Inlichtingen- en veiligheidsdiensten genieten als gevolg van de geheimhouding die hun werk met zich meebrengt bijzondere publieke belangstelling, maar zij zijn om dezelfde reden lastige onderwerpen van wetenschappelijk onderzoek. Tijdens de Koude Oorlog, toen de Sovjet-Unie in Nederland niet alleen over eigen spionnen, maar ook over een binnenlandse bondgenoot beschikte, was die drang tot geheimhouding extra groot. Na de ineenstorting van het Sovjetrijk stelden de diensten zich meer open voor belangstellend publiek en geïnteresseerde wetenschappers. Het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) Arthur Docters van Leeuwen besefte, evenals enkele buitenlandse collega’s, dat contact met burgers en andere instanties zou helpen bij de dringend noodzakelijke herformulering van de eigen taak van de dienst en dat dit bovendien haar fragiele legitimiteit zou versterken. Hij gaf een van zijn medewerkers, de historicus Dick Engelen, toestemming een proefschrift over het ontstaan en de eerste decennia van de dienst te schrijven. Tezelfdertijd begonnen academische onderzoekers als Bob de Graaff en Cees Wiebes over het onderwerp te publiceren. In 2007 kwam met het aantreden van Gerard Bouman als diensthoofd van de AIVD, de gerenoveerde BVD, een einde aan de toenemende openheid. (In tegenstelling tot die van Britse en Duitse zusterorganisaties zijn de archieven van de BVD voor onafhankelijke onderzoekers nog steeds volledig gesloten.) Dit heeft de gestage groei van het aantal wetenschappelijke publicaties over de BVD echter niet kunnen stoppen.

De studie Vijandbeelden. De veiligheidsdiensten en de democratie 1912–1992, die de Leidse historicus Constant Hijzen in november 2016 met succes als proefschrift verdedigde, is een vrucht van die traditie. Hij bouwt voort op het werk van zijn voorgangers, heeft een eigen, belangrijk thema gekozen, is thuis in de internationale vakliteratuur en komt met interessante bevindingen op basis van nieuwe bronnen. Het belang van zijn onderwerp – de binding van de diensten aan de democratie – kan moeilijk worden overschat. Een veiligheidsdienst is een instrument ter bescherming van een democratische rechtsstaat, maar kan diezelfde staat ook van binnenuit ondermijnen. Hijzen kiest niet voor die staatsrechtelijke invalshoek, maar stelt de geschiedkundige vraag hoe in de politiek, in bestuursapparaten en in de samenleving in de periode van 1912 tot 1992 tegen de Nederlandse civiele veiligheidsdiensten werd aangekeken. Hij richt zich op beeld- en meningsvorming in de bemoeienis van de politiek en de samenleving met de dienst. Eigenlijk had de ondertitel beter De democratie en de veiligheidsdiensten kunnen luiden. Hijzen had niet – zoals eerder Engelen – toegang tot het BVD-archief, wel tot de inmiddels vrijgegeven beknopte verslagen van de besprekingen van de dienstleiding. Verder maakte hij natuurlijk gebruik van alle gebruikelijke open bronnen voor institutionele politieke geschiedschrijving.

