Inleiding

Op dinsdag 13 januari 1478 verwelkomde een uitgebreide Antwerpse delegatie Maximiliaan van Oostenrijk (1459-1519) plechtig in de Scheldestad. Het was vijf maanden na Maximiliaans huwelijk met Maria van Bourgondië (1457-1482), de erfdochter van de Bourgondische Nederlanden.2 Zoals in de laatmiddeleeuwse Nederlanden gebruikelijk was, stond tijdens dit eerste officiële bezoek van de nieuwe vorst, diens zogenoemde Blijde Intrede, de wederzijdse eedaflegging centraal waarmee vorst en onderdanen hun contract bezegelden.3 Het belang en het haast sacrale karakter van deze officiële eedafleggingen blijkt onder meer uit de podia die voor dergelijke ceremonies werden gebouwd in betekenisvolle publieke ruimtes in of nabij de ontvangende stad. Zo bouwden de Antwerpenaars in 1478 net buiten de Sint-Jorispoort een ‘outaer’ of altaar-achtig podium, waar Maximiliaan van Oostenrijk de eed aflegde ‘volgens de oude gewoonte’.4 Typisch voor deze periode waren ook de talrijke podia en triomfbogen die in de stad waren opgesteld langs de route naar de Grote Markt, waarop symbolische scènes uit de Bijbel, de Brabantse geschiedenis en de Klassieke Oudheid werden uitgebeeld. Vanwege de stille en statische manier van uitbeelden, worden deze ‘levende schilderijen’, die ook tijdens andere publieke vorstelijke dan wel stedelijke feesten werden georganiseerd, tableaux vivants genoemd. In de loop van de vijftiende eeuw groeiden de Blijde Intredes van de Bourgondische hertogen uit tot spectaculaire publieke rituelen, waarmee de ontvangende steden niet alleen indruk wilden maken op de vorsten en hun hofhouding, maar ook op de eigen bevolking en die van naburige steden.5

Historici zijn het er tegenwoordig over eens dat tijdens deze intredes bovendien niet alleen de vorst en de stad, maar ook de stedelijke belangengroepen met elkaar in dialoog traden.6 De deelnemende ambachten konden bijvoorbeeld uiting geven aan hun eigen sociale positie en hun politieke ambities aan de hand van opvoeringen van specifieke scènes in symbolisch geladen ruimtes in de stad.7 Contemporaine beschrijvingen van Blijde Intredes in de Nederlanden zijn daardoor gedroomde bronnen voor historici die inzicht willen verwerven in de culturele vertaling van de dagelijkse politieke praktijk en dynamiek in laatmiddeleeuwse steden. Daarnaast bieden deze verslagen een unieke inkijk in de impact van brede culturele verschuivingen en evoluties. Zo verklaart de invloed van het humanisme wellicht dat de ontwerpers van tableaux vivants tijdens intredes in de zestiende eeuw een grotere belangstelling hadden voor exempla uit de klassieke oudheid, terwijl de opvoering van scènes uit het eigen stedelijk dan wel hertogelijk verleden veelzeggend kan zijn over de al dan niet orale lokale oorsprong en verbreiding van in kronieken vereeuwigde legendes en verhalen.8 Ondanks de onmiskenbare verdiensten van een historische, kunsthistorische of letterkundige benadering van de Blijde Intredes in de laatmiddeleeuwse Nederlanden, pleiten we in dit artikel voor een nog meer exhaustieve aanpak, die rekening houdt met enerzijds de bewaar- en ontstaanscontext van de teksten en de verschillende kennistradities waaruit is geput, en anderzijds de sociale en politieke setting van de intrede zelf.

Eerste folio van de beschrijving van de Blijde Intrede van Maximiliaan van Oostenrijk in Antwerpen. De heldere indeling in aparte paragrafen die beginnen met Item is kenmerkend voor de beschrijving. ©Rijksarchief te Luik, Archief van de familie Mercy-Argenteau, inv. nr. 4026 f. 3r.

In dit artikel staat de eerdergenoemde Antwerpse Blijde Intrede van Maximiliaan van Oostenrijk op 13 januari 1478 centraal, die misschien niet als de oudste, maar tot op heden wel als de gedetailleerdste overgeleverde contemporaine beschrijving geldt van een vorstelijke intrede in het middeleeuwse hertogdom Brabant. Vanwege de grote historiografische relevantie van deze bron, geven wij de tekst in de bijlage van dit artikel integraal uit. Eerder eigen onderzoek stond ons niet alleen toe om deze beschrijving te contextualiseren aan de hand van een vergelijking met diverse verhalende en administratieve bronnen uit dezelfde periode, maar ook om onderbouwde uitspraken te doen over het sociale profiel van de anonieme auteur en over de interpretatiemogelijkheden van de opgevoerde klassieke, historische en religieuze thema’s. Uit deze combinatie van een reconstructie van de ontstaanscontext enerzijds en een dieptelezing van de bron anderzijds blijkt in de eerste plaats dat inauguratieceremonies in het hertogdom Brabant wezenlijk deel uitmaakten van het politieke besluitvormingsproces. De talrijke tableaux vivants, triomfbogen, processies, toneelspelen en stadsversieringen waren veel meer dan vehikels voor vorstelijke of stedelijke propaganda, veel meer ook dan louter instrumenten voor het communiceren van een politieke status quo. Kenmerkend voor de laatmiddeleeuwse politieke besluitvorming was immers de betekenisvolle relatie tussen enerzijds datgene wat de vorsten en stedelijke belangengroepen percipieerden als het publieke belang, en anderzijds de publieke ruimtes waarin evenementen plaatsvonden waarop beide partijen met elkaar en onderling in dialoog konden gaan.9 In dit artikel betogen wij dat Blijde Intredes in de Bourgondische Nederlanden net daarom de directe aanleiding waren voor politieke discussies tussen de vorsten en de stedelijke elites, en tussen de stedelijke belangengroepen onderling.

Blijde Intredes als communicatiemiddel

De communicatieve functie van de plechtige rituelen, opvoeringen en processies die tijdens de Bourgondische en Habsburgse Blijde Intredes werden georganiseerd, hebben al menig historicus geïntrigeerd. Hugo Soly zette de toon in 1980 met een baanbrekend artikel over de intredes in de Zuidelijke Nederlanden van de veertiende tot en met de zestiende eeuw. Hij analyseerde deze ceremonies overwegend als door de vorsten en hun hofhouding van bovenaf geregisseerde publieke rituelen, en argumenteerde dat die vorstelijke inauguratieceremonies gaandeweg van karakter veranderden. Traden de Bourgondische vorsten nog in dialoog met hun onderdanen, dan bleven de Habsburgse Blijde Intredes volgens Soly beperkt tot een spectaculaire vorm van vorstelijke propaganda, waarvoor de stedelijke publieke ruimte slechts als decor diende. De stedelijke bevolking was daarbij nauwelijks actief betrokken. In de vroegmoderne periode zou zelfs het propagandistische karakter van de intrede naar de achtergrond verschuiven en bleef enkel de sensationele functie over.10

Vanuit een vergelijkbare redenering beschouwden Wim Blockmans en Walter Prevenier het concept theaterstaat toepasbaar voor de Bourgondische Nederlanden.11 In hun overzichtswerk uit 1983 argumenteerden zij explicieter dan Soly dat de ‘Bourgondische bombarie (...) in politieke termen (...) in het algemeen het winnen van loyaliteit voor de machthebbers tot doel (had)’.12 Zij stelden bovendien dat de Bourgondische vorsten via de pracht en praal van publieke ceremonies niet alleen de stedelijke onderdanen wilden imponeren, maar ook indruk wilden maken op andere West-Europese machthebbers.13 Belangrijk is hier vooral dat Blockmans en Prevenier de stedelijke samenleving een weinig actieve rol toedichtten. De rol van de ontvangende steden was volgens hen grotendeels beperkt tot het toeschouwen en doorgaans ook tot het betalen van de festiviteiten en ceremonies.14

Deze toepassing van het concept theaterstaat bleef in de afgelopen decennia niet zonder kritiek of nuance. Zo toetste Peter Arnade de bruikbaarheid van het concept in zijn baanbrekende studie naar de Blijde Intredes in het laatmiddeleeuwse Gent. Arnade argumenteerde dat de Bourgondische publieke ceremonies – van vorstelijke inauguraties, huwelijken, geboortes en begrafenissen via schutterswedstrijden en toernooien tot kapittels van de Orde van het Gulden Vlies – bovenal als efficiënte communicatiemiddelen functioneerden, waarmee de vorsten en de ontvangende steden de onderlinge machtsverhoudingen konden bestendigen. Tijdens Blijde Intredes werd volgens Arnade dus niet alleen de legitimiteit van de nieuwe vorst, maar ook die van de privileges, zowel stedelijk als landelijk, bevestigd.15 Ook Elodie Lecuppre-Desjardin beschouwde de steden in de Nederlanden als actieve deelnemers aan de dialoog tussen de Bourgondische vorsten en hun onderdanen, waarbij deze laatsten vooral bezorgd waren over de bescherming van de lokale privileges. Via het organiseren van optredens in de publieke ruimte konden steden de voorwaarden voor hun loyaliteit aan de nieuwe vorst tot uiting brengen, zodat naast een bevestiging van diens gezag ook de belangen van de stad centraal stonden. De Bourgondische Blijde Intredes weerspiegelden volgens Lecuppre-Desjardin dus de relatie tussen de vorsten en hun onderdanen in een specifieke historische en geografische context.16

