Het voorliggende nummer bestrijkt de volledige chronologische en geografische bandbreedte van het tijdschrift, van de ‘geboorte’ van de Lage Landen tot de rol van Nederland in transnationale organisaties aan het eind van de twintigste eeuw.

We starten in het zeventiende-eeuwse Utrecht, waar katholieken, ondanks hun gemarginaliseerde positie, actief deelnamen aan systemen van armenzorg en zo het multiconfessionele karakter van de gemeenschap van burgers mee gestalte gaven. In dit proces, zo stelt Genji Yasuhira, gaven zij een eigen invulling aan het begrip ‘openbaarheid’; hun politiek getuigde dan ook van het dynamisch karakter van de publieke sfeer. Ook in de bijdrage van Bram Mellink staan discussies over de grenzen van de publieke sfeer centraal. Hoofdrolspelers in dit artikel zijn de Nederlandse ‘neoliberalen’ die in het decennium na de Tweede Wereldoorlog een felle publieke ideeënstrijd voerden tegen de introductie van de sociale zekerheid. De verzorgingsstaat kon in Nederland pas worden opgebouwd, zo betoogt Mellink, nadat deze neoliberale weerstand in het midden van de jaren vijftig werd gebroken. In een derde bijdrage verschuift de blik naar een nog recentere periode: de succesvolle opbouw van Amnesty International in Nederland tijdens de jaren zestig en zeventig. Zelfs voor een sterk gecentraliseerde, transnationale organisatie als Amnesty blijken lokale bijzonderheden en nationale contexten van bepalend belang om de geschiedenis van de organisatie in zijn geheel te begrijpen, zo toont deze studie aan.

Een discussiedossier met een bijzondere formule sluit dit nummer af. Élodie Lecuppre-Desjardin en Robert Stein, beiden auteur van een recente monografie over staatsvorming (of de afwezigheid daarvan) onder de Bourgondische hertogen, recenseren elkaars werk. Zoals Frederik Buylaert in een inleidende toelichting duidelijk maakt, heeft de keuze voor een institutioneel en ‘noordelijk’ dan wel een ideologisch en ‘zuidelijk’ perspectief tot twee verschillende interpretaties geleid. De geboorte van de Lage Landen blijft historici beroeren.

Namens de redactie,

KAAT WILS

The present issue covers the complete chronological and geographic spectrum of the journal, from the origins of the Low Countries through the role of the Netherlands in transnational organisations at the end of the twentieth century.

Our journey begins in seventeenth-century Utrecht, where Catholics, despite their marginalised status, were active in poor relief systems, thereby crystallising the multi-denominational nature of the community of citizens. In the process, Genji Yasuhira argues, they elaborated their own conception of ‘public’; their policy reflected the dynamic nature of the public sphere. The article by Bram Mellink highlights the debate about the boundaries of the public sphere as well. In this article the pivotal figures are the Dutch ‘neoliberals’, who in the decade following the Second World War waged a fierce public ideological campaign against the introduction of social security. In the Netherlands, Mellink argues, establishing the welfare state was possible only after this neoliberal resistance was overcome in the mid-1950s. In the third contribution the focus shifts to a still more recent period: the successful expansion of Amnesty International in the Netherlands in the 1960s and 70s. Even for a highly centralised transnational organisation such as Amnesty, local particularities and national contexts appear to have been decisive for a comprehensive understanding of its history, as this study demonstrates.

This issue concludes with a discussion section in a special format. Élodie Lecuppre-Desjardin and Robert Stein, both authors of a recent monograph on state formation (or the absence thereof) among the dukes of Burgundy, review each other’s work. As Frederik Buylaert explains in his introductory note, opting for an institutional, ‘northern’ or an ideological, ‘southern’ perspective leads to two highly divergent interpretations. The origins of the Low Countries continue to excite historians.

On behalf of the editors,

KAAT WILS