De raadpensionarissen in de Republiek moeten zich met een bescheiden historische belangstelling tevreden stellen. In 1946 publiceerde A. de Fouw zijn boek Onbekende Raadspensionarissen. Sindsdien verschenen enkele monumentale studies over onder meer Johan van Oldenbarnevelt (Jan den Tex, 1960-1972) en Johan de Witt (Herbert Rowen, 1978), die van grote waarde blijven, maar inmiddels wat stoffig zijn geworden. Van andere grote raadpensionarissen wilde het niet tot echte biografieën komen en bleef het bij essays of bundels, zoals over Gaspar Fagel (Elizabeth Edwards, 2002) en Anthonie Heinsius (Jan de Jongste en Guus Veenendaal, 2002). De meest recente uitgave is het populairwetenschappelijke relaas van Luc Panhuysen over de gebroeders De Witt (2005).

Waarom trekt de belangrijkste ambtsdrager uit de vroegmoderne tijd zo weinig aandacht? Een belangrijke reden lijkt in enkele gevallen van zeer praktische aard te zijn. Van Fagel en Oldenbarnevelt, die beiden uitgebreide archieven nalieten, is bekend dat hun handschrift soms amper te ontcijferen is. Voor Heinsius geldt juist dat zijn volledige briefwisseling toegankelijk is in de uitgave van twintig kloeke delen (Guus Veenendaal, 2001), maar dat de man achter de correspondentie amper zichtbaar is. Het gevolg van deze historiografische lacune is dat we verrassend weinig weten over de uitoefening van het ambt van raadpensionaris in de praktijk en de ontwikkeling van het ambt door de tijd heen. Dit geldt vooral ook voor de achttiende eeuw.

Om deze reden is de dissertatie van Wim Dral meer dan welkom. Anthonie van der Heim, raadpensionaris van 1737 tot 1746, is een van die ‘onbekende raadpensionarissen’. Hij was een neef van Anthonie Heinsius, raadpensionaris van 1689 tot 1720. Op basis van veel materiaal beschrijft Dral de familie waarin Van der Heim opgroeide. De Van der Heims kwamen uit het Duitse Lippe, maar migreerden in de zeventiende eeuw naar Holland. Anthonies grootvader bezat een bierbrouwerij, zijn vader was regent in Delft en huwde de zus van raadpensionaris Heinsius. Anthonie werd secretaris van de Generaliteitsrekenkamer op de uitzonderlijk jonge leeftijd van 16 jaar, ongetwijfeld mede door toedoen van Heinsius, wiens volledige bibliotheek hij in 1720 erfde. In 1727 volgde hij Simon van Slingelandt, die toen raadpensionaris werd, als thesaurier-generaal op, en tien jaar later werd hij zelf in dit ambt benoemd. Historici hebben doorgaans Van der Heims ambtsperiode getypeerd als weinig opmerkelijk, en Dral wijkt eigenlijk niet van dat oordeel af. Maar hij geeft er wel kleur en diepgang aan.

De ambtstermijn van Van der Heim stond in het teken van financiële hervormingen in de lange nasleep van de enorme schuldenlast die de Republiek opbouwde in de Spaanse Successieoorlog, toenemende binnenlandse druk om het stadhouderschap en de neutraliteit van de Republiek in de Oostenrijkse Successieoorlog te herstellen. Opmerkelijk is een historisch initiatief van Van der Heim voor de invoering van inkomstenbelasting. Hij hield vast aan een afzijdigheidspolitiek in de Oostenrijkse Successieoorlog, maar was wel pro-Engels, een positie die weinig opleverde. Dral toont ook aan dat, anders dan vaak gedacht, Van der Heim zich niet heeft ingespannen voor het herstel van het stadhouderschap.

Dral heeft als buitenpromovendus vele jaren gewerkt aan de biografie, die chronologisch is opgezet maar daarbinnen ook duidelijke thematische eenheid heeft. Hoofdstukken zijn gewijd aan de persoonlijke achtergrond van Van der Heim, zijn functioneren in de Generaliteitsrekenkamer, de Raad van State en als raadpensionaris, maar ook aan benoemingsprocessen. Geheel in lijn met de ‘school’ van Drals tweede promotor, Simon Groenveld, blinkt het boek uit door grondig archivalisch onderzoek, aan de hand waarvan het leven en de carrière van Van der Heim gedetailleerd uiteen worden gezet. Het onderzoek naar het functioneren van Van der Heim in de Generaliteitsrekenkamer heeft mooi materiaal opgeleverd. Een belangrijke uitkomst van het onderzoek is inzicht in de complexe benoemingsstructuur in de Republiek; Drals grondige uiteenzetting van de uiterst omzichtige wijze waarop Van der Heim werd benoemd in de Rekenkamer en als raadpensionaris zijn van grote waarde. Slechts een hiaat in het archiefonderzoek is evident: er is geen enkel buitenlands archief bezocht, zodat we de internationale politiek van Van der Heim minder goed kunnen beoordelen.

Was Van der Heim nu een ambtelijk bestuurder of een politiek leider? Dit is de vraag die Dral stelt en wellicht weinig verrassend beantwoordt met de conclusie dat hij het allebei was. De achterliggende vraag is in hoeverre Van der Heim daarmee een typische raadpensionaris was of juist niet. Ons beeld van de raadpensionarissen is immers bepaald door de markante, uitgesproken politiek-ideologische figuren als De Witt en Oldenbarnevelt, maar moet dit beeld worden bijgesteld? Het is jammer dat Dral daar niet uitgebreider op ingaat. Daarom is de toegevoegde waarde van deze politieke biografie beperkt. Dit komt deels door de beschrijvende methode van het boek, waarin conclusies meestal het karakter van een samenvatting krijgen. Maar het komt vooral door focus op Van der Heim zelf. Hoewel de auteur in het voorbijgaan soms vergelijkingen maakt met andere raadpensionarissen (19, 100, 119), blijven de conclusies van het boek beperkt tot de carrière van Van der Heim zelf. Voor zover deze politieke biografie een casestudy is naar het functioneren van raadpensionarissen, vinden we geen diepgaande interpretatie van het ambt van raadpensionaris of een systematische vergelijking.

Al met al biedt Tussen macht en onmacht inzicht in de invulling van het ambt van raadpensionaris in de praktijk en is het een mooi portret van een van die onbekende raadpensionarissen uit een eeuw die door politiek historici nog weinig bestudeerd is. Het boek maakt echter ook duidelijk dat verder onderzoek naar het ambt van raadpensionaris wenselijk is.