Recente studies die uitgaan van de communicatieve functies van de Bourgondische Blijde Intredes zijn in grote mate schatplichtig aan het bovengenoemde onderzoek van pioniers als Blockmans, Soly, Arnade en Lecuppre-Desjardin. Toch hebben deze historici, die vooral Blijde Intredes in Vlaamse steden als Brugge en Gent bestudeerden,17 de neiging om hun conclusies te laten gelden voor intredes in het algemeen, ook in andere vorstendommen in de Nederlanden. Toegegeven, dit heeft ten dele te maken met de ongelukkige bronnensituatie. Van de intredes in de Vlaamse steden zijn, zeker waar het de Bourgondische periode betreft, nu eenmaal de meeste beschrijvingen bewaard gebleven.18 Belangrijker is echter dat het vorstelijk perspectief in deze studies nog vaak domineert en dat de ‘stad’ en de ‘staat’, of ‘vorst’, volgens Andrew Brown en Graeme Small nog te vaak als homogene machtsblokken tegenover elkaar worden geplaatst. Historici houden volgens hen weinig rekening met het gegeven dat de Bourgondische en stedelijke politieke instellingen gefragmenteerd en tegelijkertijd nauw met elkaar verweven waren. Sociaaleconomische en politieke groepen en netwerken overstegen de traditionele hiërarchie, waardoor de belangen van edellieden die stedelijke politieke mandaten hadden niet noodzakelijk lijnrecht tegenover die van de stedelijke middengroepen stonden. Het is volgens Brown en Small bovendien nog maar de vraag of en in hoeverre de Bourgondische vorsten met hun Blijde Intredes een blijvende invloed konden hebben op het dagelijks bestuur op stedelijk niveau, of op de immer verschuivende verhoudingen tussen de verschillende belangengroepen, namelijk de vorst, de adel en de stedelijke elite.19

Blijde Intredes waren specifieke evenementen die stedelingen doorgaans maar één keer in hun leven meemaakten. Brown argumenteerde daarom dat het allicht zinvoller is ‘to regard entries less as tools of state authority and more as rituals designed to negotiate relations between municipal elites and other groups within urban society’.20 Daarnaast maakten Brown en Small een betekenisvol onderscheid tussen Blijde Intredes waarmee een nieuwe vorst werd ingehuldigd en de intredes die plaatsvonden om opstandige steden te verzoenen met, en te onderwerpen aan een vertoornde vorst zoals in Brugge in 144021 en in Gent in 1458.22,23 Tijdens intredes van deze eerste en tweede categorie verschilden de machtsverhoudingen natuurlijk niet alleen tussen de stad en de vorst, of tussen het lokale en het centrale gezag, maar zeker ook tussen de stedelijke belangengroepen. Het is daarom essentieel om zowel de lokale alsook eerder brede politieke en sociaaleconomische context te betrekken in de analyse, en om een onderscheid te maken tussen drie nauw samenhangende aspecten die in onze ogen elke Blijde Intrede in de laatmiddeleeuwse Nederlanden typeren.

In de eerste plaats gaat het bij een Blijde Intrede om een fysieke ontmoeting tussen de vorsten en hun hovelingen enerzijds en de stedelijke bestuurlijke elite en middengroepen anderzijds.24 Bij deze ontmoeting werd de geambieerde politieke positie van de deelnemers op verschillende mogelijke manieren gepresenteerd, gerepresenteerd en vastgelegd. Dit gebeurde, ten tweede, door middel van publieke ceremonies als de wederzijdse eedaflegging, door middel van tableaux vivants en gelijkaardige optredens, en voor de eeuwigheid aan de hand van officiële documenten, zoals charters en rekeningen, en kronieken. Het beoogde publiek overlapte soms, maar was toch telkens anders van aard en steeds bepalend voor de aard en inhoud van de over te dragen boodschappen. De thema’s die op de tableaux vivants aan bod kwamen, waren daardoor afhankelijk van en indicatief voor de machtsverhoudingen binnen de stedelijke samenleving en die tussen het hertogelijke gezag en lokale machthebbers. Ten slotte beschouwen we de Blijde Intredes in essentie als een onderdeel van een politiek onderhandelingsproces tussen vorstelijke hovelingen en ambtenaren aan de ene, en de stedelijke bestuurlijke elite en middengroepen aan de andere kant. Recent onderzoek van Neil Murphy naar vorstelijke intredes in het laatmiddeleeuwse Frankrijk toont bovendien aan dat het ‘onderhandelingskapitaal’ van de stad tijdens deze ceremonies veel groter was dan in normale omstandigheden.25 Dit gold zeker ook voor de laatmiddeleeuwse Nederlanden. Tijdens Blijde Intredes gingen vorsten met hun onderdanen niet alleen een duurzaam verbond aan over de in de Blijde Inkomst vastgelegde privileges, maar onderhandelden zij tegelijkertijd over allerlei andere zaken, met name over belastingen.26 Veel meer dan de meeste historici vermoeden, oefenden de Bourgondische inauguratieceremonies daardoor invloed uit op zowel het dagelijks bestuur op stedelijk niveau, alsook op de machtsverhoudingen tussen de vorsten en hun onderdanen.

Een Antwerpse rederijker aan het werk?

In aanloop naar de Blijde Intrede van Maximiliaan van Oostenrijk op 13 januari 1478 spaarde het Antwerpse stadsbestuur kosten noch moeite om een memorabele inauguratieceremonie te organiseren. Volgens de beschrijving van deze Blijde Intrede (zie de uitgave in de bijlage) reikte het stadsbestuur geldprijzen uit aan wie de vorst het ‘sierlijcxt ende statelijcxt’ (‘prachtigst en statigst’) tegemoet zou rijden en aan de gilden of gezelschappen die ‘de scoonste ende sierlijcxte figueren toonen soude der keyserlijcker croon oft den hertoghe van Brabant aengaende’.27 Maximiliaan was natuurlijk niet alleen de nieuwe hertog van Brabant door zijn huwelijk met erfprinses Maria van Bourgondië, hij was ook de zoon en erfgenaam van de keizer van het Heilige Roomse Rijk, Frederik III (1415-1493). Beide aspecten, namelijk zijn legitieme positie in de opvolgingslijn van de Brabantse hertogen en zijn band met het keizerschap van het Heilige Roomse Rijk, stonden bij de Antwerpse intrede duidelijk centraal. Het stadsbestuur leidde de vorst na de plechtige ontvangst en eedaflegging aan de stadspoorten via rijkversierde straten naar de Grote Markt, waar een tweede eedaflegging plaatsvond in aanwezigheid van de hele Antwerpse samenleving, of ‘alle der ghemente’.28 De volgende dag werden toneelvoorstellingen (‘spele van esbattemente’) opgevoerd, terwijl de straten en pleinen met toortsen werden verlicht.29 Het gegeven dat de auteur een duidelijk onderscheid maakt tussen een eerste en een tweede eedaflegging is hier niet zonder betekenis. Het is immers niet ondenkbaar dat de nieuwe vorst op die manier, net zoals bij de Blijde Intrede van Karel V in Antwerpen in 1515, een eerste eed ‘als mercgreve des Heiligs Rijcx’ kon afleggen en een tweede ‘als hertoge van Brabant’. Bovendien bevestigt ook de aankondiging van het Antwerpse stadsbestuur anno 1478 dat in elk geval de bestuurlijke elite veel waarde hechtte aan de positie van het markgraafschap Antwerpen als keizerlijk leen, waardoor de Brabantse hertogen ook de titel ‘markgraaf van het Heilig Roomse Rijk’ konden toevoegen aan hun uitgebreide titulatuur.30

De gedetailleerde beschrijving van de Blijde Intrede van Maximiliaan van Oostenrijk in Antwerpen bevindt zich op de eerste zes folia van een omvangrijk ambtelijk register waarin stukken zijn opgenomen uit de periode 1451-1554, die betrekking hebben op het hertogdom Brabant.31 Het gaat hier om een gevarieerde collectie constitutionele en normatieve documenten in het Middelnederlands, die door diverse handen zijn geschreven. De juridisch-constitutionele opzet van dit register verklaart allicht dat het verslag van de Antwerpse intrede meteen gevolgd wordt door kopieën van de Blijde Inkomst die Maria van Bourgondië op 29 mei 147732 en Karel V op 23 januari 151533 verleenden. Bovendien dragen ook deze administratieve teksten de titel ‘Bli[j]de Incom[p]st’.34 Dit register bevat, met andere woorden, teksten die verwijzen naar de twee verschillende betekenissen van de term ‘Blijde Inkomst’ in het hertogdom Brabant: een eerste intrede of inhuldiging van een nieuwe vorst, of de door de vorst toegekende privileges.35

De vier ordonnanties voor de Raad van Brabant die in het register zijn opgenomen,36 doen vermoeden dat het register heeft gefunctioneerd binnen deze juridisch-politieke instelling. Daarnaast zien we stukken terug die voor de dagelijkse administratieve praktijk dienden. Voor de hertogelijke kanselarij zijn allerhande convocatielijsten37 opgenomen, naast zogenoemde formulierboeken met instructies over de wijze waarop diverse hoogwaardigheidsbekleders moesten worden aangeschreven. Als de enige narratieve bron met een ‘stedelijke inslag’ in een administratief en constitutioneel register, lijkt de beschrijving van deze Blijde Intrede op het eerste gezicht een vreemde eend in de bijt. Het is zelfs goed mogelijk dat dit volume eerst begonnen was met een meer ‘literaire’ invalshoek, en dat het daarna van functie of karakter veranderde. De inhuldiging van een nieuwe vorst was daarnaast steeds onlosmakelijk verbonden met de privileges die hij of zij tijdens deze inhuldiging bestendigde. De beschrijving van Maximiliaans intrede legt die link zelfs expliciet. Op een stellage voor het stadhuis op de Grote Markt las men de nieuwe vorst namelijk ‘int corte tghene dat onse princesse besworen ende verleent hadde,38 ende dat selve conformoerde hij ooc aldaer in presencien van alle der ghemente [25]’.39