Hijzen onderbouwt zijn vraagstelling met een degelijk overzicht van de nationale en internationale historiografie en beschrijft vervolgens hoe Nederland in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog relatief laat een gespecialiseerde veiligheidsdienst kreeg, als onderdeel van een militaire inlichtingendienst die de kracht van buitenlandse legers in kaart bracht. Die Centrale Inlichtingendienst was een kleine eenheid die fungeerde als clearing house: de CI verzamelde, bundelde en verspreidde vooral door de lokale politie verzamelde informatie. Tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog genoot zij weinig politieke steun. Tijdens de Londense ballingschap kwam de Nederlandse regering echter op andere gedachten. Het daar opgerichte Bureau Inlichtingen schiep het politieke draagvlak dat de voormalige Rotterdamse hoofdcommissaris van politie Louis Einthoven in staat stelde om na de bevrijding een dienst op te richten die ook zelfstandig inlichtingenoperaties uitvoerde: de BVD. In de jaren vijftig bouwde Einthoven deze dienst uit tot een krachtig apparaat dat ongehinderd onder leiding van de Amerikaanse CIA de strijd aanbond tegen het communisme. Die situatie veranderde eind jaren zestig. Toen kreeg de BVD met kritiek vanuit de samenleving te kampen en gingen politici bij de BVD aandringen op verruiming van het blikveld. De dienst deed dat met tegenzin, zoveel tegenzin zelfs dat Docters van Leeuwen eind jaren tachtig moest constateren dat de BVD was verworden tot een starre bureaucratie die niet meer wist welke maatschappelijke functie zij had te vervullen.

Hijzens studie is een aanwinst voor de geschiedschrijving van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Hij plaatst de ontwikkeling van de CI en de BVD, zoals we die tot nu toe voornamelijk uit de studies van Engelen kennen, in een rijke, empirisch goed gefundeerde en vaak verhelderende context. Die context bevat echter enkele belangrijke lacunes. Aandacht voor de procureurs-generaal en de door hen geleide rijksrecherche ontbreekt nagenoeg geheel, terwijl die al in de negentiende eeuw actief waren in de politieke inlichtingenvergaring en spionagebestrijding en dat in de door Hijzen bestudeerde periode bleven. Het aandeel van de politie in de inlichtingenvergaring en het stempel dat individuele korpschefs daarop drukten, blijft onderbelicht. De gekozen invalshoek had voorts aandacht voor de samenwerking met het weinig democratische Nazi-Duitsland bij de bestrijding van de Komintern gerechtvaardigd. In de beschrijving van de periode van de Tweede Wereldoorlog richt Hijzen zijn aandacht volledig op de strubbelingen in Londen, terwijl het inlichtingenwerk van het verzet in bezet Nederland in de naoorlogse jaren een krachtig stempel heeft gedrukt zowel op het personeel van de BVD als op de parlementariërs die zich over de BVD bogen. Over de gehele linie blijven de betrokkenheid van justitie bij de veiligheidsdiensten en de justitiële visie op hun staatkundige inbedding en optreden onderbelicht. Het verzet van secretaris-generaal J.C. Tenkink tegen Einthovens plannen na de bevrijding lijkt daardoor niet meer dan een individuele actie.

Een tweede aanmerking betreft de typering van de diensten en hun taken. Einthoven is een uitzonderlijke figuur geweest, niet alleen vanwege zijn vaardigheid een stevig apparaat op te bouwen, maar ook vanwege zijn proactieve visie op het inlichtingenwerk. Op dat punt onderscheidde hij zich ook van zijn voorgangers en opvolgers. Hij wilde niet alleen het communistische gevaar signaleren, maar ook apaiserende houdingen tegenover het communisme in de samenleving bestrijden. Die doelstelling maakte dat hij weinig boodschap had aan parlement en politici. Einthovens weerzin tegen de reële vertegenwoordigers van de democratie is een kwestie die meer had mogen worden uitgediept. Hijzens onderzoek beslaat het tijdvak van de opkomst en de ondergang van het communisme in Europa. In Nederland is het anticommunisme relatief sterk geweest. Een onbeantwoorde vraag blijft in hoeverre dit anticommunisme de acceptatie van de diensten door politiek en samenleving heeft vergemakkelijkt. Al met al had de studie aan diepgang gewonnen als meer analytische structuur in het menings- en beeldvorming was aangebracht.

Ook al is het nog wachten op de openstelling van de BVD-archieven, Hijzens rijke studie maakt het nu al mogelijk wezenlijke vragen over het functioneren van de onderzochte veiligheidsdiensten in de vorige eeuw te stellen. Dit is zonder meer een wetenschappelijke en maatschappelijke verdienste.