Koninklijk drama blijft tot de verbeelding spreken. Zo zijn recentelijk twee nieuwe wetenschappelijke studies toegevoegd aan de stapel publicaties van onder anderen Cees Fasseur, Hans Daalder, Lambert Giebels en Jan Willem Brouwer over de crisis in 1956, toen de Nederlandse monarchie en het huwelijk van koningin Juliana en prins Bernhard langs de rand van de afgrond scheerden. Historicus en kenner van de monarchie Han van Bree promoveerde in 2015 op De geest van het Oude Loo. Juliana en haar vriendenkring (1947–1957). Dankzij de vondst van veel nieuw materiaal in privé-archieven kon hij voor het eerst de schijnwerpers richten op intimi rond Juliana en gebedsgenezeres Greet Hofmans. Deze vriendengroep kwam in de jaren 1951–1957 bij elkaar tijdens zeventien Oude Loo-conferenties. Daarnaast verscheen in 2016 de eerste kritische wetenschappelijke biografie van de monarch onder de titel Juliana. Vorstin in een mannenwereld van de hand van de gelauwerde biograaf en socioloog Jolande Withuis. In deze publicatie belicht Withuis het persoonlijke leven van Juliana (1909–2004) alsmede haar koningschap in een veranderende samenleving.

Juliana kent een klassieke opzet. Withuis behandelt het leven van de koningin in vijf chronologische delen. Na Juliana’s jeugd en vorming in deel een, volgen in deel twee haar huwelijk met Bernhard en de jaren 1940–1945. Zoals Withuis al eerder heeft laten zien in Juliana’s vergeten oorlog (2014), ontwikkelde de kroonprinses zich tijdens de oorlog in Canada tot een zelfstandige en politiek actieve vrouw. Hiermee zette Withuis op overtuigende wijze een nieuw beeld van Juliana neer. Het derde deel van de biografie begint tijdens het laatste oorlogsjaar en eindigt met de crisis in 1956. In deze periode gaf de jonge koningin blijk van grote ambities. Mede geïnspireerd door gebedsgenezeres Greet Hofmans en haar vrienden wilde ze graag een grote vredesvorstin worden. Met deze vriendengroep nam ze het initiatief tot de Oude Loo-conferenties, waar zij ook actief aan deelnam. Bernhard organiseerde zijn eigen Bilderbergconferenties en hield er bovendien buitenechtelijke affaires op na. Hierdoor liep de spanning tussen de echtelieden op en vielen Juliana’s dromen over het koningschap in duigen. De huwelijkscrisis bracht de monarchie in gevaar.

De tweede helft van Juliana’s koningschap (1956–1980) komt in deel vier aan bod. De crisis is dan afgewend, maar Juliana moest hiervoor een hoge prijs betalen. Daarna groeide ze uit tot de sociaal betrokken koningin die in de collectieve beeldvorming is blijven voortleven. Tijdens haar laatste levensfase, na haar abdicatie, die in deel vijf wordt besproken, leefde ze in de luwte.

Withuis heeft haar biografie voor een breed publiek geschreven en zorgvuldig en uitgebreid gedocumenteerd. Liefhebbers van mooie verhalen en smeuïge anekdotes komen ruimschoots aan hun trekken. Hermelijnkoorts is Withuis vreemd. Ze deinst er niet voor terug om scherpe bewoordingen te gebruiken. Anders dan een van haar voorgangers durft ze bijvoorbeeld koningin Wilhelmina te citeren, die Bernhard als ‘schurk’ kwalificeerde (601).

Na de recente wetenschappelijke biografieën van de koningen Willem I, II en III alsmede de publicaties over koningin Wilhelmina, is het goed dat Juliana nu aan deze rij kan worden toegevoegd. De monarchie is een relevant instituut in ons staatsbestel en het belang van Withuis’ biografie voor de politieke geschiedenis staat dan ook buiten kijf. Interessant is dat Juliana een nieuw beeld van de koningin neerzet. Bij haar overlijden werd ze vooral gezien als de maatschappelijk werkster op de fiets, een ‘gewone’ en sociaal betrokken koningin, een moederlijke figuur. Withuis laat een meer gelaagd beeld zien. De biograaf koos voor een psychologiserende benadering en portretteerde een grillige en chaotische vrouw. Juliana wilde ‘gewoon’ zijn terwijl ze eigenlijk niet goed wist wat dat was. Tegelijkertijd hechtte ze aan haar privileges. Withuis schroomt niet vergaande conclusies te trekken over de mentale gesteldheid van de koningin tijdens de crisis in 1956. Soms leek het er volgens haar op dat Juliana toen ‘was toegerust met een dissociatieve beheptheid, een vermogen om ongewenste stukjes realiteit uit haar bewustzijn te bannen’ (561). Bijzonder is Withuis’ portret van Juliana in de oorlogsjaren. Hier treedt een sterke vrouw naar voren die zich inzette voor haar land en die ver af stond van de latere pacifistische Juliana.