De bewaarcontext van de bron verklaart wellicht ook de droge vertelstijl en de ambtelijke structuur. De tekst is opgedeeld in kleine hoofdstukjes die telkens met het woord Item beginnen. De eerste vier items betreffen de prijsvraag die het stadsbestuur had uitgeschreven. De volgorde van de stoet die de vorst tegemoet reed, wordt vastgelegd in de items [5] tot en met [9]. Vervolgens komt de eigenlijke intrede aan bod, die start bij de eedaflegging buiten de stad bij de molen aan de Steenweg [10]40 – maar zonder overhandiging van de stadssleutels41 – en eindigt bij de vorstelijke verblijfplaats (‘herberghe van den prince’) in de stad met het tafereel van Godried in de Wieg [32].42 Dit was hoogstwaarschijnlijk de ‘eindhalte’ van de intrede, want de tekst sluit vervolgens af met een korte beschrijving van de verlichte stad op de avond van 13 januari en het avondprogramma van de volgende dag ([33] en [34]). Het is merkwaardig dat de eedaflegging door het Antwerpse stadsbestuur (als pendant van de eed van de vorst bij het stadhuis [25]) niet wordt genoemd en dat er evenmin sprake is van acclamatie door het volk. Sterker nog, de eed van Maximiliaan is eerder een intermezzo waarna de intrede wordt voortgezet tot de hertogelijke verblijfplaats is bereikt [32]. De vraag is of en waarom de auteur43 deze vaste elementen van een intrede bewust niet opgenomen heeft.44 Het is niet ondenkbaar dat de auteur de wederkerigheid van de eed tussen de Bourgondische vorsten en hun stedelijke onderdanen te evident vond. Een latere kroniek doet alleszins vermoeden dat de eed wel degelijk heeft plaatsgevonden.45

Pleurants van het praalgraf van Isabella van Bourbon, afkomstig uit de Sint-Michielsabdij in Antwerpen waar het hertogelijk paar vermoedelijk verbleef na afloop van de intrede die daar ook eindigde. Toegeschreven aan de beeldhouwer Reinier van Thienen, 1475-1476. ©Amsterdam, Rijksmuseum, nr. BK-AM-33 (zie http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.437391).

Zowel de ambtelijke bewaarcontext en structuur van de tekst, alsook de vertrouwdheid met een ambtelijke schrijfstijl, suggereren dat de auteur afkomstig was uit administratieve kringen en werkzaam was op of voor het stadhuis. Bovendien kende hij duidelijk de stedelijke en adellijke sociale hiërarchie. Hij benoemde de kostuums van de gilden die aan de inhuldigingstocht deelnamen en kende het standsverschil tussen de ‘eelder sciltboirteghe manne’ en de ‘coopliede’ die niet van adel waren [5].46 De auteur besteedt relatief weinig aandacht aan de deelnemers van de geestelijke stand en, in algemene zin, aan de sacrale aspecten van de intrede [20]. De auteur die verantwoordelijk was voor de beschrijving van de Antwerpse Blijde Intrede van Karel V (1515) had daar bijvoorbeeld veel meer oog voor.47 Toch blijkt uit de beschrijving en duiding van enkele religieuze tableaux vivants dat de auteur van Maximiliaans Blijde Intrede toegang had tot geleerde theologische literatuur. Verder doet ook zijn kennis van contemporaine juridische literatuur en het Latijn, ondanks de foutjes (zie [22] en [24]), vermoeden dat de auteur een goede opleiding had genoten en tot een hogere sociale klasse behoorde.

Dit sociale en intellectuele profiel van de auteur sluit aan bij de vaststellingen van Anne-Laure van Bruaene en Arjan van Dixhoorn die de sociale samenstelling van rederijkerskamers in de vijftiende- en zestiende-eeuwse Nederlanden analyseerden.48 Rederijkers waren in deze periode doorgaans niet alleen nauw betrokken bij de organisatie van Blijde Intredes, zij waren vaak ook verantwoordelijk voor de schriftelijke neerslag ervan in kronieken en festivalboeken.49 Dit gold zeker ook voor het hertogdom Brabant. Zo weten we dat de rederijkers van Brussel nauw betrokken waren bij de organisatie van de intrede van Karel van Charolais in januari 1466, en dat zij zelfs een speciaal spel schreven en opvoerden boordevol verwijzingen naar de Brabantse geschiedenis. Van deze intrede is echter alleen dit spel overgeleverd en ontbreekt een beschrijving van de processie of andere tableaux vivants. Alvorens naar Brussel af te reizen deed Karel toen ook Leuven aan waar men spelen opvoerde met ‘stommen personagien’, waarin waarschijnlijk de hand van de plaatselijke rederijkers schuilde.50 Bij de intrede van Maximiliaan in Mechelen op 9 januari 1478, een paar dagen voordat hij naar Antwerpen afreisde, organiseerde men dan weer zekere tableaux vivants waarbij een flink aantal lieden (rederijkers?) betrokken was, getuige de schenking van niet minder dan zesentwintig vaten kuitbier aan ‘den ghenen die personagien maecten ende vierden ter incomst van onsen prince’.51

Het lijkt dan ook logisch dat de auteur verbonden was aan een van de Antwerpse rederijkerskamers, waarvan de Violieren en de Goudbloem de bekendste zijn.52 In zijn beschrijving van de Antwerpse Blijde Intrede noemt hij de Goudbloem als de vervaardiger van twee tableaux ([27] en [28]), waarvan het laatste stond opgesteld tussen de gebouwen waar de rederijkers van deze kamer vergaderden: ‘tusschen den gouwen scilt ende der jonghere camere.’53 Daarnaast suggereert ook de opzet en organisatie van de intrede de invloed van de rederijkers, zoals het competitieve element dat nadrukkelijk naar voren komt in de manier waarop er prijzen werden uitgeloofd voor zowel presentatie als prestatie ([1] t/m [4]).54 Het is precies de betrokkenheid van een stedelijke auteur, vermoedelijk afkomstig uit een rederijkersmilieu, die de tekst van de Antwerpse Blijde Intrede zo bijzonder maakt. De auteurs van de overgeleverde beschrijvingen van Brabantse Blijde intredes uit de eerste drie decennia van de vijftiende eeuw waren immers zonder uitzondering secretarissen of kroniekschrijvers die verbonden waren aan het hertogelijke hof, zoals Emond van Dinther, Enguerrand de Monstrelet of Georges Chastellain. Hun verslagen kenmerken zich enerzijds door een uitgebreide en gekleurde uiteenzetting van de politieke machtswisselingen en anderzijds door een zakelijke toon zonder al te veel details en met nadruk op de wederzijdse eedaflegging.55

Reconstructie van de route van de Blijde Intrede van Maximiliaan in Antwerpen op 13 februari 1477. Negentiende-eeuwse kopie van een zestiende-eeuwse kaart door Hendrik Dierckx. De originele kaart wordt toegeschreven aan Michiel Coignet. Stadsarchief Antwerpen, IB no. 2964. © GIStorical Antwerp – Iason Jongepier / Stadsarchief Antwerpen, IB no. 2964.

Recht en geschiedenis in tekst en beeld

Opmerkelijk is dat de auteur van de beschrijving van de Antwerpse Blijde Intrede van 1478 zich niet beperkt heeft tot het itinerarium van de intrede-processie. Hij geeft immers ook een gedetailleerde beschrijving van alle tableaux vivants en triomfbogen, met verwijzing naar de corporaties die ervoor verantwoordelijk waren. Bovendien lijkt deze tekst weinig beïnvloed door de mogelijke propagandamotieven van de ‘wethouwers’ van de stad, die geldprijzen beloofden aan de organisatoren van de mooiste taferelen [1]. Slechts af en toe velt de auteur een kwalitatief oordeel (zie bijvoorbeeld [14] en [16]) over de fraaiheid en grandeur van de tableaux vivants. Vermoedelijk was dit document, of een eerdere versie ervan, hetzij een handleiding of een conceptprogramma voor de Intrede, hetzij een min of meer objectief ooggetuigenverslag voor het stadsbestuur.56 Daarmee wijkt de tekst af van de spectaculaire, vaak rijkelijk geïllustreerde en zelden waarheidsgetrouwe gepubliceerde beschrijvingen die bewaard bleven van latere Blijde Intredes, vooral die uit de zestiende eeuw.57 Omdat de stadsrekeningen voor deze periode niet bewaard zijn, is het niet mogelijk in te schatten of er een overkoepelend programma werd gemaakt en gevolgd, en in hoeverre de beschrijving van de intrede daarvan afweek. Een kritische houding blijft dus nodig om de bron op waarde te kunnen schatten en een eventuele vooringenomenheid tegenover de vorst of juist de diverse stedelijke groeperingen waar te nemen. Zo rijst de vraag waar de deelnemende groepen de mosterd zijn gaan halen voor hun tableaux, en hoe we de keuze voor seculiere of religieuze thema’s kunnen verklaren.

