeelde centraal staat, maar de rechter.

De auteur houdt een helder en consistent betoog, met duidelijke referentiekaders. De uiteenzetting over de werking van het Bijzonder Gerechtshof en de Bijzondere Raad van Cassatie is verhelderend. Globaal gezien oordeelt de auteur positief over het werk van de Kamer Leeuwarden van het Bijzonder Gerechtshof, wat hem niet belet kritisch te zijn over bepaalde motiveringen, argumenten en oordelen. Dit geldt vooral voor het uitspreken van de doodstraf.

Opvallend is dat al in een vroeg stadium de mogelijkheid een veroordeelde te reclasseren de strafmaat mee beïnvloedde. Hoewel de Bijzondere Rechtspleging afwijking van het commune strafrecht toeliet, trachtte het Bijzonder Gerechtshof zo veel mogelijk aan te sluiten bij de normale principes van strafrecht en strafvordering en de afwijking beperkt te houden.

Dit boek is een aanwinst voor de historiografie over de Bijzondere Rechtspleging in Nederland, maar ook buitenlandse onderzoekers kunnen er hun voordeel mee doen. Een dergelijk onderzoek naar bijvoorbeeld de Belgische rechtspleging met betrekking tot collaboratie bestaat nog niet. Op een aantal punten werpt het boek voor België nieuwe onderzoeksvragen op. In de eerste plaats de beïnvloeding van buitenlandse rechtssystemen; het Nederlandse strafrecht nam sinds de hervorming van 1921 elementen over van het Engelse strafrecht en was (en bleef) op doctrinair gebied sterk georiënteerd op Duitsland en minder op Frankrijk, waarop België juist was gericht. Nederlandse rechters waren bovendien minder positivistisch dan hun Belgische collega’s. Zo konden oordelen van Nederlandse rechters gefundeerd worden in het internationaal recht (Landoorlogsrecht – ‘Conventie van Den Haag’) en zelfs algemene rechtsbeginselen, zoals de bescherming van het eigendom. Die principes werden pas in 1950, toen de Bijzondere Rechtspleging grotendeels haar beslag had gekregen, gecodificeerd in het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De Nederlandse wetgever was dan weer soepeler dan de Belgische in het terzijde schuiven van rechtsbeginselen als de niet-retroactiviteit van de strafwet, maar bond de rechter minder. Terwijl verlies van burgerlijke en politieke rechten in België automatisch volgde uit een veroordeling, was het in Nederland een bijkomende sanctie die gemoduleerd kon worden. Ook het verlies van de nationaliteit was in Nederland minder stringent geregeld. Wat kort wordt genoemd, maar niet in detail wordt uitgewerkt is het weinig ‘contestataire’ karakter van de Nederlandse advocaten. Ze wierpen, in tegenstelling tot hun Belgische confraters, zelden bevoegdheidskwesties op, noch stelden ze de legitimiteit van de wetgeving uitgewerkt door de regering in ballingschap in vraag.

De analyse van de rechterlijke uitspraken maakt de impliciete politieke voorkeuren van de rechters duidelijk. Zo merkt de auteur op dat de militaire collaborateurs die tegen de USSR (een geallieerde grootmacht) vochten, niet bijzonder zwaar gestraft werden, in tegenstelling tot de leden van de Landstorm. De laatsten vochten op Nederlands grondgebied, terwijl dat niet het geval was bij de Oostfrontvrijwilligers. Een tweede verklaring hiervoor is de afkeer van de atheïstische communisten.

Waar in België de onpartijdigheid van de rechter en de immuniteit voor maatschappelijke druk in het publieke debat vaak als criteria voor een goede rechtsbedeling worden aangemerkt, maakt de auteur duidelijk dat het strafrecht wel degelijk een maatschappelijke rol had en de rechters maatschappelijke factoren lieten meewegen bij hun oordeel en in de manier waarop zij dat oordeel verantwoordden. Die verantwoording was bedoeld om de publieke opinie duidelijk te maken dat de rechters de collaboratie een ernstig misdrijf vonden en tegemoet kwamen aan het algemeen verlangen naar een strenge bestraffing. Deze opstelling houdt verband met de evolutie naar instrumentalisering van het strafrecht vanaf de jaren 1930: het strafrecht werd ingezet om maatschappelijke doelen, veelal politiek geïnspireerd, te bereiken.

De focus op de rechter is origineel en levert nieuwe inzichten op, maar gaat deels ten koste van de rol van het Openbaar Ministerie. Dit aspect wordt niet systematisch onderzocht. Nu lijkt dat in eerste instantie niet echt nodig, omdat de vordering van het Openbaar Ministerie de rechter slechts ten dele bindt. Maar het Openbaar Ministerie heeft een sturende rol door de zaken die ze al dan niet voor de rechter brengt, de hoogte van de vordering, de poging jurisprudentie in deze of gene richting te sturen, of om via rechtspraak bepaalde juridische concepten te verduidelijken. Het Openbaar Ministerie is in deze studie niet helemaal afwezig, maar dit punt had wat meer uitwerking verdiend.

Bij één passage kan een kanttekening worden gemaakt. Op p. 64 heet het dat de interneringen tot doel hadden liquidaties van ‘duizenden’ als in België en Frankrijk te vermijden. Wat België betreft is ‘duizenden’ alleszins overdreven.