Hoewel het lijvige en rijke boek van Withuis het leven van Juliana uitgebreid documenteert, blijven er nog vragen over voor nieuw onderzoek. Slechts een enkele keer refereert Withuis aan de internationale dimensie van het koningschap. Het zou interessant zijn meer te weten te komen over bijvoorbeeld de rol van staatsbezoeken en de omgang met buitenlandse vorsten. De belangrijkste kwestie die verdere verdieping vraagt, is die naar Juliana’s functioneren als monarch. Uit het boek komt een vorstin naar voren die krachtig was tijdens de oorlog, daarna onder invloed van Greet Hofmans en haar vrienden ging ‘zweven’ en ook later – volgens oud minister-presidenten De Jong en Van Agt – warrig, en intellectueel niet sterk zou zijn. Withuis maakt duidelijk dat het voor Juliana, als vrouw in een mannenwereld, lastig opereren was. Tegelijkertijd laat zij echter zien dat Juliana wel degelijk haar zin wist te krijgen wanneer zaken aan de orde waren die voor haar persoonlijk en voor de monarchie van het grootste belang waren. Voorbeelden hiervan zijn haar toespraken tijdens het staatsbezoek aan de Verenigde Staten, haar inkomen, de gratiëring van oorlogsmisdadiger Lages, het voornemen een onderscheid te maken tussen prinsen en prinsessen met meer en minder privileges en, niet te vergeten, de Lockheedaffaire. In al die kwesties won de koningin het van de minister-presidenten. Ze vocht als een ‘leeuwin’ voor het familiebelang, aldus Piet de Jong (696). Het is ook opvallend dat ze in 1956 een buitengewoon ingewikkelde kabinetsformatie goed volbracht. Waarom zou er dan aan haar mentale gesteldheid getwijfeld moeten worden? Dit roept de vraag op of de kwaliteiten van Juliana niet zijn onderschat. Noodgedwongen paste ze zich aan veranderende omstandigheden aan. Door zich als een ‘gewone’ koningin te presenteren, voelde ze bovendien de tijdgeest goed aan en kon ze een algemeen geliefde vorstin worden.

De hoofdrolspelers uit Juliana keren terug in De geest van het Oude Loo van Van Bree. Hij schrijft over de moeilijkste jaren uit het leven van de vorstin, de periode 1947–1957. Hoe precair de situatie was geworden, bleef lange tijd onbekend bij het grote publiek. In 1956 barstte de bom. Mede dankzij een door Bernhard geïnitieerde publicatie in het Duitse weekblad Der Spiegel kwam het drama van Soestdijk naar buiten. Vervolgens wist de prins de beeldvorming naar zijn hand te zetten waardoor hij in de publieke opinie kon uitgroeien tot de redder van de monarchie. Niet Bernhards affaires en buitenechtelijke kinderen bepaalden het beeld van het koningspaar, maar Juliana, die ontoerekeningsvatbaar zou zijn en in de ban was van een Nederlandse Raspoetin. De groep rond de machtsbeluste gebedsgenezeres Greet Hofmans zou bovendien geprobeerd hebben een wig te drijven tussen Juliana en Bernhard, en uit zijn op politieke macht.

Mede dankzij het ingrijpen van het kabinet-Drees, dat een commissie van drie wijze mannen instelde, kwam er een einde aan de crisis. Huwelijk en monarchie bleven overeind, maar Juliana betaalde hiervoor een hoge prijs. Ze moest de banden met de vriendengroep rond Greet Hofmans verbreken, mocht de Oude Loo-conferenties niet meer bijwonen en moest een deel van haar personeel ontslaan.

Vanwege de constitutionele problemen die de crisis veroorzaakten, is in de literatuur tot nog toe vooral naar de politieke kant van het drama gekeken. Van Bree wil echter weten wat dit offer voor de koningin zelf betekende. Hij vraagt zich af hoe het mogelijk was dat Juliana in 1956 zo kwetsbaar werd dat ze zoveel moest opgeven dat haar dierbaar was. Hij bestudeert het drama aan de hand van een analyse van de zeventien Oude-Loo conferenties die plaatsvonden tussen 1951 en 1957. In een prachtige omgeving, afgezonderd van de buitenwereld, wisselde hier een elitaire groep gelijkgestemde mannen en vrouwen met elkaar van gedachten over de manier waarop ‘iedereen individueel zijn of haar steentje bij kon dragen aan de verwezenlijking van Gods plan en daarmee uiteindelijk aan de wereldvrede’ (10). Los van kerkelijke structuren hadden deze conferenties dus vooral een religieuze missie: het herstellen van Gods heerschappij op aarde. In totaal namen ruim 1500 vrouwen en mannen uit binnen- en buitenland deel aan deze bijeenkomsten. Het merendeel bestond uit buitenkerkelijke christenen, maar er waren ook moslims en hindoes aanwezig. Juliana was een van de initiatiefnemers en nam, evenals haar moeder, deel aan de conferenties. Het idyllische kasteeltje in de Apeldoornse bossen waar men bij elkaar kwam was eigendom van het Huis Oranje Nassau.