De structuur van de items van de eigenlijke intrede ([10] tot en met [32]) is drieledig. Na (1) een identificatie van de locaties die de vorst tijdens de inhuldigingstocht bezocht, volgt (2) een beschrijving van de tableaux vivants en het organiserende gilde en (3) een beknopte evaluatie en interpretatie van het tafereel. Terwijl de meeste beschrijvingen van de tableaux vivants tussen dertig en honderd woorden in beslag nemen, telt de beschrijving van de tableaux voor de stedelijke lakenhal op de Grote Markt 220 tot 470 woorden per ‘perk’ ([21] t/m [24]). De indrukwekkende tableaux bestonden uit maar liefst ‘vier perken’, waarin telkens twee taferelen (‘personagijen’) boven elkaar waren geplaatst. Tekstborden zorgden ervoor dat de toeschouwers zowel in het Diets alsook in het Latijn konden lezen wat en wie de performances voorstelden. Het is bijgevolg begrijpelijk dat ook de auteur voor deze complexere taferelen meer woorden nodig had. Wellicht bevestigt de discrepantie in de beschrijving vooral dat de Blijde Intrede zelf niet eenvormig was. Voor de tableaux vivants die elders in de stad waren opgebouwd, waren immers telkens twee gilden of groepen verantwoordelijk, terwijl het er alle schijn van heeft dat het stadsbestuur het laatste woord had over de vier spectaculaire tableaux die waren opgesteld in de betekenisvolste publieke ruimte in de stad. De verantwoordelijke gilden voor één van de tableaux, die de auteur per uitzondering niet specifiek noemt, vertegenwoordigden er ook explicieter dan elders de belangen van ‘tghemein volck’ van Antwerpen of de hele stedelijke samenleving ([23]): ‘Onder Maximilianus knielden drije personen van den drije ambachten van der nacien, die dese personagie metter gulden hadden helpen versieren, beteekenende tghemein volck van Andwerpen.’

Bron: FMA 4026, folio 3r-6v.

Op ingenieuze wijze werd op de Grote Markt thematiek uit de Bijbel met de Karolingische geschiedenis verweven om de nieuwe vorst subtiel op zijn verantwoordelijkheden tegenover de Kerk en zijn onderdanen te wijzen. Tegelijkertijd moesten de onderdanen ook hun ‘liefde’ tonen tegenover de vorst, waarmee de wederkerigheid van het ritueel van de intrede werd benadrukt ([23]).58 De auteur verwijst vooral in deze lange beschrijvingen naar diverse bekende Bijbelpassages. Daarnaast putte hij voor de taferelen op de Grote Markt uit de juridisch-theologische literatuur. De auteur verwijst specifiek naar drie decretalen: vonnissen in briefvorm van paus Innocentius III (1160-1216). Deze waren in 1234 verzameld in het zogenoemde Liber Extra dat een belangrijk onderdeel vormde van het corpus van kanoniekrechterlijke teksten. Twee tableaux verwijzen naar decretalen waarin de aard en de grenzen van de keizerlijke macht centraal stond, vis-à-vis de paus ([21]), en vis-à-vis de koning van Frankrijk ([22]),59 terwijl in het derde de herkomst van het keizerrijk werd belicht ([24]).60

Zeer actueel voor de politieke context van 1478 is dat in het desbetreffende tableau [22] diverse koningen stonden die hun kroon afdeden voor de keizer, behalve dan de koning van Frankrijk, die zich afwendde en zijn kroon ophield. Het bijbehorende bord met uitleg liet echter geen ruimte voor misverstanden. Ook al keerde de koning zich af van de keizer, de koning van Frankrijk was net als alle andere koningen ‘van rechsweghen sculdigh te wesenen onder den keyser’. Het tableau leverde dus kritiek op het decretaal van Innocentius en dit ongetwijfeld tot vreugde van Maximiliaan en geheel terecht in de ogen van de Antwerpse onderdanen, die zich bewust waren van en bevreesd waren voor de veroveringscampagnes van Lodewijk XI van Frankrijk (1423-1483).61

De beschrijving van de Blijde Intrede toont aan dat ook op de andere podia in de stad verschillende kennistradities aan bod kwamen. Historische figuren, zoals Julius Caesar en keizer Constantijn, leenden zich in de ogen van de deelnemende Antwerpse groepen bijvoorbeeld goed voor representaties van de grenzen aan seculiere ‘keyserlijcken’ macht.62 De moord op Julius Caesar [16], bekend symbool voor keizerlijke macht en ambities, opgevoerd door de visverkopers en vleeshouwers – precies de opstandige gilden die hun strijd in het voorgaande jaar verloren hadden – liet in die zin wel heel weinig aan de verbeelding over.63 Tot slot verwezen de tableaux regelmatig naar de geschiedenis van het hertogdom Brabant via de opvoering van mythische figuren als Brabo ([13]), gedenkwaardige feodale conflicten als de Grimbergse oorlogen (1139-1159) ([31]) en machtige heersers als Godfried III (1142-1190), bijgenaamd de hertog in de wieg ([32]). Subtiel expliciteerden de Antwerpenaren in een tafereel met deze hertog [32] de hiërarchische plaats van het hertogdom Brabant boven het graafschap Vlaanderen aan de vorst. Conform de opdracht van de wedstrijd [2] kreeg zowel het vorstelijk, adellijk alsook stedelijk publiek dus niet alleen keizerlijke taferelen voorgeschoteld, maar ook een stoomcursus Brabantse geschiedenis.

Tegelijkertijd herinnerden de talrijke tableaux vivants het publiek enerzijds aan de unieke machtspositie van de stad binnen het markgraafschap en het hertogdom Brabant, en anderzijds aan het belang van Brabant binnen de samengestelde Bourgondisch-Habsburgse staat. De concretere verhalen, zoals de legende van Silvius Brabo en Druon Antigoon, behoefden voor de Antwerpse toeschouwers vermoedelijk nauwelijks duiding.64 Deze stichtingslegende was in de vijftiende en zestiende eeuw razend populair in de Scheldestad, die er, naar verluidt, net als het hertogdom Brabant haar naam aan ontleende.65 Hoewel deze stichtingslegende wellicht nieuw was voor Maximiliaan, bevestigt de prominente aanwezigheid van Brabo en Antigoon tijdens latere Habsburgse Blijde Intredes in Antwerpen het belang ervan voor het verbinden van de dynastieke en territoriale geschiedenis van de stad met het hertogdom Brabant.66 Daarnaast verduidelijkten de organisatoren van deze intrede de diverse verwijzingen naar abstractere politieke structuren en Bijbelse opvattingen over de verhouding tussen kerk en staat via tekstpassages in het Latijn en Middelnederlands. Het is bovendien niet uitgesloten dat men deze passages tijdens de intrede luidop voorlas. Het staat vast dat feodale conflicten uit het verre Brabantse verleden niet noodzakelijk te complex waren voor de toeschouwers van Maximiliaans Blijde Intrede. Terwijl historici Blijde Intredes in de Bourgondische Nederlanden vanwege de rijke beeldentaal en toespelingen op zowel religieuze alsook seculiere literatuur in de historiografie lang beschouwden als elitaire ceremonies, maakte ook het ‘gewone volk’ een niet onbelangrijk deel uit van het beoogde publiek.67

Veel dichter bij de specifieke politieke situatie van de jaren 1477-1478 stonden taferelen die de verhouding tussen vorsten en hun onderdanen weergaven. In het tableau van de schilders bij de Melkbrug [18] bijvoorbeeld werden de drie Staten van Brabant tweemaal gepersonifieerd terwijl ze baden om vrede, een duidelijke verwijzing naar de oprukkende Franse koning. Op een van de tableaux bij de lakenhal [23] knielde de Antwerpse bevolking voor Maximiliaan waarbij werd aangetekend dat de vorst zich goedgunstig moest ontfermen over zijn onderdanen, terwijl de onderdanen op hun beurt de vorst moesten eren en liefhebben. Dit is een niet te missen parallel met de kern van de Blijde Intrede, waarbij de vorst en de stad elkaar een wederzijdse eed van trouw afleggen. Nadat die eedaflegging ook daadwerkelijk had plaatsgevonden [25], volgde allicht vanuit die redenering het tableau van de schippers, waarop de drie Staten, gepersonifieerd door twee priesters, twee ridders en twee burgers, knielden voor Maximiliaan die op zijn beurt was geflankeerd door de zeven keurvorsten. De vraag is natuurlijk of deze als harmonieus gerepresenteerde verhouding tussen de vorst en zijn onderdanen overeenstemde met de politieke realiteit.

In deze miniatuur huldigen de drie Staten (clerus, adel en derde stand) Maximiliaan van Oostenrijk die is gezeten op een troon en wordt gerepresenteerd als keizer van het Heilige Roomse Rijk. Bij de troon zijn vermoedelijk gezeten zijn kleinzoon Karel V en zijn dochter Margaretha van Oostenrijk. Vergelijk de passages [26] en [28] uit de intrede. Koorboek van Margaretha van Oostenrijk (1515-1516). ©Mechelen, Stadsarchief inv. nr. 60247 032 (zie www.beeldbankmechelen.be).

