Generaal Jan van Swieten is in 1873 al geruime tijd met pensioen als hij ‘uit de mottenballen’ wordt gehaald om een belangrijke operatie te leiden: de tweede Atjeh-expeditie. De bootreis verloopt dramatisch, omdat de bemanning door cholera wordt geplaagd. De militairen sneuvelen tijdens de expeditie in grote getalen door ziekte, vochtig klimaat en vermoeidheid. ‘We beogen slechts de vreedzame onderwerping aan het Nederlandse gezag,’ schrijft Van Swieten wanhopig in een brief aan sultan Mahmud Syah. Maar de boodschapper die de brief bezorgt, wordt gedood en het ‘vredesvoorstel’ blijft onbeantwoord. De Atjehers plegen heftig verzet en lijden zware verliezen. Als de sultan plots komt te overlijden, neemt Van Swieten – een man die bekend staat om zijn moderne, humane opvattingen – een fatale beslissing. Hij verklaart het Atjehse sultanaat af te schaffen en plaatst het land onder direct Nederlands bestuur. Dit is het begin van een van de bloedigste episodes in de Nederlandse geschiedenis. Van Swietens beslissing staat symbool voor een zich herhalend patroon in Anton Stolwijks Atjeh: een door westers superioriteitsgevoel geschraagde gezagvoering die zich militair probeert te meten met inheems verzet, maar op onnozele wijze stukloopt op cultureel-sociaal en politieke misinterpretatie. Met alle rampzalige gevolgen van dien.

‘Hoe de Nederlanders kwamen en gingen en wat ze achterlieten,’ luidt de ondertitel van dit boek. De Atjeh-oorlog is met recht een van Nederlands grootste en bloedigste oorlogen overzee genoemd. En Atjeh bleef verzet bieden: van 1873 tot aan 1942 was er af en aan oorlog met Nederland. Stolwijk stelt dat ‘Atjeh’ een oorlog is die geen deel uitmaakt van het Nederlands nationaal geheugen. Die stelling raakt meteen aan het publieke debat waarin de omgang met dat koloniale verleden weer stevig is opgelaaid. In het licht van het recent gestarte onderzoek Dekolonisatie, geweld en oorlog 1945–1950 door de instituten KITLV, NIOD en NIHM is het opmerkelijk dat de oorlog tegen Atjeh in Nederland slechts weinig verontwaardiging heeft losmaakt. Literair wetenschapper Paul Bijl (UU en KITLV) liet in zijn proefschrift Emerging Memory zien dat de foto’s van gedode Atjeeërs tijdens de bloedige expeditie van overste Van Daalen in de Gayolanden van 8 februari tot 23 juli 1904 al sinds dat jaar ruimschoots in omloop waren, maar dat de foto’s steeds opnieuw werden ‘ontdekt’. Het was uiteindelijk de foto van geëxecuteerde Indonesiërs tijdens de onafhankelijkheidsoorlog – in 2012 gepubliceerd door deVolkskrant – die voor grote, landelijke commotie zorgde. Maar ook in de discussies over racisme en slavernijverleden, naar aanleiding van de recente gebeurtenissen in het Amerikaanse Charlottesville, blijft Atjeh buiten de schijnwerpers. Waar Volkskrant--commentator Martin Sommer het ‘geringe’ Nederlandse aandeel in de slavenhandel recentelijk als ijkpunt nam om de historische parallel met de Amerikaanse slavernijgeschiedenis te ondergraven, schrijft Stolwijk over officier Van Rees in de Atjeh Oorlog, die Afrikaanse rekruten – vaak voor dit doel vrijgemaakte slaven – als apen en honden liet africhten, waarna ze ‘tot mens en daarna tot soldaat’ konden promoveren. De discussie in Amerika, maar evengoed in Nederland, gaat niet over standbeelden, nationale helden of de hoeveelheid verscheepte slaven, maar over een historisch gewortelde ongelijkheid die onvoldoende is geadresseerd.

