Gouden Eeuwen wil een breed toegankelijke synthese bieden van drie decennia historisch onderzoek naar het stedelijke netwerk in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne Lage Landen. Op overtuigende wijze beargumenteren de redacteurs, Anne-Laure Van Bruaene, Bruno Blondé en Marc Boone, hun keuze voor een lange periode die zich uitstrekt van de eerste sterke urbanisatiegolf in de elfde eeuw, tot de scheiding van de Noordelijke en Zuidelijke gewesten ten gevolge van de Nederlandse Opstand aan het einde van de zestiende eeuw. Lovenswaardig is ook dat deze bundel niet één stad of vorstendom centraal stelt, maar dat er uitdrukkelijk is gekozen voor een thematische en comparatieve aanpak, die bovendien verder gaat dan de klassieke thematische assen politiek, economie, sociaal en cultuur. De recente inhoudelijke en methodologische verruiming binnen het domein van de stadsgeschiedenis verklaart de terechte keuze voor thema’s als de vorming van seculiere en religieuze identiteiten (hoofdstuk 3 en 4), de ruimtelijke dimensie van premoderne steden (hoofdstuk 5), de ontwikkeling van consumptiepatronen en de materiële cultuur (hoofdstuk 6), en de individuele en maatschappelijke impact van opleidingsmogelijkheden en vormen van kennisverspreiding (hoofdstuk 7). Het hoeft geen betoog dat Gouden Eeuwen vanwege deze brede waaier aan thema’s een breed publiek kan aanspreken en inspireren.

De zeven hoofdstukken zijn telkens door meerdere auteurs geschreven en blijven zonder uitzondering trouw aan de opzet van de bundel. Dat uit zich onder meer in de heldere definiëring en problematisering van de aangehaalde historiografische hypotheses en concepten, die wellicht weinig bekend klinken in de oren van een niet gespecialiseerd publiek. Zo wordt ruim aandacht besteed aan de New Institutional Economics (hoofdstuk 1); het civilisatieproces (hoofdstuk 3) en the spatial turn (hoofdstuk 5), en worden ook relevante begrippen als het West-Europese huwelijkspatroon (hoofdstuk 2) en civic religion (hoofdstuk 4) consequent geduid en genuanceerd. Een kanttekening hierbij is dat de auteurs onderling al bij al weinig met elkaar in dialoog gaan, hoewel dat in de inleiding wel wordt aangekondigd (19). Nadrukkelijkere verwijzingen naar de inhoudelijke complementariteit van de hoofdstukken zou de samenhang van de bundel ten goede zijn gekomen. Zo was het gebruik van de stedelijke publieke en meer gespecialiseerde ruimtes, zoals de marktplaatsen, hallen en belforten (hoofdstuk 5), nauw verbonden met politieke en institutionele ontwikkelingen enerzijds (hoofdstuk 2 en 3), en met bredere cultureel-religieuze en materiële evoluties anderzijds (hoofdstuk 4, 6 en 7). De interne dynamiek van de stedelijke samenleving die zo centraal staat in deze bundel, kristalliseerde zich immers in grote mate rondom de ‘publieke gebouwen of plekken in de stad die aan bepaalde collectieve waarden uitdrukking gaven’ (233). Maar ook de materiële cultuur – en vooral kledij – die in het zesde hoofdstuk uitgebreid aan bod komt, belichaamde de verschuivende machtsrelaties en politieke, culturele en sociale identiteiten.