Blijde Intredes als onderdeel van de politieke besluitvorming

Terwijl er relatief veel onderzoek is gedaan naar de politieke gebeurtenissen die plaatsvonden in de eerste helft van het jaar 1477, is over de ontwikkelingen in de tweede helft eigenlijk weinig bekend. De nadruk ligt in de historiografie immers enerzijds op de stedelijke opstanden naar aanleiding van het onverwachte overlijden van Karel de Stoute (°1433) tijdens de slag bij Nancy (5 januari 1477) en anderzijds op de totstandkoming en bepalingen van het Groot Privilege waarmee Maria van Bourgondië de binnenlandse crises hoopte op te lossen. De jonge vorstin werd na het overlijden van haar ambitieuze vader geconfronteerd met de onvrede van haar onderdanen die zich verzetten tegen de dure buitenlandse campagnes en het centralistische beleid van haar vader. Bovendien moest zij zich weren tegen de ambities van Lodewijk XI van Frankrijk (1423-1483) die na Karels overlijden meteen binnenviel in Bourgondië, Franche-Comté, Artesië en Picardië. In deze penibele omstandigheden werd een spoedvergadering van de Staten-Generaal belegd waarin Maria noodgedwongen aan het kortste eind zou trekken. De Staten waren immers enkel bereid om haar als hun vorst te erkennen en om haar financiële en militaire steun te verlenen, als zij verregaande juridische, politieke, fiscale en economische tegemoetkomingen deed. Minder dan een maand na de dood van Karel de Stoute resulteerden de onderhandelingen op 11 februari 1477 in het eerdergenoemde Groot Privilege, waarmee de Staten de centrale macht aan banden legden in het voordeel van de vorstendommen en steden.68

Maar Maria’s opluchting was van korte duur. In de lente van het jaar 1477 braken opnieuw opstanden uit in diverse Vlaamse en Brabantse steden, ook in Antwerpen.69 In haar pogingen de opstand in Antwerpen te beteugelen, liet de vorstin zich bijstaan door drie raadsheren: Adolf van Kleef, stadhouder-generaal en heer van Ravenstein, Hendrik van Hoorn, heer van Perwijs, en Jasper van Culemborg, heer van Hoogstraten. Zonder uitzondering gaat het hier om hoge edelen en baanderheren die belangrijke Brabantse heerlijkheden bezaten.70 Dankzij hun informatie was Maria van Bourgondië goed op de hoogte van de tumultueuze situatie in de Scheldestad, waar de ambachten van de meerseniers (kleinhandelaars), schippers, visverkopers en beenhouwers in opstand waren gekomen tegen het gezagsgetrouwe en corrupte stadsbestuur en tijdelijk de macht konden grijpen. Op 18 juni gaf Maria de stad door middel van een officieel bericht het bevel tot het herstel van de oorspronkelijke samenstelling van de schepenbank, maar aan die eis gaven de opstandige gilden geen gehoor.71 Het tij zou voor de jonge vorstin pas keren na haar huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk op 19 augustus van hetzelfde jaar te Gent.

Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië houden samen Maria’s wapenschild vast als symbool voor de Bourgondische erfenis. Handgekleurde houtsnede vervaardigd door Albrecht Dürer, 1515. ©Amsterdam, Rijksmuseum, nr. RP-P-OB-1480 (zie http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.33392).

Hoewel Maximiliaan eind augustus feestelijk werd ingehuldigd in Gent en vervolgens in Brugge72 was een inhuldiging in de belangrijkste Brabantse steden voorlopig niet aan de orde. In de context van de Franse invallen is het natuurlijk niet verrassend dat Maximiliaan eerst zijn huldigingstocht vervolgde langs de zuidgrens via Rijsel, Dowaai, Bergen (Henegouwen) en Namen.73 Maar dit betekent niet dat de nieuwe vorst zich niet bekommerde om de uiterst gespannen politieke situatie in de steden elders in de Nederlanden. Zo engageerde Maximiliaan zich meteen na zijn huwelijk met de Bourgondische erfprinses voor het herstel van het hertogsgezinde gezag en het beteugelen van de stedelijke opstand in Antwerpen. Op 30 november 1477 zond hij daarom commissarissen naar de stad, onder wie enkele edelen met Brabantse heerlijkheden als graaf Engelbert II van Nassau, Antoon van Brabant en Geldolf van der Noot, de kanselier van Brabant. Hun eerste taak was het aanstellen van twee nieuwe burgemeesters. Waar Maria vruchteloos geprobeerd had om de Antwerpse amokmakers te verzoenen, kon het voormalige stadsbestuur pas na Maximiliaans persoonlijke interventie de macht teruggrijpen, terwijl de belangrijkste aanstichters van de opstand van hun verworvenheden en vrijheid werden beroofd.74

Door de ‘pacificatie’ van Antwerpen was er niets meer dat een Brabantse inhuldiging in de weg stond. Ook vanwege de buitenlandse dreiging kon een plechtige inhuldiging van de nieuwe hertog in Brabant eigenlijk niet langer op zich laten wachten. Zoals een chroniqueur vermeldt, zouden zijn onderdanen dan immers ‘gewilligher (…) vechten teghen die ghene die sijn vianden waren’.75 Toch ging de nieuwe vorst nog omzichtig te werk en had hij oog voor de wensen van de vertegenwoordigers van zijn nieuwe onderdanen. Zo stuurde Maximiliaan op 18 november 1477 vanuit Brussel zeven bodes met oproepbrieven voor een dagvaart van de prelaten, edelen en stedelijke vertegenwoordigers uit de verschillende administratieve districten.76 Ook de kanselier van Brabant spande zich in om een en ander in goede banen te leiden, en op 30 november stuurde hij een bode naar Leuven om ‘de drie Staten te vergaderen ende bereetscap te maeken tegen die compst mijns genedichs heeren’.77 Wellicht verzamelden de Staten op deze vergadering de klachten over het naleven van de Blijde Inkomst. Maximiliaan kon op 5 december in Leuven niet anders dan de Blijde Inkomst bevestigen die zijn echtgenote op 29 mei had toegezegd, ook al togen zijn ambtenaren wel aan het werk om precies uit te zoeken wat precies de ‘nieuwigheden’ waren in het toegekende charter en op welke manier deze in het nadeel waren van de vorst.78

De Staten van Brabant zaten in december zelf ook niet stil. Maria had tijdens haar Blijde Inkomst toegezegd dat de landsprivileges van Brabant voor Kerstmis 1477 in Antwerpen zouden worden gedeponeerd in een kist met drie sleutels die in beheer waren bij de vorstin, de stad Leuven en de stad Brussel.79 Deze deadline naderde met rasse schreden en het was mogelijk de aanleiding voor de Staten om de balans op te maken. Uiteindelijk kwam men tot een lijst van zesentwintig overtredingen. Althans, dat is het aantal dat Maximiliaan bevestigde in zijn aanvulling op de Blijde Inkomst van 3 januari 1478.80 Het is waarschijnlijk geen toeval dat het in vier artikelen, meer dan welke stad dan ook, specifiek gaat om Antwerpse belangen. Naast het overbrengen van de privileges naar Antwerpen handelden de artikelen over de te hoge tolheffing in de Scheldestad, de controle op de muntslag aldaar en de borgtocht die Antwerpenaren aan de hertog van Gulik moesten betalen. Het ging hier nadrukkelijk ook om zaken waaraan grote financiële belangen voor het vorstelijk paar kleefden.81 Maximiliaan beloofde beterschap, maar deed dat slechts in ruil voor een nieuwe bede en militaire bijstand.

Over deze nieuwe bede werd uiteindelijk een akkoord bereikt. De Staten kenden de nieuwe vorst maar liefst 108.400 kronen toe, te betalen binnen een jaar voor het beschermen van de landen en de onderdanen tegen de koning van Frankrijk. Zowel over de manier waarop het bedrag moest worden omgeslagen alsook over de bijdrage van de kloosters ontstond echter onenigheid tussen de geestelijkheid, de adel en de steden van het kwartier van Leuven enerzijds en de kwartieren van Brussel, Antwerpen, ’s-Hertogenbosch anderzijds.82 De Staten van Brabant slaagden er met andere woorden niet in om één front te vormen tegenover de vorst. De eenheid die zij hadden kunnen uitstralen bij het binnenhalen van het Groot Privilege was nog geen jaar later alweer verdwenen. Omdat de vorst op zeer korte termijn geld nodig had, gingen de onderhandelingen met de Staten ook na het toekennen van de hierboven genoemde bede onverminderd verder. Op 6, 9 en 10 januari stuurde de vorst bodes vanuit Brussel naar de verschillende districten met ‘dachvaertbrieven voor prelaten, edele ende steden’.83 Op die laatste dag vertrok kanselier Van der Noot al naar Antwerpen ‘daer mijn genedige heer sijn incompst dede ende daer de drie Staten van Brabant vergadert waren’.84 De vergadering van de Staten verliep moeizaam. Maximiliaan vroeg toestemming om erf- of lijfrenten te verkopen op de Brabantse domeinen om zo snel geld te kunnen incasseren voor de betaling van de grenstroepen. Bovendien beval hij de vertegenwoordigers van de Staten niet eerder te vertrekken voordat een akkoord over de bede was bereikt. De Leuvense stadsecretaris Jan Lobbe zag zich genoodzaakt om zijn verblijf in Antwerpen tot 23 januari te rekken.85

Uit deze reconstructie blijkt duidelijk dat de intrede slechts een schakel was in een lange reeks politieke onderhandelingen die al aanvingen in november 1477. De toezeggingen van de vorst op 3 januari om toe te zien op de naleving van de Blijde Inkomst moeten voor de Staten een belangrijk element zijn geweest in dit proces. De combinatie van de intrede op 13 januari en de dagvaart in de dagen erna maakte dat vorst, hofhouding, ambtenaren en politieke vertegenwoordigers van het hertogdom bijeenkwamen in de Scheldestad. Dankzij diverse gagelijsten van de hofhouding weten we dat Maximiliaan ongeveer 190 hovelingen mee had genomen.86 Op 9 januari, bij Maximiliaans inhuldiging in Mechelen, kreeg alleen een select gezelschap van ongeveer veertig personen wijn geschonken.87 Het aantal topedelen88 en topambtenaren89 in zijn gevolg onderstreepte niet alleen Maximiliaans vorstelijke status, maar is ook een indicatie dat er enkele politieke noten gekraakt konden worden.

