Charlottesville (Virginia), 12 augustus 2017. Diverse rechts-extremistische, racistische groepjes houden een optocht in de doorgaans rustige universiteitsstad. Medestander James Fields rijdt met zijn wagen progressieve tegenbetogers overhoop. Bilans: een dode en ettelijke gewonden. Motief van de optocht? De plannen om een standbeeld weg te halen van Robert E. Lee, de bekende generaal van de Confederatie tijdens de Amerikaanse burgeroorlog. Meteen lokt het incident in tal van andere landen – onder meer in België – vurige debatten uit of ook daar de ‘foute’ monumenten, straatnaambordjes en dergelijke uit de publieke ruimte moeten worden verwijderd.

Mocht iemand er nog aan twijfelen dat historisch erfgoed de gemoederen behoorlijk kan verhitten, dan werd hier het bewijs geleverd dat dergelijke kwesties een zeer gevoelige snaar kunnen raken. Deze ‘guerres de mémoires’, zoals de Franse historici Blanchard en Vayrat-Masson het fenomeen hebben genoemd, tonen hoe erfgoed emoties kan losmaken. Met diverse vormen van erfgoededucatie wordt nadrukkelijk aan dit emotieve luik geappelleerd. Onproblematisch is dat niet, hoezeer men er ook vanuit gaat dat hiermee de belangstelling voor het verleden, zeker van jongeren, kan worden gestimuleerd. De vraag stelt zich immers in hoeverre dergelijke inzet van erfgoed – dat een krachtig leermiddel kan zijn – verzoenbaar is met de historisch-disciplinaire benadering die in het onderwijs centraal zou moeten staan. Precies deze problematiek stond centraal in het onderzoeksprogramma ‘Heritage Education, Plurality of Narratives and Shared Historical Knowledge’ dat van 2009 tot 2014 liep aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en waarvan dit boek de selectieve neerslag vormt. Dat Maria Grever en haar collega’s hiermee innovatief werk hebben gedaan, staat buiten kijf. De publieke belangstelling voor het ‘ervaren’ van het verleden mag dan groot zijn, onderzoek naar de verhouding tussen erfgoed en onderwijs bestaat vooralsnog nauwelijks.

In Sensitive Pasts zijn de verschillende studies in drie delen ondergebracht. Het eerste deel spitst zich toe op een theoretische reflectie over de verhoudingen tussen erfgoed enerzijds en de geschiedenis als discipline en als onderwijsmaterie anderzijds. Het tweede luik belicht concrete situaties in musea en op erfgoedsites. Het derde deel, tot slot, buigt zich over de problematiek van erfgoed en onderwijs inzake gevoelige materies, waarbij de Holocaust, de Tweede Wereldoorlog, de Palestijns-Israëlische kwestie en het geweld jegens de Amerikaanse burgerrechtenbeweging aan bod komen. Zoals het laatste onderdeel al laat vermoeden, hebben niet alleen Nederlandse experts aan deze bundel bijgedragen, maar ook specialisten uit Canada, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Israël en Zwitserland. Die internationale casting is een meerwaarde, want uit het boek mag blijken dat zowel de gehanteerde definitie van erfgoed als de verhouding tussen erfgoed en geschiedenis van land tot land aanzienlijk kunnen verschillen. Dit verklaart waarom bijvoorbeeld in de Britse bijdragen eerder ontspannen met die wisselwerking wordt omgegaan, maar in de Verenigde Staten – waar het geschiedenisonderricht in het secundair onderwijs heel wat dichter staat bij de ‘Geschichte als Gedächtnis’ dan bij de ‘Geschichte als Wissenschaft’ – het wantrouwen van de beroepshistorici ten aanzien van het gebruik van historisch erfgoed groot blijft: ik verwijs wat dit betreft naar de revelerende bijdrage van Bruce VanSledright (University of North Carolina). Door het hele boek heen wordt dit spanningsveld bevraagd vanuit het begrippenpaar kritische distantie en multiperspectiviteit, dat in de diverse bijdragen wat meer theoretisch of, vaker, eerder praktisch, in concrete situaties, wordt uitgewerkt. De impact van de ‘critical heritage studies’, die erfgoed niet langer zien als een per definitie eenduidig gegeven, maar als een permanent te construeren en dus als een veranderlijk of meerduidig fenomeen, laat zich daarbij meermaals gevoelen.

