‘We zijn nog lang niet klaar met “ons” koloniale verleden’, zo opende het redactioneel van een recent BMGN-nummer.1 Het koloniale verleden is allerminst het enige verleden waar ‘wij nog lang niet klaar’ mee zijn. Ook voor allerlei andere zwarte bladzijden uit onze geschiedenis wordt geregeld aandacht gevraagd, variërend van het slavernijverleden tot aan geweld tegen kinderen in de jeugdzorg. De verschrikkingen uit de Tweede Wereldoorlog blijven daarbij een belangrijk ijkpunt, zoals de recente publicatie van Vergeten slachtoffers. Psychiatrische inrichting de Willem Arntsz Hoeve in de Tweede Wereldoorlog door de historici Marco Gietema en Cecile aan de Stegge bevestigt.

De befaamde uitspraak van Huizinga – ‘geschiedenis is de geestelijke vorm waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden’ – is nog altijd raak. Momenteel betekent dit ‘zich rekenschap geven’ vaak enerzijds het afrekenen met misstanden uit het verleden, en anderzijds het recht doen aan de slachtoffers. In dit verband moet ik denken aan een uitspraak van de Sloveense filosoof Slavoj Zˇizˇek uit 1995: ‘We leven in een tijdperk van universele victimisering. We zijn in elke situatie op zoek naar het slachtoffer’.2 In het verlengde hiervan schreef de Belgische historicus Antoon Vrints: ‘Het is juist vaak het slachtofferperspectief dat in het hedendaagse door victimisering gedomineerde klimaat een nuchtere analyse van geweld in de weg staat’.3

Het is niet de bedoeling hiermee iets af te doen aan de ernst van wat er is gebeurd met de psychiatrische patiënten in de Willem Arntsz Hoeve tijdens de Tweede Wereldoorlog. Met aandacht en erkenning voor al dan niet vergeten slachtoffers is niets mis. Wel meen ik dat historici zich rekenschap moeten geven van de cultuur van waaruit zij de vraag krijgen – en soms de opdracht en bijbehorende financiering – om aan historische waarheidsvinding te doen. Mijn eigen ervaring4 is dat er een zeker spanningsveld bestaat tussen de normatieve vragen en verwachtingen vanuit opdrachtgever, politiek en maatschappij, en de descriptief-analytische invalshoek van historici.

Dit spanningsveld is expliciet aanwezig in het boek van Gietema en Aan de Stegge. Dit blijkt al direct uit het contrast tussen de normatieve hoofdtitel Vergeten slachtoffers en de descriptieve ondertitel Psychiatrische inrichting de Willem Arntsz Hoeve in de Tweede Wereldoorlog. De hoofdtitel verwijst naar de ontstaansgeschiedenis van het boek. De auteurs kregen de opdracht om dit boek te schrijven nadat er Kamervragen waren gesteld naar aanleiding van een televisie-uitzending over het verzwegen oorlogsleed van psychiatrische patiënten tijdens de Tweede Wereldoorlog.5 Het onderzoek van Gietema en Aan de Stegge werd moreel en materieel gesteund door het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Zeist en een hele lijst andere instanties. De rechtsopvolgers van de Willem Arntsz Stichting (Altrecht GGZ en Reinaarde) gaven de opdracht om dit boek te schrijven, in coördinatie met een onafhankelijke ‘Kerngroep Vergeten Slachtoffers’. In het voorwoord schrijven de opdrachtgevers over deze vergeten slachtoffers, de 1163 patiënten die gedurende de Tweede Wereldoorlog in de Willem Arntsz Hoeve overleden: ‘Met het onderzoek naar wie zij waren, wie zij zijn geworden geven we hun gezicht terug, erkennen wij hun leven en hun wederkerige betekenis voor anderen. Omdat ze erbij horen. Voor henzelf, voor hun familie en vrienden, voor de inwoners van Den Dolder en voor de medewerkers van toen en nu is deze erkenning persoonlijk en maatschappelijk van groot belang’.