Op het moment van de eigenlijke Blijde Intrede was de situatie in Antwerpen allesbehalve stabiel. Dit blijkt onder meer uit het gegeven dat enkele dagen eerder amokmakers nog op bedevaart werden gestuurd, omdat zij geprobeerd hadden de Blijde Intrede te verhinderen en omdat zij geprobeerd hadden de leden van hun niet nader genoemde gilden te overtuigen van hun zaak.90 Twee kronieken verhalen vervolgens hoe onverlaten tijdens het verblijf van het vorstelijk paar in de stad een poging hadden gedaan de waterputten te vergiftigen. De aanstichters werden ‘by der gracien Gods’ opgepakt en naar Rupelmonde gebracht waar zij terechtgesteld werden. De waterputten konden op tijd worden gezuiverd, maar ondanks deze goede afloop was er ‘onder tvolc (…) grote murmeracie’.91 De onrustige lokale politieke situatie laat zien dat Maximiliaans gezag nog zeker niet door iedereen werd aanvaard en dat mogelijk getracht werd ook lokale politieke rekeningen te vereffenen. Dit plaatst de getoonde harmonie tussen vorst en politieke elite in perspectief en maakt dat we voorbij de pracht en praal van de intredes als die in Antwerpen op 13 januari 1478 moeten blijven kijken.92

Het is ongetwijfeld geen toeval dat de ontvanger-generaal van Brabant op 18 januari – vijf dagen na de intrede – 4.000 pond uit de te verwachten bede-inkomsten van Antwerpen en het markgraafschap aan de vorst verstrekte. Dit geld was specifiek bedoeld voor de betaling van honderden ‘gens de guerre’ en ‘pietons alemans’ die aan de zuidelijke grenzen in Luxemburg, Henegouwen en Waals-Vlaanderen waren gestationeerd.93 Het hertogelijk paar keerde na de intrede overigens niet terug naar de Coudenberg, maar verbleef nog relatief lang in de Scheldestad, omdat de onderhandelingen met de Staten aansleepten. Maria bleef tot half februari in Antwerpen, terwijl Maximiliaan op 23 januari naar Dendermonde en Gent vertrok.94

Conclusie

De contemporaine beschrijving van de Blijde Intrede van Maximiliaan in 1478 te Antwerpen is uniek in verschillende opzichten. Ten eerste gaat het hier om een intrede in het hertogdom Brabant, waarvan tot nu toe nauwelijks gedetailleerde beschrijvingen bekend zijn voor de Bourgondische periode. Ingebed tussen twee publieke eedafleggingen, één aan de stadspoorten en één op de Grote Markt, maakte deze intrede deel uit van de eeuwenoude constitutionele traditie van Brabant, waarvan het charter van de Blijde Inkomst de kern vormde. Het stadsbestuur stimuleerde de competitie tussen de verschillende gilden om tot een magnifiek schouwspel te komen. De betrokkenheid van de rederijkers bij de intrede vond niet alleen haar weerslag in de intrede zelf, maar ook in de verslaglegging. In de tweede plaats is het een relatief vroege tekst met veel verwijzingen naar de Klassieke Oudheid, die natuurlijk waren geïnspireerd door de uitnodiging van het stadsbestuur om de keizerszoon ook keizerlijke taferelen voor te schotelen. Ten slotte vormden taferelen over de Brabantse geschiedenis een belangrijk onderdeel van de intrede. Die hadden niet alleen een didactisch doel voor de nieuwe vorst, maar sloten eveneens goed aan bij de historische kennis van de deelnemende groepen enerzijds en bij het groeiend stedelijk bewustzijn in deze periode anderzijds. Verbeelde exempla van ‘rechtvaardig bestuur’ bevestigden bijvoorbeeld het verbond dat de Brabantse hertogen sloten met vertegenwoordigers van hun onderdanen en de verantwoordelijkheden van beide partijen. Een analyse van Maximiliaans Blijde Intrede biedt dan ook niet alleen inzicht in de verspreiding van historiografische tradities en legendes, maar vooral ook in de complexe politieke beeldentaal die toestond om al dan niet legendarische verhalen uit het verleden betekenisvol te vertalen naar de contemporaine context.

Omdat de auteur een gedetailleerd overzicht gaf van zowel de thema’s en locaties alsook van de uitvoerders van de Antwerpse taferelen, biedt deze intrede mogelijkheden voor een bottom-up benadering van politieke processen in de stad Antwerpen, het hertogdom Brabant en bij uitbreiding de Bourgondische samengestelde staat. Een belangrijke rol was weggelegd voor de stedelijke middengroepen, zoals die ook al tot uiting was gekomen in de opstand geleid door belangrijke Antwerpse gilden. Maximiliaan had deze opstand wel kunnen beteugelen, maar het gegeven dat de visverkopers en de vleeshouwers enkele maanden later toch mochten deelnemen aan zijn Blijde Intrede, bevestigt, naast de betekenisvolle locatie en het ambigue thema van hun tableau, dat zijn tussenkomst al bij al weinig effect had gehad op hun politieke aspiraties en sociale positie in de stad. Ook de anti-hertogelijke protesten, die slechts enkele dagen voor 13 januari plaatsvonden, doen vermoeden dat de Intrede van Maximiliaan niet alleen de aanleiding, maar ook de inzet was van een complexe machtsstrijd tussen verschillende belangengroepen in de stad en binnen de Staten van Brabant. Veel meer dan een politieke status quo verbeeldden de gekozen thema’s niet alleen de belangen en ambities van de deelnemende stedelijke groepen en de stad als geheel, maar ook van de Staten vis–à-vis de vorst. Het in Antwerpen opgevoerde ‘theater’ functioneerde, met andere woorden, bovenal als een actief communicatiemiddel tussen zowel de vorst en de stad, en in een groter verband de Staten, alsook tussen de deelnemende stedelijke belangengroepen. Een te enge toepassing van het concept ‘theaterstaat’ schiet dan ook tekort om deze intrede te kunnen duiden.

Een reconstructie van de omstandigheden waarin de inhuldiging te Antwerpen plaatsvond, illustreert dat die intrinsiek deel uitmaakte van politieke besluitvormingsprocessen. Diverse Brabantse edelen en ambtenaren speelden aan de zijde van de vorst een cruciale rol als makelaars, terwijl tegengas werd gegeven door de politieke elites van Antwerpen en de andere Brabantse steden, geformaliseerd in de Statenvergadering. Toegegeven, de vorst kon uiteindelijk zijn financiële wensen doordrukken, maar daarvoor moest er eerst toch wel heel wat water door de Schelde stromen. De Antwerpse groepen en gilden die deelnamen aan Maximiliaans Blijde Intrede waren allicht niet direct betrokken geweest bij deze onderhandelingen, maar zij wisten duidelijk wel waar de klepel hing. Thema’s en vraagstukken die in de voorafgaande weken op tafel hadden gelegen, zoals de tolheffing bij de Schelde, kregen tijdens de Blijde Intrede niet toevallig een podiumplaats.

Uitgave van de tekst95

[A] ORIGINEEL: niet voorhanden. De originele beschrijving is waarschijnlijk opgesteld door een rederijker uit Antwerpen, mogelijk kort voor, maar waarschijnlijker kort na de inhuldiging van Maximiliaan op 13 januari 1478.

B AFSCHRIFT: vervaardigd kort na januari 1478. Rijksarchief te Luik, Archief van de familie Mercy-Argenteau, inv. nr. 4026 (vroeger nr. 32) f. 2v-6v. In de inventaris van Sébastien Dubois, Inventaire des archives de la famille de Mercy-Argenteau (1334-1959). 2 vols., Archives de l’Etat à Liège. Inventaires 110 (Brussel 2009), wordt dit register aangeduid met: ‘Recueil des textes normatifs (XVIe siècle)’. Vroeger bevond dit register zich in het fonds Diverse Handschriften van het Algemeen Rijksarchief te Brussel, inv. nr. 881.

[f. 2v]

De blijde incomst van hertoghe Maximiliaen, anno 77, 13 dage in januario.96

[f. 3r]

Dit es de blijde incomste van den doorluchteghen vorst en prince hertoghe Maximilaen, hertoghe van Oosterijke ende van Brabant etc. in sijnder stadt van Andwerpen anno 77, 13 dage in januario.

[1] In den iersten om den voorghenoemden doorluchteghen prince sierlijc ende eerlijc te ontfanghen, so daden de wethouwers van der stadt van Andwerpen een ghebot doen ende gaven ute notabele prijse, soe wie sierlijcxt ende statelijcxt den voirs. prince teghen rijden soude met een ghetal van 18 peerden van eender devijsen, ende niet daeronder, die soude winnen enen prijs van sesse Bourgoensche guldene. Ende die in tgelijcx daernaest sierlijcxt ende statelijcxt rijden soude, die soude winnen vijve Bourgoensche guldene. Ende dies ghelijke daernae viere Bourgoensche guldene.

[2] Item wie van den nacien oft andere gulden oft gheselscape de scoonste ende sierlijcxte figueren toonen soude der keyserlijcker croon oft den hertoghen van Brabant aengaende, die soude winnen als voore den hoechsten prijs sesse Bourgoenssche guldene.

[3] Item wie dat daernaest sierlijcxt dade, soude winnen vijve Bourgoenssche guldene. Ende soe wie dat daernaest scoonste dade, soude winnen viere Bourgoenssche guldene.

[4] Item soe wie des avens oft des anderdaigs tscoonste ende dbeste esbattament dade voor den prince, die soude winnen als voore den hooechsten prijs drije guldene voirg. Ende soe wie daerna dbeste dade, die soude winnen twe guldenen.

[5] In den iersten so reden hem teghen vele eelder sciltboirteghe manne ende vele goeder coopliede, wel tgetal van twe hondert peerden.

