Jubileumboeken vormen een apart genre in de universiteitsgeschiedschrijving.1 Ze gaan van pure hagiografie tot positivistische kronieken gelardeerd met facta en data. Deze geschiedenis van de Universiteit van Groningen, geschreven naar aanleiding van haar vierhonderdste verjaardag, ontsnapt aan beide. Ze kan gelden als een geslaagd voorbeeld, als een standaardwerk in het genre. Het boek geeft zowel een chronologisch relaas van de geschiedenis van de Groningse alma mater als een thematisch overzicht van wat er toe doet. Beide overzichten haken op elkaar in en versterken elkaar door de rode draden die in de tekst verweven zijn.

Een van die rode draden vormt de geografische ligging van deze, voor Nederland noordelijk gelegen Universiteit. De verschuiving van epicentrum in de zestiende en zeventiende eeuw naar periferie in de latere eeuwen heeft alles te maken met de vorming van de Nederlandse natiestaat. Toch maakt de auteur ook duidelijk dat tot in de achttiende eeuw de nationale grenzen voor Groningen minder belangrijk waren dan het gegeven dat het Noorden een duidelijke eigen taalkundige en culturele regio vormde (196). Van Berkel beschrijft duidelijk hoe het gewest en de Groningse Universiteit langzaam maar zeker deel zijn gaan uitmaken van die groeiende ‘natiestaat’. Uiteraard hadden die verschuivingen invloed op de geografische herkomst van de studenten en op de studentenaantallen.

Een andere rode draad in dit boek is van ideologische aard. Hierbij gaat het over de veranderende functie en de betekenis van religie, politiek en wetenschap. Ook hier worden enkele vastgeroeste ideeën herzien of in elk geval sterk genuanceerd (269 e.v.). De Verlichting is niet aan de Groningse Universiteit voorbij gegaan. Er is meer gebeurd en veranderd dan traditioneel wordt aangenomen, vooral op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek. Daardoor veranderde ook de definitie van de Academie wat in de negentiende eeuw werd doorgezet.

Deze rode draden maken dit volumineuze werk aantrekkelijk. We mogen de auteur en de uitgeverij dankbaar zijn dat zij een boek van meer dan 900 bladzijden hebben willen uitgegeven. Dankzij de interessant gebrachte inhoud, de vlotte en soms beeldrijke taal en de uitgekiende vormgeving blijft dit boek boeien.

Wat de vormgeving betreft: het boek is rijk en gevarieerd geïllustreerd met talrijke zwart-wit platen in de tekst en kwaliteitsvolle afbeeldingen in kleur die op drie plaatsen in het boek zijn samengebracht. De prenten zijn niet alleen een lust voor het oog, ze versterken het verhaal. Prettig om lezen zijn ook de korte verhalen, anekdotes en nuttige toevoegingen in kaderteksten. Hierdoor wordt de lopende tekst niet onderbroken en bezwaard. Ook al zijn niet alle kaderteksten essentieel voor de inhoud, toch kruiden ze het geheel en verlevendigen ze de beweringen van de auteur. De beschrijving (245) over de verloederde en vervuilde staat van de academiegebouwen omstreeks 1700, omdat de pedel zijn taken niet naar behoren vervulde, laten niets aan de verbeelding over. Wel kun je je afvragen waarom de pedel destijds niet werd ontslagen. Het relaas over de studietijd van Antoon en Gerrit Jan Sichterman, beiden in Batavia geboren, geeft een realistischer beeld van hoe de Universiteit functioneerde op velerlei gebied in het midden van de achttiende eeuw dan de administratieve en normatieve bronnen (419-420). Zo ook worden de ‘kleine’ of ‘hypocriete’ kanten van enkele professoren plastisch beschreven (158-159, 709-711). De kaders zijn ook een goede plek om cijfermateriaal in onder te brengen. Omdat de auteur jarenlang in het archief onderzoek heeft gedaan en een waaier aan bronnen heeft geconsulteerd, had hij materiaal in overvloed; de uitgebreid geciteerde bronnen spreken meermaals voor zich. Zoals het een wetenschappelijk werk betaamt, is het boek rijkelijk geannoteerd en voorzien van een uitgebreid bronnen- en literatuuroverzicht. Zeker voor een lijvig boek als dit is het namenregister meer dan nuttig. Een trefwoordenregister ware dan ook meer dan welkom geweest.

Om naar de inhoud van Universiteit van het Noorden terug te keren: om het geheel overzichtelijk te houden is het boek per eeuw verdeeld over drie periodes. Binnen elke eeuw wordt de chronologische evolutie van de Groningse Academie besproken en komen er enkele thema’s in een apart hoofdstuk aan bod, zoals bestuur, onderwijs en mensen de Academische gemeenschap.