Het is opvallend dat in tal van bijdragen het woord trigger frequent terugkomt. Door direct contact met erfgoedobjecten, sites en dies meer, komt er een ‘immersive experience’, is er een ‘thrill of touch’, die educatieve verantwoordelijken (leraren uiteraard, maar zij zijn zeker niet de enige spelers in het veld) steeds vaker gaan gebruiken om een leerproces met betrekking tot het verleden op gang te brengen. In de bijdragen in dit boek wordt ervoor gepleit deze mensen beter dan tot nu toe het geval was te leren de affectieve respons te hanteren die deze ervaringen uitlokken. Het is opvallend dat daarbij niet zozeer wordt gemikt op het steevast inzetten op distantie, veeleer wil men gevoelens van empathie of zelfs woede en verontwaardiging een plaats te geven in een nauwkeurig voorbereid leerproces. Daarbij toont zich duidelijk een tendens om af te zien van een directieve aanpak, waarbij één uitleg van of één antwoord op de betreffende vraag wordt vooropgesteld – wat niet zelden fout afloopt. De niet-directieve aanpak, waarbij de multipliciteit van perspectieven binnen een groep tot zijn recht kan komen, leidt tot interessantere resultaten. Uit meerdere bijdragen in dit boek blijkt dat zelfs voor gevoelige thema’s – steevast duiken daarbij de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust, het Nabije Oosten, het kolonialisme en de slavernij op – conflictsituaties niet fataal hoeven te zijn. Ook in cultureel diverse stedelijke klascontexten is dit een haalbare kaart, zoals een opmerkelijke studie (ze spreekt de verwachtingen hieromtrent immers tegen) over een Haagse klas aantoont. Zelfs wanneer sterk geprofileerde nationale identiteiten als de Israëlische en de Palestijnse zich in één verband bevinden – ik verwijs hier naar de bijdrage van Tsafrir Goldberg – kan de omgang met een delicaat verleden op een niet-confronterende wijze gebeuren, zonder dat daarvoor de nationale identificaties van de lerende participanten worden genegeerd. Een van de voorwaarden daarvoor is dat dit met een aangepaste en vooral empathische educatieve insteek gebeurt. Sensitive Pasts maakt evenwel ook duidelijk dat niet alles over rozen gaat. Zo wijst de bijdrage over het omgaan met emotie in Britse musea en erfgoedsites erop dat er een sterke weerstand kan bestaan tegen boodschappen die op oncomfortabele aspecten van het nationale verleden wijzen. Dat was bijvoorbeeld het geval tijdens de Britse expo van 2007 over de geschiedenis van de slavernij: veel bezoekers wilden enkel hun gunstige premissen bevestigd zien en hanteerden allerhande strategieën om de onprettige aspecten te vermijden. Alexandra Binnenkade wijst in haar bijdrage over de omgang met de geschiedenis van de burgerrechtenbeweging in de VS op de mogelijkheid van een vals multiperspectivisme waarbij alles uiteindelijk toch binnen één enkele ‘nationale parabel’ wordt gewrongen, in dit geval de Amerikaanse ‘success story’.

Hoewel dit boek natuurlijk een academische uitgave is, is het niet alleen voor academici van belang. Het reflectieve aspect van de verschillende bijdragen, maar nog meer de praktische en concrete insteek van meerdere van de hier gebundelde studies, maken dat het ook voor mensen uit het werkveld – leraren, maar ook mensen die werken in de erfgoedsector – inspiratie kan bieden. Dit geldt zowel voor de mogelijke ‘good practices’ die men hier geanalyseerd ziet als de reële valkuilen die het educatief gebruik van erfgoed tot een hachelijke onderneming kunnen maken.