Soms hebben geschiedkundige publicaties bij verschijning een actualiteitswaarde die het boek ook buiten de eigen vakkring aantrekkelijk maakt. Dit is het geval met Peter Bootsma’s dissertatie over coalitievorming in Duitsland en Nederland na de Tweede Wereldoorlog. In beide landen hebben in 2017 parlementsverkiezingen plaatsgevonden. In Nederland werd vervolgens de traditie van lang en moeizaam formeren voortgezet met de langste kabinetsformatie in de geschiedenis. In Duitsland daarentegen lijkt met een traditie te worden gebroken: kwamen nieuwe regeringen in het verleden meestal snel tot stand, de verkiezingsuitslag van september 2017 leidde voor het eerst sinds lange tijd tot een langdurig politiek proces. Wie de politieke ontwikkelingen in beide landen volgt, vindt in Bootsma’s dissertatie veel historische aanknopingspunten om de Nederlandse en Duitse coalitievorming van 2017 te duiden. Bootsma, onder meer coauteur van de veel geprezen biografie van Dries van Agt en auteur van de eveneens positief ontvangen studie over de acties van Molukse jongeren in de jaren zeventig, schrijft zeer toegankelijk, verhalend en met het juiste gevoel voor nuance. De chronologische opbouw van zijn studie maakt het ook goed mogelijk om snel informatie te verkrijgen over de totstandkoming van alle naoorlogse coalities tot 2017 (voor Nederland van 1946 tot en met 2012 en voor Duitsland van 1949 tot en met 2013). Daarmee past het boek in de lange traditie van publicaties over kabinetsformaties in Nederland van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis in Nijmegen, waar Bootsma zelf ook gewerkt heeft.

Door de keurige chronologie met achter iedere beschreven kabinetsformatie een ‘Intermezzo’ over de belangrijkste politieke ontwikkelingen in de tussenliggende periode, heeft de studie een sterk opsommend karakter en is zij voor het grootste gedeelte descriptief van aard. De literatuurbasis over Nederland is breed en de auteur maakt duidelijk dat hij het veld van de politieke geschiedenis van het naoorlogse Nederland goed overziet. Wat Duitsland betreft is dat duidelijk minder het geval. Hier verwijst Bootsma hoofdzakelijk naar algemene overzichtswerken en ontbreekt veelal verdergaande literatuur. Merkwaardig is dat Bootsma de verkiezingsuitslagen in Duitsland in zeteltallen presenteert. In Nederland mag dat gebruikelijk zijn geworden, in Duitsland bestaat deze gewoonte niet, al was het maar omdat door het Duitse kiesstelsel het aantal zetels in de Bondsdag per verkiezingsuitslag verschilt.

Ondanks de waardering voor de geboden overzichten van de kabinetsformaties in beide landen, is het opmerkelijk dat Bootsma nergens de vraag stelt waarom een vergelijking tussen Nederland en Duitsland op dit punt relevant is. Comparatief onderzoek is dan zinvol wanneer het leidt tot meer inzicht in de vergeleken onderwerpen of verklaringen biedt voor verschillen. Dergelijke overwegingen zoekt men bij Bootsma tevergeefs en zo blijven het vooral twee casussen die onafhankelijk van elkaar worden besproken, uitvoerig, maar zonder veel dwarsverbindingen.