Dit boek is geen lofrede op de grootsheid van de Groningse Academie. Groots was die hoegenaamd niet. Met vallen en opstaan, met successen en tegenslagen, heeft deze noordelijke universiteit haar plaats bevochten in het Noord-Nederlandse universitaire landschap. Hoe dat ging, wordt genuanceerd uitgelegd. Door de Groningse instelling steeds te plaatsen in haar nationale en internationale context en door de nadruk te leggen op de mensen en niet op de structuren, was de auteur in staat mythes en clichés door te prikken, oorzaken van gevolgen te scheiden, onduidelijke of tweeslachtige informatie in de bronnen en uitspraken van tijdgenoten op te helderen en tot een gefundeerd voorstel van interpretatie te komen. Enerzijds bevestigt deze geschiedenis onze kennis over universiteiten in het ancien régime, en zeker die over de kleine tot middelgrote Duitse Landesuniversitäten: zelfde problemen, zelfde impasses, zelfde overlevingsstrategieën. Om enkele voorbeelden te geven: beperkte financiële draagkracht, het jaloers bewaken van de privileges, professorale inteelt gecombineerd met een gebrek aan talent, maar ook het enthousiasme en idealisme van enkelingen, elitisering van de studentenpopulatie die dikwijls samenging met ongemotiveerde studenten en een grote laksheid in het berechten van misdrijven door de academische rechtbank, de al dan niet positieve of negatieve rol die diverse overheden in het reilen en zeilen van de Academie hebben gespeeld.

Daarnaast komt de specifiek Groningse situatie goed uit de verf: de permanente rivaliteit tussen de Stad en de Ommelanden die dikwijls verlammend werkte, het laveren tussen prins- en staatsgezinden, de spanningen en zelfs hoogoplopende ruzies tussen ‘rekkeliken en preciezen’, tussen fundamentalisten en vrijdenkers, tussen diverse politieke-partijadepten. Deze problemen komen tot aan de hervorming van het Hoger Onderwijs in 1876 telkens weer terug, hoe verschillend de staatkundige situatie ook was. In zijn Tussenbalans (771-774) vat Van Berkel goed samen op welke wijze continuïteit en discontinuïteit het karakter van de Groningse Universiteit tussen 1614 en 1876 hebben bepaald.

Toch zijn er enkele zwakkere elementen in Van Berkels betoog. Verhoudingsgewijs heeft hij veel aandacht besteed aan de filosofische en theologische faculteiten en aan hun controversen, en minder aan de juridische en zeker de medische faculteiten. Het is niet geheel duidelijk waarom de theologen zo’n dominante rol konden spelen en een meerderheid aan studenten aantrokken, terwijl Landesuniversitäten, waar ik Groningen onder reken, juist de nadruk legden op de vorming van juristen en medici, naast die van theologen. Ook over de professionalisering van de Groningse Academie (416 en passim) had meer gezegd kunnen worden. De discussie over de missie van de universiteit, Bildung of beroepsvorming, is van alle tijden en alle regio’s. Carrièrejagers die de kantjes eraf lopen en enkel financieel en intellectueel aandacht besteden aan wat hun nodig lijkt, is een steeds terugkerende bekommernis van weldenkende professoren en curatoren.

Positief is de grote aandacht die Van Berkel aan de Franse Tijd besteedt, wat niet vanzelfsprekend is in Nederlandse historiografische overzichten. De auteur zegt terecht (380) dat de Franse universiteitspolitiek ingrijpende gevolgen had op het verdere bestaan van de Nederlandse universiteiten, zij het op langere termijn. Die politiek heeft uiteindelijk korte metten gemaakt met de oude geprivilegieerde politieke en sociale universitaire orde. Dat dit zijn volledige beslag pas kreeg met de Wet op het hoger onderwijs van 1876 verklaart de terminus ad quem van dit eerste deel van Universiteit van het Noorden.

Tot besluit. Door haar structuur en diepgang is deze geschiedenis van de Groningse Universiteit geen traditionele jubileumuitgave, maar een standaardwerk waarmee iedereen die met onderzoek naar eender welke vroegmoderne Europese universiteit bezig is, profijt kan doen. Net als de geschiedenis van de Leidse Universiteit van Willem Otterspeer toont ook het magnum opus van Klaas van Berkel aan dat één begenadigd schrijver die in ideale omstandigheden kan werken, meer vermag dan gespecialiseerde auteurs die bundels samenstellen, hoe kwaliteitsvol die bundels ook zijn.