Zoals de ondertitel aangeeft, bestaat dit boek grotendeels uit een zorgvuldige reconstructie van de verwikkelingen – en in het bijzonder de almaar verslechterende leefomstandigheden voor de patiënten – in de Willem Arntsz Hoeve tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de patiëntensterfte in de Hoeve piekte tijdens de Hongerwinter, eisten voedseltekort, kou, gebrek aan hygiëne en infectieziekten al in de jaren daarvoor hun tol. Mede door de evacuatie van patiënten uit verschillende andere Noord-Hollandse inrichtingen naar de Willem Arntsz Hoeve, namen overbevolking en schaarste aan levensmiddelen en brandstof al in 1942 en 1943 zorgwekkende vormen aan. Deze situatie ging van kwaad tot erger ook doordat de belangen van de patiënten veronachtzaamd werden door de nationaalsocialistische regenten en de geneesheer-directeur van de Hoeve, die respectievelijk in 1942 en 1943 waren aangesteld.

De descriptieve aanpak is grotendeels geslaagd. Op basis van zorgvuldig, ambachtelijk bronnenonderzoek geven de auteurs een indringend en aangrijpend relaas van de geschiedenis van een Nederlandse psychiatrische inrichting in oorlogstijd. Waar de bronnen het toelieten – zoals het via nabestaanden opgespoorde dagboek van één van de patiënten – is het ook een ‘history from below’ geworden die een goed beeld geeft van het dagelijkse leven van patiënten en medewerkers.

Wel kreeg ik de indruk dat de auteurs erg dicht op hun bronnen zijn blijven zitten. Dat uit zich onder andere in soms wat al te uitvoerige beschrijvingen en het ‘aan elkaar breien’ van brokken informatie. Met iets meer afstand van de bronnen en een uitvoerigere literatuurstudie had het boek niet alleen een wat strakkere lijn, maar ook meer diepgang kunnen hebben. De auteurs hadden zich bijvoorbeeld explicieter kunnen verhouden tot het standpunt dat Oosterhuis en Gijswijt-Hofstra innemen in hun standaardwerk over de geschiedenis van de geestelijke gezondheidszorg: ‘Uit niets blijkt evenwel dat Mussert en de zijnen van zins waren de geesteszieken in Nederland te vermoorden door uithongering […]. Het ging hun om kostenbesparing en verlaging van rantsoenen […]’.6 Bovendien gaan de auteurs voorbij aan de bevinding van Joost Vijselaar in diens boek Het gesticht: enkele reis en retour, dat er in de periode 1890-1950 veel meer verkeer (‘retourtjes’) tussen ‘thuis’ en inrichting was dan vaak is verondersteld.7 Op grond daarvan zou je kunnen denken dat tijdens de oorlog vooral zware ‘gevallen’ werden opgenomen in inrichtingen als de Willem Arntsz Hoeve, omdat lichtere ‘gevallen’ eerder naar huis werden gehaald of thuis werden gehouden. Een aantal gegevens dat de auteurs aandragen, zoals de toename van het percentage bedlegerige patiënten, wijzen in die richting. Helaas gaan zij niet dieper in op de vraag in hoeverre een dergelijke verandering van de patiëntenpopulatie kon bijgedragen aan de absolutie en relatieve toename van sterfte. Dit is één van vele ‘confounding factors’ die de (op zichzelf deugdelijk uitgevoerde) kwantitatieve analyse in het zesde en laatste hoofdstuk, ‘de doodsoorzaken besproken’, van betrekkelijke waarde maken.

Het‘te dicht op de bronnen zitten’ is de auteurs overigens gemakkelijk te vergeven. Ze hebben hun boek in de betrekkelijk korte tijd van ruim een jaar geschreven en spreiden een grote mate aan empathie tentoon. Het gevolg is dat er hier en daar een morele lading in het vertoog en de wijze van formuleren is geslopen. Het lijkt alsof de auteurs telkens willen benadrukken hoe verschrikkelijk het allemaal is wat er is gebeurd – en dat deze donkere geschiedenis tot nu toe is genegeerd – terwijl het verhaal dat ze vertellen genoegzaam voor zich spreekt. Ook gaan de auteurs net iets te ver met de claim dat hun boek het eerste is dat de ‘vergeten slachtoffers’ erkent. In andere publicaties8 is wel degelijk, zij het beknopt, aandacht besteed aan de grote sterfte in psychiatrische inrichtingen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Ondanks deze kanttekeningen moet gezegd worden dat Gietema en Aan de Stegge een gedegen en aangrijpend boek hebben geschreven, dat op een stevig fundament van zorgvuldig bronnenonderzoek rust. De reconstructie van de gebeurtenissen en omstandigheden in de Willem Arntsz Hoeve tijdens de oorlogsjaren is zo krachtig dat de kwantitatieve analyse uit het slothoofdstuk weinig toegevoegde waarde heeft en de soms ‘moraliserende’ toon onnodig is.