[6] Item daerna reden hem de scipliede teghen eerlijck ende statelijc, ende sij waeren alle ghecleet half peers ende half wit, ende van ghelijcken waren haer ghetuyghen van den peerden al van eender devijsen.

[7] Item daerna reden de vleeshouwers ende de vyscoopers, seere sierlijc toe ghemaect van eender devijsen, met swerten camelotten tabbaerts, ende de eene mouwe was peers.

[8] Item daerna reet de meerse met grooter menichten, al ghecleet met peerschen, ende de eene mouwe was wyt met eender rooder vaesschen daer dore gaende, ende drije paedgijen die sierlijc toe gemaect waren. De drije peerde daer de paedgijen op saten waren met covertueren overdect van rooden bokerane, met tsprijnsen wapenen ende enen leeu sittende op een peert seer wel gedaen, ende dat peert leydde een willeman.

[9] Item daerna reden de bresselouwers seere net toegemaect op thooge duytsche met bleeken grauwen tabbaerts van eenen ghetuyghe haer peerden, ende een versilverde minnenbruer coorde ghedrayt om den enen arm.

[f. 3v]

[10] Item te voete so ghinghen hem teghen de heeren van der cappittelen metter prossessijen ende alle andere gheestelijcke oordenen, nonnen ende beghinnen, tot op gheen sijde der molen aen den steenwech. Ende daer stont enen outaer ghesiert, ende daer beette de prince van sinen peerde, ende daer dede hij belofte ende eedt na ouwer costuymen. Ende doen sat hij wederom op sijn peert. Ende doen quaemen hem teghen de heeren van der stadt met alle den scutterijen ende ambachten, ende elc hadde een barnende toortse in de hant.

[11] Item als hij quam buyten voor Sijnt Jorijs poorte, daer stont in figueren hoe de riddere Sijnte Jorijs mirakel dede, de doode verrijsen ende andere mirakelen. Ende daer zoot enen ketel die dingel om stiet ende Sijnt Jorijs warter ghevanghen.

[12] Item binnen der poorten bij tgasthuys daer wart Sinte Jorijs ghesaecht, ende hij hinc metten voeten opwaert in dien perc. Ende in dandere perc wert hij onthoot. Ende dese pointen deden beyede gulden van den voetboghe.

[13] Item voort aen de derde oordene daer stont een point hoe dat Braboen den ruese verwan, ende sloech hem de hant af ende warpse int Scelt. Ende na dat hantwerpen so heet de stadt Handwerpen. Ende dat point daden de cleermakers ende de tymmerliede.

[14] Item voort opten Drijehoec daer stont een point hoe dat Julius Sesar te Roome ghecroont wart, ende hoe hem thoot van Pompeius wart ghepresenteert, dwelc sierlijc was. Ende dat point daden de huyvetters ende de scoenmakers.

[15] Item in de Meere daer stont een point dat was onse prinssesse met haren meegden. Ende boven haer hoot hinc een digne figuracie van den heilighen gheest, ende haer volc knielde voor haer ende baden haer haer trouwe. Dat daden de backers ende bontwerkers.

[16] Item binnen der Meerpoorten, daer stont een point daer wart Julius Sesar vermoort, ende Octaviaen sijn neve die wrac de moort van sinen oom, twas seer sierlijc. Dat daden de vleeshouwers ende de viscoopers.

[17] Item op douwe Veemerct achter des coordekens daer stont een groot dobbel point van enen coninc, also de bibel verclaert, die maer een jaer coninc en was. Hij en wart gesonden op een eylant daer draken en serpenten waren, dat de coninc verwant. Dat point dede de meerse.

[18] Item bij de Melcbrugge daer stont een dobbel point, dat was de paus, de keyser ende de landman gelijck de drye staten. Ende noch wasser een priester, een ridder ende een gemeen man, ende dese baden gelijc voor een cruysefix ende een Marijenbeelde om pays ende om vrede. Dat point daden de schilders.

[19] Item over de Melckbrugge daer stont een rijckelijc point, een maniere van enen boome met 17 tacken, ende aen elken tac hinc enen scilt van den 17 landen die onser prinsessen verstorven waren, in saleger gedachten van hertoge Kaerlen. Ende onder desen boom stonden seventien prinsen te vollen harnassche. Ende opten boom stont enen aren, die stac hem selven in sijn herte ende daer liep bloet van, ende dat bloet ontfinc een maecht in enen nap oft croes. Ende dat point daden de scrijnmakers ende de cuypers.

[f. 4r]

[20] Item tpoint voor de halle, die stallagie hadde vier perken, ende elc perc hadde twe personagijen onderscoten, de een daer af boven ende de andere beneden. Ende daer stont de prince van sinnen peerde, ende ghinc also tot in de kerke.

[21] Item aen dien einde ter Merct waert boven hooghe was enen troone, ende daer een God in sittende, ende boven aen sinen stoel ghesiert met inghelen, ende onder de viere evangelisten, onder dandere, enen rijkelijken gaudenen aren hebbende in sinen beck enen scilt ghefigureert na Johannes Ewangeliste, aen dander einde enen guldenen leeu hebbende enen scilt ghequaerteleert metten vier leeuwen deser landen, na de figuere van Marcus, beneden den aren ende den leeu enen guldenen osse na Lucas. Ende alle dese figueren waren verheven, bij den welken bewijst wart dat de heerlijcheden ende de dominacien van den landen des keysers ende des leeus, ende de subiectus van den osse, dat es des ghemeins volcx die van God vercooren sijn. In dese selve personagie onder den voet van den troone, was gemaect een rijkelijck firmament, ghesiert met blauwe wolken, besayt met vele sterren. Ende int selve firmament was een groote sonne, daerinne stont Maria hebbende Jhesus op haren arm, welke Jhesus hadde op sijn hoot een croone ghelijck enen paus. Item was ooc int selve firmament een gulden mane, ende boven die sonne stont gescreven Luminare maius, boven de mane Luminare minus.97 In dese selve personagie, noch beneden dese, lach over sijn knien de keyser Octaviaen, rijkelijc gesiert met vele heeren, ende Sybilla, een scoon maecht, rijkelijc gesiert met vele joffrouwen, welke Sybilla wijsde metter hant Octaviane dat Jhesus meerder heere was dan hij. Dwelck beteekent dat den staet van den paus ende van der gheestelijcheit meerder ende hooger was dan den staet van den keyser ende van der weerlijcheyt.pontificalis auctoritas

Boven thoot van Jhesus stont ghescreven Pontificalis auctoritas. Boven thoot van den keyser Imperialis maiestas. Item onder dese personagie stont gescreven dbediet van desen in latine ende in duytsche, gelijc hierna volcht:

Hic desingnatur qualiter Deus a creacione mundi presignaverit duos status universalis ecclesie per duo magna luminaria, que posuit in firmamento celi, qui sunt pontificalis auctoritas et imperialis maiestas. Ut extra De maioritate et obedientia, caput Solitae.98

In Duytsche:

Hier wort bewesen hoe God van beghinne heeft voorscepen de twee overste heeren van den twe staten der weerelt bij den tween grooten lichten, te wetene van der sonnen ende van der manen, daeraff bij der sonnen de pause ende bij der manen de keyser versien worden.

[f. 4v]

[22] Item de tweede personagie was ooc dobbel ende onderscoten. Boven sat God in een berrende haghe, onder hem knielende Moyses, Abraham ende David, bij hen hebbende scape, ende in haer hande scapers spriete. Hierbij was beteekent dat in den ouden testamente de vrienden Goods, die hij vercoren hadde, waren scaepherden. In dese selve personagie onder was dbedietsel van den nieuwen testamente ghelijkende hieroppe, te wetenen dat daer stont God Christus hebbende een rolle in sijn hant, seggende dat woort dat hij sprac tot Sijnte Peters: Pasce oves meas.99 Voor Christus stont een ingel voor wiens borst ghescreven stont: Data est a Domino potestasvobis. Sapientiae 6°.100 Dese ingel hadde twe sweerden. Dat een sweert gaf hij den paus, die voor hem stont met cardinalen ende bisscoppen, dat andere gaf hij den keyser, die ter slincker hant stont. Bij den keyser stonden dyveersche coninghen int harnasch, rijkelijc gewapent, doende den keyser eere, haer croonen afdoende. Maer de coninc van Vranckerijc die daer ooc stont, keerde sijn aensicht van den keyser ende behielt sijn croone op thoot. Achter den paus stont een duyvel, als de viant van der zielen, ende achter den keyser stont een torck als een vyant van den lichame ende van den gheloove. Bij deser personagijen was bediet dat ambacht ende werck van den tween staten der weerelt, welc werck es justicie te doene ende de ziele ende den lichaem te bescuddenen. Hier was ooc bij beteekent de ghehoorsamheit die elc sculdich es sinen oversten, ende hier was ooc bij beteekent den tijt van oorloghen ende van ompayse. Dbedietsel van deser personagien stont ooc hier onder ghescreven:

Pastoribus ovium, hoc est prelatis ecclesiarum et princibibus, data est gladii potestas, ut justiciam administrent subditos patriamque contra lupo, hoc est ab hostibus, defendant. Den prelaten der heiliger kerken ende den weerlijken princen, dien God sijn scape, dat es sijn volc, bevolen heeft, es dat sweert ghegheven van justicien ende bescermenissen der scapen teghen de wolve, dat sijn de vianden.
Rex Francie, sicut ceteri reges et principes, de jure sub est imperio, quamvit101 de facto parere recuset. Extra Qui filii sunt legit,102 caput Per venerabilem.103 Die coninc van Vranckerijc, gelijc alle andere coninghen ende princen, es van rechsweghen sculdich te wesenen onder den keyser, al eest dat hij met fayte hem des afkeert.

