Sommige boeken worden als eyeopeners gekwalificeerd. Ze dwingen de lezer om vanzelfsprekend lijkende gebeurtenissen of schijnbaar eenduidige ontwikkelingen anders te bekijken. Bram Mellinks Worden zoals wij is zo’n eyeopener. Op meesterlijke wijze doorprikt Mellink in dit boek de mythe van de opkomst van de naoorlogse geïndividualiseerde samenleving. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, bracht de geïndividualiseerde samenleving geen onthechting van samenleving en individu. Het naoorlogse geloof in het individu bewerkstelligde juist het tegenovergestelde: het bleek een uitstekend middel voor nieuwe groepsvorming, en bracht zo maatschappelijke krachten die in het verleden met elkaar botsten juist dichter bij elkaar. Mellink verdedigt deze these door de evolutie in de Nederlandse onderwijsdebatten en de discussies over opvoedingsidealen te schetsen. Hij gebruikt daarbij het onderwijs als middel om de totstandkoming van de geïndividualiseerde samenleving te begrijpen. Juist in discussies over het onderwijs reflecteert de samenleving immers over haar eigen aard en verwoordt ze haar wensen en verwachtingen ten aanzien van de toekomst.

Worden zoals wij is geen klassieke onderwijsgeschiedenis. Mellink stelt niet de vraag hoe onderwijshervormingen de schoolprogramma’s en leerinhouden herschikten, hoe nieuwe didactische wenken de aandacht vestigden op de persoonlijke ontwikkeling van het kind, of hoe de ‘schoolse grammatica’ van onderaf processen van disciplinering vorm gaf. In Worden zoals wij benadert Mellink het onderwijs veeleer vanuit een sociologische invalshoek. Geïnspireerd door het werk van de Amsterdamse sociologen Jan Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp, laat hij zien dat processen van groepsvorming een grote rol speelden in de debatten over de plaats van onderwijs in de samenleving. Zijn voornaamste bronnen zijn de pedagogische tijdschriften en de onderwijsvakbladen van de bestuursorganisaties en de vakverenigingen binnen het openbaar en het bijzonder onderwijs. Aan de hand van deze bronnen toont Mellink dat het eigentijdse geloof in het vrije, geëmancipeerde individu het resultaat is van een zorgvuldig geconstrueerd, maar betwistbaar zelfbeeld. Geleidelijk aan ging een steeds grotere groep Nederlanders de waarden van individuele vrijheid en verantwoordelijkheid uitdragen, wat uitmondde in wat Mellink een ‘collectieve individualiseringsdrang’ noemt. De mensen die de waarden uitdroegen, zorgden ervoor dat andersdenkenden tot de nieuwe norm van het geïndividualiseerde zelfbeeld werden opgevoed.

Mellink heeft zijn boek chronologisch opgebouwd. In het eerste hoofdstuk verbindt hij de opkomst van de geïndividualiseerde samenleving in eerste instantie met de ervaring van de Tweede Wereldoorlog – al wijst hij er terecht op dat de aandacht voor de vrijheid van het individu een oudere oorsprong heeft. Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakten de geallieerde mogendheden de vrijheid van het individu tot inzet van hun ideologische bevrijdingsstrijd. Zij markeerden hun overwinning met de oprichting van de VN en de opstelling van de Verklaring van de Universele Rechten van de Mens. Mellink ziet de ideologische strijd van de geallieerden in Nederland na de oorlog voortleven in het politieke programma van de doorbraakbeweging; een beweging die ernaar streefde om progressieve katholieken, protestanten, sociaaldemocraten en liberalen in één partij te verenigen. Hoewel het politieke succes van de doorbraakbeweging beperkt bleef, woog haar programma sterk op de onderwijsdiscussies. In een sterk verzuild onderwijslandschap bewerkstelligde haar ideaal van de ontkoppeling van politiek en religie dat katholieke, protestantse en openbare onderwijsbestuurders hun principiële strijd steeds meer lieten varen. Veeleer dan elkaar met oude dogma’s te blijven bekampen, gingen zij vanuit een nieuwe eenheids- en samenhorigheidsgedachte op zoek naar programmatische vernieuwing. De inhoudelijke invulling die protestanten, katholieken en openbaren aan de vernieuwing gaven verschilde, maar het recept om tot vernieuwing te komen was wel steeds hetzelfde: in plaats van geloofsovertuiging groepsgebonden via het onderwijs uit te dragen, werd voortaan ingezet op een persoonlijke invulling van de geloofsbelijdenis. De school moest de leerlingen leren zelf een individuele band met God op te bouwen.