Wel probeert Bootsma de enorme hoeveelheid feiten en gebeurtenissen tijdens de vele kabinetsformaties analytisch in te kaderen door in te zoomen op wat hij de vier P’s noemt: partijen, programma, portefeuilleverdeling en personen. Tezamen, aldus Bootsma, vormen deze vier P’s de instrumenten waarmee men de black box van de kabinetsformaties in beide landen kan openen. Ze helpen bovendien bij het vinden van een antwoord op de centrale vraag waarom kabinetsformaties in Nederland gemiddeld twee keer zo lang duren als in Duitsland. Nadat Bootsma ca. 175 pagina’s over de Duitse en ruim 200 over de Nederlandse kabinetsformaties heeft geschreven, probeert hij in het laatste deel de vier P’s vergelijkend te presenteren om zo tot een antwoord op zijn vraag te komen. Geheel overtuigend is dit antwoord niet. Wanneer Bootsma, ter verklaring van de snellere kabinetsvorming in Duitsland, wijst op het Duitse kiesstelsel, waarbij iedere kiezer twee stemmen heeft (een voor een kandidaat, een voor een partij), dan heeft dat niets met de snelheid van regeringsvorming te maken. Gezien de grote verschillen tussen het Duitse en het Nederlandse partijenlandschap is het ook weinig zinvol een antwoord op de vraag te zoeken of de voor Nederland relevante ‘uiterste noodzaak-these’ (Nederlandse christendemocraten zouden slechts coalities met sociaaldemocraten sluiten wanneer zij geen andere mogelijkheden zien) ook op Duitsland van toepassing kan zijn. En wanneer hij, schrijvend over de P van personen, uitweidt over de portefeuilleverdeling per partij, over het aantal vrouwelijke ministers en over de al of niet juridische achtergrond van ministers in beide landen, mag dat interessante feiten opleveren, maar een antwoord op de centrale vraagstelling komt daarmee niet dichterbij.

Dit ligt vooral aan het gegeven dat de auteur de belangrijkste verklarende factor in het geheel niet behandelt, namelijk de P van partijenlandschap. Als hij die in zijn rijtje van P’s had opgenomen, zou hij bij het zoeken naar antwoorden een stuk verder zijn gekomen. Immers, in de jaren vijftig kristalliseerde zich in de Bondsrepubliek een zeer overzichtelijk partijenspectrum uit met CDU/CSU en SPD als twee grote Bondsdagfracties, en met de FDP als Zünglein an der Waage. Het gevolg was dat coalitievorming in de Bondsrepubliek decennialang een uiterst overzichtelijke aangelegenheid was met een beperkt aantal mogelijkheden en dienovereenkomstige snelheid. Vanaf 1983 telde de Bondsdag vier fracties, na 1990 waren dat er vijf en daarvan bleven er in 2013 weer vier over. Het feit dat sinds de verkiezingen van september 2017 zes fracties in de Bondsdag vertegenwoordigd zijn en gebroken werd met de traditie van korte regeringsvorming, wijst op het grote belang van de P van partijenlandschap. De centrale factor ter verklaring van Bootsma’s hoofdvraag ligt dan ook in het steeds zoveel grotere aantal partijen in de Tweede Kamer. In de Nederlandse polder waren vrijwel altijd meer partijen nodig voor een parlementaire meerderheid dan in Duitsland en was het nooit verstandig om voor de verkiezingen regeringssamenwerking met politieke concurrenten uit te sluiten. Het gegeven dat in Nederland vrijwel altijd verschillende coalities mogelijk waren, is een factor die in Duitsland goeddeels afwezig was. Het gezegde ‘Formeren is elimineren’ is in Duitsland onbekend.

Ook een andere P zoekt men tevergeefs bij Bootsma: de P van politieke cultuur. Dit begrip duikt weliswaar een enkele keer in het boek op, maar niet in een verklarende context. De Duitse naoorlogse politieke geschiedenis is niet los te zien van het trauma van de ondergang van de Republiek van Weimar dat ertoe leidde dat stabiliteit en regeerbaarheid steeds hoog in het vaandel stonden. Politieke onzekerheid diende te worden voorkomen en ook daarom lag het voor de hand het land niet gedurende vele maanden ‘onregeerbaar’ te laten. Daarbij komt dat de Duitse politieke cultuur lange tijd werd gekenmerkt door een concurrentiedemocratie met een keuze tussen een ‘links’ en ‘conservatief’ blok en dat heeft decennialang de coalitievorming vereenvoudigd. Ook wanneer Duitsland inmiddels geen ideaaltypische concurrentiedemocratie meer is, de politieke cultuur is en blijft anders dan die in de Nederlandse polder, waar de oude pacificatiedemocratie nog steeds haar sporen nalaat. Samenvattend: Bootsma heeft een lezenwaardige en nuttige studie geschreven met goede overzichten over de Nederlandse en Duitse naoorlogse politieke geschiedenis. Jammer is wel dat hij voor een antwoord op zijn hoofdvraag voor de hand liggende verklaringen over het hoofd heeft gezien.