Van Bree documenteert rustig, zorgvuldig en uitgebreid de aanloop naar de conferenties, de voorbereidingen (inclusief de ruzies tussen de voorbereiders), het verloop, de deelnemers, de afzeggers en de reacties op de bijeenkomsten. Vanwege de associatie met New Age en het buitenkerkelijke karakter werd de Oude-Loo kring door de buitenwereld met argusogen bekeken. Ook de crisis in 1956 komt in dit boek aan bod. Bijzonder is dat de auteur de hand wist te leggen op nooit eerder openbaar gemaakte privé-archieven van mensen die dicht bij Juliana stonden, inclusief hun correspondentie. Daarenboven kon hij de betrokkenen of de nazaten van betrokkenen interviewen. Hoewel voor Van Bree, evenals voor Withuis, het Koninklijk Huis Archief gesloten bleef, kon hij zo toch een nieuwe blik op de groep rond Juliana geven.

Van Bree laat overtuigend zien dat Juliana geen slaafse volgeling van Greet Hofmans en haar vrienden was. Bovendien kleurde ze keurig binnen de staatsrechtelijke lijntjes, aldus Van Bree. Interessant is zijn kijk op de rol van Greet Hofmans. Hij verklaart het beeld van een op macht beluste toverkol aan de hand van stereotype genderopvattingen in de jaren vijftig. Een oudere, ongetrouwde vrouw als Hofmans werd argwanend bekeken, omdat ze niet voldeed aan de norm voor vrouwen. Maar een Nederlandse Raspoetin was ze zeker niet volgens Van Bree. Ze legde haar adviezen niet dwingend op en was niet uit op politieke macht. Ze wilde religieuze macht. Deze conclusie laat overigens niet onverlet dat religieuze en politieke macht wel degelijk met elkaar verweven kunnen zijn, iets waarvan Van Bree zich meer rekenschap had mogen geven.

Van Bree’s proefschrift maakt duidelijk dat Juliana weliswaar kwetsbaar was, maar niet omdat ze, zoals Bernhard het voorstelde, ontoerekeningsvatbaar en onzeker was. Dit had veeleer te maken met de tijd waarin ze leefde, haar positie als vrouwelijk staatshoofd in een door mannen gedomineerde politieke wereld én door de bijeenkomsten in Apeldoorn. Van Bree laat goed zien hoe relevant gender als analytisch kader is, niet alleen om de rol van een vrouwelijke monarch beter te begrijpen, maar ook die van de beeldvorming over Hofmans en de rol van vrouwen in buitenkerkelijke en kerkelijke verbanden.

Beide auteurs gaan diep in op de oorzaken en de ontwikkeling van de crisis aan het hof en de vraag waarom Juliana zo kwetsbaar was geworden. Van Bree hecht daarbij meer aan de positie van het individu binnen een grotere groep terwijl biograaf Withuis meer oog heeft voor Juliana’s persoonlijkheid als drijvende kracht. Over enkele zaken zijn ze het met elkaar eens. De tijd waarin Juliana leefde en de uitzonderlijke rol van een vrouw in een door mannen gedomineerde wereld maakten het regeren voor haar bijzonder lastig. Louter mannelijke politici met traditionele rolopvattingen zochten een uitweg uit de crisis. Voor deze heren was een echtscheiding als oplossing ondenkbaar, iets wat voor Juliana wellicht goed had kunnen uitpakken.