[f. 5r]

[23] De derde personagien was ooc dubbel ende onderscoten. Boven was enen outaer, rijkelijc versiert met guldenen lakenen. Opten outaer lach een lam, dwelcke beteekende dlam goods. Aen den autaer stont de personagie van Christus hebbende een scare in de hant, daermede hij de wolle scaer van den lammekeins, ende achter dat lammeken stont ghescreven: ‘Quasi agnus coram tondente se obmutuit’, Ysaie 53.104 Aen den selven outaer stont Sijnte Jan Baptiste, wijsende op dlam met eender rollen seggende: ‘Ecce agnus Dei ecce qui tollit peccata mundi.’105 Ende onse heere God sach nederwaert opten paus ende den keyser, met eender rollen seggende: ‘Discite a me quia mitis sum et humilis corde’, Johannes ultimo.106 In dese selve personagie onder stont een paus, een cardenael ende een bisscop, ende daer wart een man gheabsolveert van sinen sonden. De paus hadde een rolle in sijn hant seggende: ‘Misericordia Domini plena est terra.’107 Ende elc van desen hadde een vlocke wollen in de hant ende daeronder stont ghescreven: ‘Luna misericordie.’ In de selve personagie stont een keyser, hebbende een rolle seggende: ‘Dei benivolenciam et certa genus hominum clemenciam imitari cupimus. Liber imperialis.’108 Item voor den keyser stont een rijkelijke personagie van Maximilianus, hebbende in de eene hant een vlocke wollen daerboven ghescreven stont: ‘Luna clemencie’ ende in dander hant een rolle seggende: ‘Nullem magis clemencia decet quam principem’, Seneca.109

Onder Maximilianus knielden drije personen van den drije ambachten van der nacien, die dese personagie metter gulden hadden helpen versieren, beteekenende tghemein volck van Andwerpen, elc hebbende een rolle in sijn hant de eene seggende: ‘Nos populus tuus et oves pascue tue’110, de andere: ‘Plebs tua letabitur in te’111, de derde seggende: ‘Tribuat tibi Deus secundum cor tuum’.112 Bij deser personagijen was beteekent de ontfarmherticheyt ende genade die de prelaten ende princen selen hebben over haer ondersaten, ende de liefde van den ondersaten teghen haren prince. Ende hier wart ooc beteekent den tijt van vreden ende van neeringen van der draperijen ende dat stont onder gescreven aldus:

Hic decleratur qualiter prelati et principes Hier wort beteekent hoe de prelaten ende de
mollium et benigne per misericordiam de princen over haer ondersaten selen wesen
et clemenciam preesse debent subditis suis; ontfarmhertich en genadich, ende de
subditi vero tenentur obidire, diligere et ondersaten selen wederomme gehoorsam
magnificare prelatos ac principes. sijn haren prince eeren en lief hebben.

[f. 5v]

[24] De vierde personagie was ooc dobbel ende onderscoten. Boven was de figuere van enen strijde, in den welken de coninc Astulphus van Lombaerdijen verdructe de priesterscap ende de heilige kerke, ende Karolus Magnus, Pippyns sone, die quam hen te hulpe ende bescudde de heilege kerke.

Onder was de figuere hoe de keyser Constantijn van Constantinoble ende Leo sijn sone, die doen Roomsch keyser was, versocht waren om de heyleghe kerke te hulpen te comenen, dwelc sij weygherden. Ende daerbij so wart de keyserlijcke croone hem ghenomen, ende wart ghegeven coninck Karel, Pippijns sone. Ende also quam ierst dat rijke aen de duytsche heeren, daer dat noch es. Onder dese personagie stont gescreven aldus:

Cum ecclesia Romana opprimeretur ab Astulpho,
rege Lumbardorum, Constinus et Leo,
eius filius, imperatores Constantinopolius,
requisiti a papa noluerant patrosinarii113
que papa Stephanus II transtulit imperium
in Karolum Magnum, Pippini filium, sic
imperium translatum est ad Theuthonicos
ut habetur in Ynnocentio caput Venerabilem, extra: De elec.114
Voormaels doen de heilighe kerke verdruct wart van Astulphus,
coninc van Lumbaerdijen, so weygherde de keyser Constantijn ende Leo,
sijn sone, der kerken hulpe ende bijstant, daerbij de paus Steven
doen gaf de croone Karelen de Groote, Pippijns sone, aldus
quam ierst dat heylich rijke aen de duytsche, daer noch es.

[f. 6r]

[25] Item doen de prince uter kerken quam, sat hij weerom op sijn peert ende reet so voort tot voor der stadthuys, ende daer beette hij wederom van sinen peerde ende ghinc op de voorpoye tot opt teneel. Ende daer las men hem int corte tghene dat onse princesse besworen ende verleent hadde, ende dat selve conformeerde hij ooc aldaer in presencien van alle der ghementen, dwelc op alte cort ghedaen was.

[26] Item doen sat hij wederom op sijn peert, ende daer hadden de sciplieden een alte hooghen stellinge, die stont tusschen der stedehuys ende de wissele onder met eender poorten. Daerboven sat de keyser in figueren Maximilianus vader in sinen staet ende sijn wapenen boven sijn hoot, ende de zeven koervorsteren bij hem gestaen, te wetene drije eerdsche bisscoppen, een koninc ende drije princen. Ende voor hem knielden de drije staten des lands van Brabant, te wetene twe priesters, twe riddere ende twe borghers, ende die boden hem elc haer herte.

[27] Item aen de Corenmerct daer stonden drije pointen aeneen, dat was hoe Julius Sesar maecte alle dese landen onderdaen der Roomscher croonen, ende hoe hij te Roome sat in sinen keyserlijken maiesteyt, ende hoe dat hij ooc te Roome vermoort wart. Ende daer stont ooc een costelijc tresoer van zilvere. Dat point daden de goutbloeme.

[28] Item een luttel bat voort, tusschen den gouwen scilt ende der jonghere camere, daer stont een hooghe point gemaect met eender poorten onder, ende boven waest hoe dat de keyser hadde sinen sone neer ghesonden om te bescarmenen gheestelijc en weerlijc, coopman ende labuer, wedewen ende weesen. Ende doen de prince daer dore reet, doen quam van boven dalende enen aren oft enen pellecaen, ende hadde een goutbloeme in sinen beck, die hij den prince scincte. Ende de prince aenveerde de bloeme, dwelc alte proper om sien was. Dat point daden ooc de goutbloeme.

[29] Item op de Vlasmerct daer stont in figueren onse prince Maximiliaen, al int harnasch met enen wapenrocke over sijn harnasch, ende boven sijn hoot stont enen guldenen pellecaen. Ende seere vele edele stonden bij hem al int harnasch, in figueracien also dingelen staen bij onsen heere. Ende sijn ondersaten die knielden voor hem, ende presenteerden elc hem haer herte, ende sijn edele elc met haren wapenscilden. Dat point daden de peesgarenwerckers met haerder nacien de lijndenwevers.

[30] Item in de Reinderstrate daer stont een point hoe dat eens keysers sone sijn ooghen verbuert hadde omdat hij ghescoten hadde. Ende omdat de Romeynen gheenen blijnden keysere en souden hebben, so dede des keysers vader hem selven een ooghe uuyt steken, ende sinen sone eene die tfeyt ghedaen hadde. Dwelc was een point rechtveerdegher justicien. Dat deden de hoveneers met haerder nacien.

[f. 6v]

[31] Item in de andere strate, bij den bornputte, daer stont een sonderlinge groot point ende daer hinc een kijnt in de wieghe, dwelc was de derde Godevaert van Brabant. Hij en was noch gheen jaer out. Daer vochten de Brabanders enen strijt voor Grymberghen, ende sij wonnen den strijt ende versloegen meest alle de Grimbersche heeren, sonder Wouter Beerthout, die bleef ghevanghen. Ende dat was int jaer van 1100 ende 54, daer int lange vele af te seggen ware. Ende dat point deden de metsers ende de berbiers.

[32] Item voor de herberghe van den prince, daer stont een point hoe dat de derde Godevaert, die inde wiege hinc, daer oom af was grave Lodewijck van Vlaenderen, overmids dat hij sinen neve ghesercoerst hadde van volke van wapenen, daer des kijnts mombors vore hadden moeten gheloven als hij voliaert wesen soude, dat de neve als dan sijn leen van sinen oom onfanghen soude. Op dwelke de neve sijn sweert uuyt toech, ende seide: ‘Oom sliet mij den hals af. Ic vergheve u sake en sonde ende ontslaet mijn borghen, want niet betamen en soude dat een hertoghe een keyserlijc leen ontfangen soude van enen grave’. De grave veroedmoedichde en hief sinen neve oppe, ende ontsloech sijn borgen. Dat point daden de smeden ende de houtbrekers.

[33] Item des avens, so werde de stadt zeere rijkelijc op der stadthuys, ende de gulde op de halle, ende alle de scutterijen ende alle ambachten ronsomme de merct, met costelijken waslichte ende met peecvaten ende met vuerpannen ende met lanteernen van scilderijen alte sierlic, twe avende lanc duerende.

[34] Item des anders avonts so waren alte rijkelijke spele van esbattemente gespeelt, dienende op de blijde incoomst, die sierlijc ende costelijc waren toe gemaect van stummen figueren sprekende. Ende de prince ende de princesse waren comen op der stadthuys, met allen haren ghesinde, de spelen aenhoorende ende de costelijcheit van den vierenen te aensiene.