In de daaropvolgende hoofdstukken licht Mellink toe hoe het onderwijs de waarden van ruimdenkendheid, individuele vrijheid en verantwoordelijkheid stapsgewijs omarmde tot het uiteindelijk op de eigen emancipatoire grenzen botste. De verpersoonlijking van het geloof bracht in de jaren vijftig en zestig grote veranderingen met zich mee, ook in de opvattingen over onderwijs. Ten eerste leidde de nadruk op de individuele geloofsbelijdenis ertoe dat katholieken en protestanten steeds meer aan de morele superioriteit van hun eigen leer begonnen te twijfelen. Vanuit die twijfel zochten katholieke, protestantse en openbare onderwijsbestuurders toenadering tot elkaar en bepleitten ze een respectvolle omgang met andersdenkenden. Ruimdenkendheid werd zo het nieuwe cement voor eenheidszin in het ideologisch verdeelde onderwijslandschap. Ten tweede plaatste de verpersoonlijking van het geloof de leerlingen voor verantwoordelijkheid. De leerlingen konden voortaan niet langer ingroeien in een vanzelfsprekende geloofsgemeenschap, maar moesten een individuele invulling van het geloof nastreven en uitdragen. Beide transformaties legden in het onderwijs de basis voor de opkomst van de geïndividualiseerde samenleving.

Mellink toont in zijn boek dat de opkomst van de geïndividualiseerde samenleving ook haar keerzijden had en uiteindelijk zelfs grenzen stelde. Aan einde van de jaren zestig mondde de groeiende nadruk op de individuele vrijheid en verantwoordelijkheid uit in een gezagscrisis. In het onderwijs werd de vraag gesteld of ouders en leraren het kind wel konden en mochten aansturen, als het kind vooral moest leren zelfstandig keuzes te maken. Dit was de tijd van anti-autoritaire crèches en rode boekjes, die bij velen tot consternatie leidden. Toen de samenleving zichzelf begin jaren tachtig nadrukkelijker als geëmancipeerd, ontzuild en individualistisch presenteerde, leidde dit tevens tot het definiëren van groepen burgers die verondersteld werden geen deel uit te maken van de nieuwe, geïndividualiseerde samenleving. De geïndividualiseerde samenleving beschouwde het vervolgens als haar plicht een emancipatoire opvoeding aan te reiken, opdat de groepen ‘achtergestelden’ en ‘achterblijvers’ aan de nieuwe samenleving konden deelnemen. Het vrijheidsdenken, dat zich aanvankelijk afzette tegen het paternalisme, riep zo op zijn beurt bevoogding in het leven, die zich vooral richtte op nieuwkomers uit de Maghreb en het Midden-Oosten. Zij die de waarden van individuele ontplooiing niet onderschreven, moesten die leren. Het integratiebeleid was geboren.

Worden zoals wij is een boek van bijzonder historiografisch belang. Het laat zien hoe sociologische theorievorming een meerwaarde kan hebben voor historisch onderzoek. Mellink herinnert ons eraan dat een samenleving slechts functioneert bij gratie van groepsvorming. Mellinks analyse werkt inspirerend voor wie een mentaliteitsgeschiedenis beoogt. Door de opkomst van de geïndividualiseerde samenleving als een sociale constructie te ontmaskeren, laat Mellink zien hoe onze opvattingen in groepsverband tot stand komen. In zijn studie reikt hij een uit de sociologie ontleend begrippenkader aan dat verdere uitwerking en reflectie verdient voor toekomstig onderzoek. Fenomenen als sociale binding, verstoting, betrokkenheid, afzijdigheid, ruimdenkendheid en onverdraagzaamheid zijn van alle tijden. Mellink laat in zijn boek zien hoe dergelijke mechanismen op macroniveau in de Nederlandse samenleving functioneren. De rol van individuele actoren (beleidsmakers, onderwijsvakverenigingen, pedagogisch begeleiders, ouders en leraren) komt slechts op een exemplarische manier aan bod. Wat de uitwerking betreft, is Mellinks analyse soms wat repetitief. De hoofdthese van het boek wordt meermaals hernomen – individualisering is een groepsproces (‘worden wie je bent’ is eigenlijk ‘worden zoals wij’). Toch verdient het werk bovenal lof. Het daagt de lezer uit om de heersende voorstellingen van de twintigste eeuw te bevragen. Precies dat is wat goede historiografie doet: uitdagen, bevragen en nieuwe perspectieven aanreiken.