Ook wijzen beide auteurs op de rol van religie en de vriendengroep van Juliana. Ze doen dat ieder op geheel eigen wijze. Juliana was diep religieus. Haar geloof doordesemde haar leven en werk als monarch. De spirituele belangstelling van Juliana, net als die van haar moeder en haar dochter Irene, ging ook uit naar vormen van religieus bewustzijn buiten reguliere kerkgenootschappen. Wilhelmina was geïnspireerd door de Indiase, christelijke zendeling Soendar Singh en door Hendrik Bô Yin Râ, de geestelijke naam van de Duitse schrijver en kunstschilder Joseph Schneiderfranken. Sommige leden van de hofhouding en adellijke vriendinnen van Juliana kenden ook die mystiek-filosofische ontvankelijkheid. Withuis laat duidelijk merken dat ze van Juliana’s religiositeit niet is geporteerd. Met een dergelijke taakopvatting van een vorst ligt volgens haar het gevaar van een theocratie op de loer: ‘Aan wie niet geloofde, had deze vorstin weinig te bieden’ (695). Withuis’ woordkeuze is weinig precies wanneer het over religieuze opvattingen gaat, soms zelfs ronduit badinerend. Zo spreekt ze over ‘Juliana’s geneigdheid tot zweven’ (746). Ook het soms ondoorgrondelijke taalgebruik van Hofmans en haar adepten is de biograaf een gruwel. Volgens haar bracht een groep zeloten rond Hofmans de monarchie aan de afgrond en was Juliana verslaafd aan de gebedsgenezeres.

Van Bree plaatst de spiritualiteit van Juliana in een breder kader. Zeker in de jaren vijftig was de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking (en politici) religieus en lid van een kerkgenootschap. Van Bree maakt duidelijk hoe hij de begrippen religie, sekte en spiritualiteit definieert en citeert uitgebreid, zonder veel te oordelen. Van Bree laat zien dat de buitenkerkelijke groep rond Hofmans niet paste binnen de gangbare kerkelijke opvattingen en structuren en mede daarom als bedreigend werd ervaren. Niet omdat Juliana religieus was ontstond een probleem, zo stelt hij, maar omdat haar opvattingen te weinig in de pas liepen met wat usance was binnen kerkelijk Nederland. In zekere zin zat ze, volgens Van Bree, ‘net naast de tijd’ (380). Ook hij wijst op het taalgebruik van Hofmans en haar sekte. Hij heeft daarbij vooral oog voor het effect hiervan: het ongebruikelijke taalgebruik zorgde voor verwarring en miscommunicatie, hetgeen bijdroeg aan een verslechtering van de verschillende verhoudingen. Ook daarom, concludeert Van Bree, maakten Greet Hofmans, haar vriendengroep en de Oude Loo-conferenties Juliana kwetsbaar.

Waar over de betekenis van Greet Hofmans uiteenlopend wordt geoordeeld, wijzen beide auteurs eensgezind naar de ondermijnende rol van Bernhard. Aan het vele dat reeds bekend is over zijn maîtresses, zijn buitenechtelijke kinderen en corruptieschandalen, heeft Withuis toch nog nieuwe onaangenaamheden toe kunnen voegen. De prins ondermijnde zijn vrouw in haar functioneren als vorstin. Zo vernederde hij haar door haar ‘de witte olifant’ te noemen waar het personeel bij was (375). Van Bree laat zien dat Juliana’s vrienden er bij haar op aandrongen dat ze Bernards gedrag niet meer moest accepteren.

Over de rol van Bernhard lopen de meningen in historisch Nederland uiteen, zoals Van Bree laat zien. Waar de een, zoals historicus Cees Fasseur, milder oordeelt en Bernhard als de redder van de monarchie ziet, geven anderen, zoals onder meer Annejet van Zijl, een negatiever beeld van hem. Ook Van Bree en Withuis wijzen op Bernhards kwalijke kanten, hoewel Withuis er wel oog voor heeft dat Juliana altijd verliefd is gebleven op de man die haar zo naar beneden haalde. Dit was de tragiek van Juliana’s leven. Dat Juliana ondanks de affaires, de vernederingen en de schandalen overeind bleef, laat indirect iets van haar kracht zien.

Concluderend kan worden gesteld dat de kwetsbaarheid van Juliana niet alleen werd veroorzaakt door de samenleving, haar religieuze opvattingen en haar persoonlijkheid, maar ook door haar familieleden. Naast Bernhard zorgde Irene met haar huwelijk met de katholieke Spaanse kroonpretendent Carlos Hugo van Bourbon-Parma in 1964 voor problemen. Ook de keuze van personeel en de omgang met bepaalde vrienden maakten de vorstin kwetsbaar. Zoveel zwakheden rond de persoon van een vorst, zo laten beide boeken zien, maken het instituut monarchie kwetsbaar. Hiermee is ook het belang van beide studies onderstreept. Ondertussen is de crisis op Soestdijk ook een cause célèbre aan het worden voor studies naar beeldvorming. Zolang het Koninklijk Huisarchief nog voor veel onderzoekers gesloten is, blijft er ruimte voor speculatie en is het laatste woord over dit koninklijk drama nog niet geschreven.