Slechts weinigen kennen de naam van Paul-Gustave van Hecke. Toch was hij een eeuw geleden alomtegenwoordig in de Vlaamse mode, literatuur en kunst. Zijn biograaf Manu van der Aa typeert hem in de ondertitel van Tatave! als ‘kunstpaus – modekoning – salonsocialist’, maar je kunt de flamboyante Van Hecke net zo goed cultureel ondernemer avant la lettre noemen. Tussen 1906 en 1940 zette hij een eindeloze lijst nieuwe culturele tijdschriften, uitgeverijen, exposities, festivals en andere culturele evenementen in gang. Van Hecke keek daarbij nadrukkelijk naar wat er in de rest van Europa gebeurde en had als een van de eersten oog voor nieuwe stromingen als het surrealisme en dada. Zijn bemoeienis maakte de Belgische cultuur dynamischer en internationaler, omdat hij achter de schermen niet alleen als initiator, financier en gangmaker fungeerde, maar ook voortdurend nationale en internationale verbindingen legde tussen kunstenaars en schrijvers die elkaar zonder zijn inbreng minder gemakkelijk hadden gevonden. Toch mislukte er ook veel. Van Heckes rusteloosheid, nonchalance en ideologische draaikonterij zorgden ervoor dat veel samenwerkingen voortijdig strandden, in ruzies eindigden of op niets uitliepen.

Van Hecke is een typische coulissen-figuur, iemand die grotendeels achter de schermen van het kunstbedrijf opereerde. Dit zien we de laatste jaren vaker, biografieën gewijd aan obscure, maar kleurrijke bemiddelaars die vooral interessant zijn omdat ze de opkomst en bloei van meer bekende tijdgenoten faciliteerden. Koen Hilberdinks recente biografie van de excentrieke uitgever en mecenas Johan Polak is daarvan een voorbeeld (J.B.W.P. Het leven van Johan Polak. Van Oorschot, 2017), net als het boek dat Wil Heezen en Paul van de Laar wijdden aan de zonderlinge havenbaron die Gerard Reve ondersteunde (Ludo Pieters 1921–2008. Rode havenbaron, mecenas en vriend van Gerard Reve. Thoth, 2011). Ook Sjeng Scheijens Sergej Diaghilev. Een leven voor de kunst (Bert Bakker, 2010) past in dit rijtje. Interessant aan dit soort biografieën is het inzicht dat ze geven in het grote netwerk van dit type bemiddelaars en in de handige manier waarop die hun contacten inzetten. Ook binnen de wetenschap is er de laatste jaren aandacht voor de manier waarop internationale culturele netwerken functioneren en voor de rol die bemiddeling en sociabiliteit daarbij spelen – zie bijvoorbeeld, in Belgische context, Christophe Verbruggen, Schrijverschap in de Belgische belle époque: een sociaal-culturele geschiedenis (Vantilt, 2009) of, breder, Daniel Laqua’s The Age of Internationalism and Belgium, 1880–1930: Peace, Progress and Prestige (Manchester University Press, 2013).

Van der Aa schreef met Tatave! een biografie die de oplettende lezer veel kan leren over de manier waarop invloedrijke netwerkers als Van Hecke opereerden. Hoe veroverden dit soort spelers een plek in het culturele veld van hun tijd, en welke strategieën gebruikten ze om zich te positioneren? Van der Aa stelt deze vragen echter nergens expliciet. Hij beschrijft Van Heckes Werdegang consequent van de buitenkant, zonder veel aandacht voor de achterliggende motieven en belangen, en ook zonder echte poging tot duiding van Van Heckes gedrag. Van der Aa’s opsommingen zijn feitelijk, vlot en vaardig, en zijn tempo ligt hoog. We komen tot in detail te weten wat Van Hecke van jaar tot jaar deed, en met wie en hoe, maar de biograaf diept weinig uit en laat ons gissen naar het waarom. Ook in contextualiseren is hij niet heel sterk; de lezer zoekt vergeefs naar inbedding van Van Heckes initiatieven in een bredere context. Zo lezen we het een en ander over Van Heckes succesvolle modehuis ‘Norine’, maar blijft het onduidelijk hoe de reputatie en positie van dat bedrijf zich verhield tot soortgelijke modehuizen in België en daarbuiten. Gelukkig levert Van der Aa’s minutieuze oog voor detail meer dan genoeg interessants op. Het is daarom voor de oplettende lezer niet moeilijk eigen conclusies te trekken over de manier waarop Van Hecke te werk ging. Tatave! toont op bijna elke bladzijde dat Van Heckes opportunisme loonde, net als zijn sluwheid, veerkracht, kameleontisch gedrag, de bereidheid om het roer desnoods zesmaal om te gooien, en het vermogen te vertrouwen op toeval en intuïtie. Ook de kunst om de juiste mensen te kiezen (en weer te laten vallen) leverde Van Hecke veel op, net als zijn geloof in de kunst die hij ondersteunde en zijn bereidheid enorme hoeveelheden tijd, energie en geld in zijn ideeën te investeren.

Daarmee voldoet deze vooroorlogse cultureel ondernemer prachtig aan het profiel van de ideale cultural entrepreneur dat econoom Arjo Klamer in 2011 opstelde (‘Cultural entrepreneurship’, Review of Austrian Economics, 2011). Succesvolle cultureel ondernemers, stelt Klamer, hebben een fijne neus voor kansen, zijn creatief (ook in de manier waarop ze die creativiteit marketen en financieren), stellen inhoud boven geld, en zijn meesters in het engageren en enthousiasmeren van anderen. Wat het verhaal over Van Hecke interessant maakt, is dat we nu ook eens de achterkant van deze gedrevenheid in beeld krijgen. Tatave! laat terloops, maar tot in detail zien hoe succes óók afhangt van ellebogenwerk, berekening, in- en uitsluiting, kliekjesvorming en het al dan niet doelbewust aansturen op brouilles en escalaties. Dat in het geval van Van Hecke ook drank, cocaïne, vrouwen, luxe hotels en snelle auto’s in het spel waren, maakt het verhaal des te interessanter. Ook zijn rusteloze wispelturigheid valt op: zodra een onderneming op poten stond, verloor Van Hecke zijn belangstelling, gaf de zaak in andermans handen en ging op zoek naar nieuwe uitdagingen.

Tatave! heeft, concluderend, veel te bieden aan onderzoekers die geïnteresseerd zijn in de praktijk van vooroorlogse culturele netwerkvorming en internationale uitwisseling. Ook de lezers die meer willen weten over de rol die geld in deze periode in de kunstwereld speelde, komen aan hun trekken: Van der Aa bracht tal van gegevens bijeen over de financiële dynamiek tussen kunstenaars enerzijds en hun opdrachtgevers en ondersteuners anderzijds. Tatave! laat daarnaast mooi zie hoe de velden van literatuur en beeldende kunst in de jaren voor en vlak na de Tweede Wereldoorlog met elkaar verweven waren. Bovenal geeft deze biografie, voor wie goed leest, een prachtig inkijkje in de dagelijkse praktijk van ondernemend kunstenaarschap in een periode waarin de kunsten volop in beweging waren.