Anton Stolwijk, die langdurig onderzoek deed in Atjeh en in Nederland, schreef in zesentwintig korte hoofdstukken een beeldend, verhalend en empathisch boek over Atjeh. Hij sprak met getuigen, raadpleegde archieven en literatuur en integreerde een journalistiek reisverslag met historische gebeurtenissen. Zo ontstaat een rijke introductie van het hedendaagse Atjeh, het koloniale verleden en de plaats die Atjeh inneemt de koloniale herinnering. Het is zo’n boek, waarvan je je afvraagt waarom er niet veel meer van zijn geschreven. Niet alleen de Atjeh-oorlog, maar ook de Java-oorlog of de Lombok-expeditie verdienen een boek zoals Stolwijk schreef. Stolwijk laat meerdere werelden zien, van toen en nu, van hier en daar, maar ook die van Jan Soldaat, generaal Van Heutsz en verzetsheldin Cut Nyak Dhien. Het boek vult het kader dat journalist Paul van ’t Veer in 1969 al over de Atjeh-oorlog had neergezet verder in met de ervaringen en verhalen van ‘gewone’ mensen. Het centraal zetten van Atjeh en zijn inwoners geeft een ander perspectief op de geschiedenis. Zo staat Christiaan Snouck Hurgronje in Atjeh niet als Islam-kenner in de schoolboeken beschreven, maar juist als verrader van de islam: ‘Hij deed zich voor als moslim en kon zo alle Atjehse geheimen doorspelen naar de koloniale bezetters. Hij was de beste spion van Nederland.’ Maar tegelijkertijd geeft ook het lokale perspectief soms ruimte aan het reproduceren van stereotypen. Zo werden de bloedige strooptochten van overste Van Daalen vanaf de andere kant beschouwd als een heilige oorlog waarvoor men de beste kleren uit de kast trok, aldus Pak Ali. ‘Sommige Tampengers waren bang,’ zegt hij over de gebeurtenissen in zijn dorp destijds. ‘Maar de meesten waren blij. Sneuvelen tegen de Hollanders betekende immers directe toegang tot het paradijs – vandaar die mooie kleren.’ Historicus David Kloos (KITLV) gaat in zijn recent verschenen boek Becoming Better Muslims (Princeton) juist in tegen de simplistische beeldvorming van de Atjeher als fanatieke, diepreligieuze strijder. Stolwijk werpt geen nieuw licht op de Atjeh-oorlog, maar het vertellen over die oorlog vanuit verschillende perspectieven is belangrijk voor een beter begrip van zowel koloniaal geweld als van het hedendaagse Atjeh.

Stolwijk had geen ambitie een militaire geschiedenis van de Atjeh Oorlog te schrijven zoals militair historicus Martijn Kitzen in zijn recent verschenen proefschrift Oorlog onder mensen deed, of om de lange termijngevolgen te onderzoeken, maar het boek blijft op dat vlak nu wel wat steken. Stolwijk vertelt bijvoorbeeld over een ontmoeting die hij heeft met een voormalige guerrilla van de GAM, een onafhankelijkheidsbeweging die streed tegen het Indonesische leger. De oud-strijder maakte een verbinding tussen het Indonesische leger en wat hij zag als de agressie van Javanen tegen dorpelingen binnen het Nederlandse Korps Marechaussee tijdens de Atjeh Oorlog. Stolwijk noemt in dit verband de Atjeh-oorlog een veenbrand: ooit aangestoken, en steeds duiken er weer vlammen op. Maar het zou niet slecht zijn geweest als Stolwijk wat dichter bij dat vuur was gaan zitten. Hoe werkte de geweldspiraal in Atjeh door in de vorming van het onafhankelijke Indonesië en daarna? Wat waren daarin de belangrijke historische en militaire schakelpunten? Wat was de erfenis van de Nederlanders nu werkelijk?

Een van de weinige tastbare overblijfsel uit de begindagen van de Atjeh-oorlog – toen Generaal Van Swieten zijn fatale beslissing nam – bevindt zich in de voortuin van de Atjese inwoonster Ibu Irina. Een steen waarop de namen van tien gesneuvelde Nederlandse militairen staan, bevindt zich midden op de oprit, schrijft Stolwijk, ‘maar voldoet prima om de was op te drogen of een fiets tegen te stallen.’ Niet alleen in Nederland is de Atjeh-oorlog een verre stem uit het verleden, ook in Atjeh zelf moest Stolwijk diep graven. Toch bracht hij die stemmen naar de oppervlakte en schreef hij een boek dat niet alleen een belangrijke aanvulling is op de al bestaande literatuur over Atjeh, maar ook een actuele stem vertolkt in het debat over kolonialisme.