De handelseditie van Leen Alberts proefschrift Brouwen aan de Eem werd op 21 januari 2017 feestelijk gepresenteerd in de St. Joriskerk in Amersfoort. Daarbij werd ook een nieuw gebrouwen hopbier naar een middeleeuws recept van Amersfoorts bier gepresenteerd. Het was een drukbezocht, vooral lokaal festijn, maar is er met een publicatie over middeleeuwse bierbrouwerijen ook op wetenschappelijk gebied winst te behalen?

In de inleiding van zijn monografie geeft Alberts een uitgebreid overzicht van de verschenen literatuur over bierproductie en -consumptie in de Middeleeuwen. Een van de bekendste studies op dit gebied is A history of Brewing in Holland: Economy, Technology and the State, 900-1900 van Richard Unger uit 2001. Unger richt zich in zijn monografie vooral op de drie grote Hollandse biersteden Haarlem, Delft en Gouda, die met Hamburg stuivertje wisselden als ‘het centrum van de bierproductie in Noordwest Europa’ (212). Unger bracht al een indrukwekkende massa gegevens over de brouwnijverheid bij elkaar en presenteerde in tabellen onder meer de jaarlijkse bierproductie en het aantal brouwers per stad. Amersfoort komt in deze tabellen (Tabel III-1 en Tabel III-2) in het geheel niet voor. Alleen daarom al is het terecht dat deze witte vlek door Alberts werd ingekleurd, want ook Amersfoort was een bierstad van betekenis, ook al was dit vooral van regionale betekenis. Dit laatste heeft iets tragisch, want het Amersfoortse bier was volgens Alberts van een ‘aanzienlijke betere kwaliteit dan de concurrerende Hollandse biermerken’ (312). Niettemin bleef de actieradius beperkt – Vlaanderen behoorde bijvoorbeeld niet tot het afzetgebied. Het ontbrak Amersfoort nu eenmaal aan een continue en rechtstreeks aansluiting op de lange afstandshandel. Een belangrijke oorzaak hiervan was de dikwijls beperkte bevaarbaarheid van de rivier de Eem. Een beetje kogge liep er al gauw vast.

Een centraal thema in studies naar brouwnijverheid is opkomst, bloei en neergang, zo ook in Brouwers aan de Eem. Alberts is erin geslaagd uit een veelheid disparate gegevens af te leiden dat het aantal brouwers in Amersfoort tussen de veertiende en de zestiende eeuw terugliep van circa 85 naar 25. Dit is beduidend minder brouwers dan in elk van de drie grote Hollandse steden, maar als we het geringe aantal inwoners van Amersfoort – in de zestiende eeuw waren het er nog geen 6000 (199) – in aanmerking nemen, was de ‘brouwerijdichtheid’ in Amersfoort vergelijkbaar met die in Haarlem en Delft. Het teruglopende aantal Amersfoortse brouwers produceerde in de loop der tijd overigens wel meer hectoliter bier. Interessant is dat de auteur voor deze vergelijking ook de jaarlijkse productie van concurrerende biersteden systematisch in kaart bracht. Die cijfers ‘wijken dikwijls aanzienlijk af’ (211) van de eerder door Unger gepresenteerde cijfers; het vaststellen van de hypothetische productie is per slot van rekening afhankelijk van een reeks aannames. Aan het degelijke overzicht (tabel 17 en 18) van de ‘jaarlijkse commerciële bierproductie in hectoliters’ kan Alberts afleiden dat Amersfoort in de periode 1450-1550 een echte bierstad was. De ‘kleine nummer vier’ (212) beleefde hierna echter, anders dan Haarlem, geen opleving meer.

Alberts onderbouwde het begrip ‘bierstad’ verder met het in kaart brengen van de werkgelegenheid in de Eemstad. Een vijfde van de Amersfoortse bevolking was werkzaam in de bierbrouwerij, wat veel meer was dan de 8 procent mensen die in Hollandse brouwerijen werkte. De auteur beperkte zich bij het in kaart brengen niet tot de directe werkgelegenheid, maar bracht ook de indirecte werkgelegenheid in kaart. Bij die laatste horen ook moutmakers, kuipers, bierdragers en tappers. Na een uitvoerige ‘gang door de bedrijfskolom’ stelt Alberts dat ruwweg twee vijfde van de Amersfoortse bevolking van de brouwnijverheid leefde (355).