Een tweede constante in Gouden Eeuwen is de eerdergenoemde nadruk op de steeds wisselende verhouding tussen de verschillende belangengroepen binnen de stedelijke samenleving. Vanuit de bekommernis van de stedelijke middengroepen om hun economische, sociale en politieke belangen, is het wellicht weinig verwonderlijk dat zij in nagenoeg alle hoofdstukken voor het voetlicht worden gebracht. Het waren immers de middengroepen die zich in de loop van de dertiende eeuw corporatief begonnen te organiseren door middel van ambachtsgilden, broederschappen en culturele verenigingen, zoals rederijkerskamers, en die vanaf de Late Middeleeuwen politieke inspraak konden verwerven. Het waren ook de ambachtslieden, handelaars en al dan niet politiek actieve poortersfamilies die zich in de loop van de vijftiende en zestiende eeuw een materiële cultuur toe-eigenden die refereerde aan de hoog in het vaandel gedragen burgerlijke cultuur, waarden en omgangsvormen. Ten slotte waren het ook deze corporatief georganiseerde stedelingen die de meeste bronnen hebben nagelaten over de juridische, politieke, sociaaleconomische en cultureel-religieuze dynamieken die het stedelijk leven in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne Lage Landen vormgaven. Toch hebben de auteurs van de bijdragen in deze bundel allerminst voor de gemakkelijkheidsoplossing gekozen. Waar de bronnensituatie het toestaat, besteden zij aandacht aan genderverschillen en de moeilijkheden waarmee minder gegoede stedelingen werden geconfronteerd. Zo komt in het tweede hoofdstuk niet alleen het zogenaamde koopvrouwstatuut aan bod, maar ook de relatief beperkte zorgvoorzieningen voor arme mannen en vrouwen. Verder vertellen de auteurs van het zesde hoofdstuk een genuanceerd verhaal waarin de materiële cultuur in essentie wordt gepercipieerd als een spiegel voor, want versterker van verschuivende sociale ongelijkheden en mechanismen van in- en uitsluiting volgens sociale klasse, politieke en religieuze macht, en gender.

Ongetwijfeld verklaart het gebrek aan bronnenmateriaal het gegeven dat de klemtoon in Gouden Eeuwen – hoewel de ondertitel van de bundel anders doet vermoeden – vooral op de Late Middeleeuwen en de vroegmoderne periode ligt, terwijl de twaalfde en dertiende eeuw vaak naar de achtergrond worden verwezen. In het vierde hoofdstuk (‘Civic Religion’) worden de twaalfde-eeuwse ketterijen bijvoorbeeld slechts in de marge genoemd, hoewel zij een rol hebben gespeeld in de latere ontwikkeling van de begijnenbeweging en bedelordes. Ook in de laatste twee hoofdstukken blijft de laatmiddeleeuwse periode grotendeels buiten beeld. Daarnaast valt op dat de verschillende hoofdstukken ook de geografische belofte van de titel niet helemaal waarmaken. Eén blik op het plaatsnamenregister (339–344) verraadt meteen een overwegend Zuid-Nederlandse blik die focust op steden als Antwerpen, Brussel, Brugge en Gent, en die slechts zijdelings aandacht heeft voor stedelijke centra in het noorden, zoals Amsterdam, Zwolle, Utrecht en Gouda. Toegegeven, in de inleiding en het eerste hoofdstuk komt de impact van de economische dynamiek op de ontwikkeling van het noordelijke en het zuidelijke stedelijk netwerk aan bod, terwijl in het vierde hoofdstuk aandacht wordt besteed aan het typisch noordelijk fenomeen van de Moderne Devotie. Dit neemt echter niet weg dat een lezer die benieuwd is naar de mogelijk grote regionale verschillen en gelijkenissen betreffende samenlevingsstructuren (hoofdstuk 2), politieke organisatie (hoofdstuk 3), stedelijke infrastructuur (hoofdstuk 5), materiële cultuur (hoofdstuk 6) en scholingsgraad (hoofdstuk 7) grotendeels op zijn honger zal blijven zitten.

Maar wellicht is honger in dit geval gewoon de beste saus. Gouden Eeuwen verdient bovenal lof, omdat de bundel een weinig gecompliceerde, ook voor leken behapbare synthese biedt, met aandacht voor de belangrijkste onderzoeksthema’s, concepten en hypotheses binnen het domein van de stadsgeschiedenis. Bovendien zullen studenten en onderzoekers door de uiteenlopende onderwerpen die in de hoofdstukken zijdelings of primair aan bod komen, worden geïnspireerd tot aanvullend onderzoek. Vanwege de geografische en historische focus van de bundel, is het nu vooral uitkijken naar comparatieve studies waarin de evolutie en dynamiek van het stedelijke netwerk in de Lage Landen (1100–1600) nog nadrukkelijker wordt vergeleken met de evolutie en dynamiek van andere sterk geürbaniseerde regio’s binnen en buiten West-Europa.