Nieuw is de ruime aandacht die Alberts aan het vestigingspatroon besteedt. Brouwers mochten zich in Amersfoort alleen in de binnenstad vestigen, en niet, zo schrijft Alberts (312), in de buitenstad. Met dit laatste wordt bedoeld buiten de eerste, reeds verdwenen, stadsmuur, maar binnen de tweede stadsmuur. Pas op p.433 wordt duidelijk dat dit niet alleen te maken had met het binnenstromen van schoon water in de stad, maar ook met het gegeven dat het stadsbestuur belastingontduiking en overtreding van regels (bijvoorbeeld overbrouwen) wilde tegengaan. Het is een grote verdienste van de auteur dat hij er in is geslaagd de vestigingsplekken van ruim vijftig brouwers uit het laatste kwart van de vijftiende eeuw te herleiden. Op basis daarvan kon hij vaststellen dat de verspreiding van middeleeuwse brouwerijen niet dezelfde was als op basis van de verpreiding van hefbomen van zogeheten putstoelen langs de gracht weergegeven op zeventiende-eeuwse stadsplattegronden vermoed kan worden. Bovendien bleek dat slechts de helft van alle brouwers aan een A-locatie aan de gracht was gevestigd. Enkele bevonden zich zelfs op een C-locatie, tot zo’n honderd meter afstand van de nabijgelegen gracht. Aangezien voor een gemiddeld brouwsels in de vijftiende eeuw 3000 liter vereist was, vergde het waterhalen voor een dergelijke brouwerij – niet voorzien van een waterleiding – waarschijnlijk enkele mandagen.

Alberts gebruikte ook archeologische gegevens voor zijn betoog, zoals drie opgegraven ondergrondse houten waterleidingen die het water van de gracht naar een brouwerij voerden en negen stookvloeren. Slechts één van deze stookvloeren (aan de Appelmarkt 14) werd aangetroffen op een adres waar volgens de archieven een brouwerij was gevestigd. Archeologische resten op het adres Kamp 82 zijn fragmentair, maar daar zijn de resten van verkoolde granen ondersteunend bewijs voor de vroegere aanwezigheid van een brouwoven. Op basis hiervan is Alberts’ conclusie gerechtvaardigd dat niet alle brouwers hun sporen in het historisch archief hebben nagelaten. Sommige brouwers bleven ‘onder de administratieve radar’ (474) en zijn daarom voor de historicus onzichtbaar. Archeologen zijn echter terughoudend bij de verklaring van dergelijke resten. Het kan immers niet uitgesloten worden dat fragmentair overgeleverde ovens voor een ververij of kaarsenmakerij werden gebruikt. Alberts is zich van deze kanttekening bewust, maar zodra stookplaatsen op een verspreidingskaart worden weergegeven (475), dan interpreteert de lezer dit al snel als een vaststaand gegeven.

Alberts boek dwingt veel respect af. De auteur benadert elk denkbaar aspect van de brouwnijverheid op deugdelijke wijze, presenteert reeksen nieuwe gegevens in duidelijke tabellen en heeft er zichtbaar veel moeite voor gedaan het geheel met treffende afbeeldingen te illustreren. Wie veel werk verzet, maakt ook weleens een foutje: een pijltje op een illustratie dat net niet lang genoeg is uitgevallen (314, vgl. 437), een uitleg over een methode (434) die de lezer liever na in plaats van voor de resultaten had gezien en een extra publicatie die misschien ook nog gelezen had kunnen worden (J.W. van Petersens Reizen is tol betalen uit 2004 voor de paragraaf over transportkosten). Soms had de lezer een pittigere betogende stijl gewenst, zoals Alberts die bij het pleidooi voor de herdefiniëring van het begrip gilde wel hanteert (387-395). Dit alles laat onverlet dat het boek een goed onderbouwd naslagwerk is geworden dat een grotere wetenschappelijke actieradius verdient dan Amersfoort alleen. Amersfoort is dan misschien in veel aspecten een echte middenmoter, Brouwers aan de Eem laat de stad boven zichzelf uitstijgen.