In La souveraineté monétaire dans les Pays-Bas méridionaux gidst Marie-Laure Legay de lezer in ongeveer tweehonderd pagina’s door de monetaire geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden tussen de zestiende eeuw en het midden van de negentiende eeuw. Hierbij vult de auteur het tekstcorpus aan met tabellen en zorgvuldig gekozen beeldmateriaal. Verder voegde ze een chronologie van de voornaamste relevante ordonnanties, de belangrijkste muntsoorten en diverse brontranscripties aan het einde van het boek toe.

Met haar overzichtswerk hoort Legay thuis in de galerij van onderzoekers naar de geschiedenis van het geld- en bankwezen in de Lage Landen, waarin onder andere Valéry Janssens (Het geldwezen der Oostenrijkse Nederlanden), Raymond de Roover (Money, Banking and Credit in Medieval Bruges) en Herman van der Wee (The Growth of the Antwerp Market) zich bevinden. Legay’s boek is het eerste in de nieuwe reeks Habsburg Worlds en won de Jean Stengers-prijs van de Académie Royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique.

Deze studie begint met de vaststelling dat diverse politieke krachten in de voorbije jaren een terugkeer bepleitten naar monetaire soevereiniteit, ‘la souveraineté monétaire nationale’ (xv). In een ‘eigen munt’ zien sommigen een alternatief voor de euro, een redmiddel in tijden van economische crisis of een mechanisme om de nationale identiteit te versterken. In haar analyse van 350 jaar monetaire geschiedenis in de Lage Landen toont Legay aan dat de realiteit veel complexer was dan het nostalgisch plaatje dat menig populist schetst. Niet enkel circuleerden er, bijvoorbeeld, nagenoeg continu grote hoeveelheden ‘vreemde’ munten in de regio van het huidige België, ook ontstond het monetair beleid in de Zuidelijke Nederlanden in dialoog met en in anticipatie op de monetaire politiek van zijn buurlanden. Dit alles blijkt uit de vier delen waaruit het boek is opgebouwd. Die zijn op hun beurt onderverdeeld in drie tot vier behapbare, vlot geschreven hoofstukken.

In het eerste deel ligt de nadruk op de monetaire geschiedenis en het monetair beleid tijdens de zestiende en zeventiende eeuw. De auteur schetst onder andere de institutionele kaders, de rol van de vorst in de muntslag en de muntpolitiek van Karel V, Filips II en de Aartshertogen. Wat deze periode betreft, komt de auteur tot de conclusie dat het monetair beleid vorm kreeg door een continue zoektocht naar evenwicht tussen de belangen van de internationale handelselites enerzijds en de binnenlandse elites anderzijds (45–46).

In het tweede deel ligt de focus op de periode tussen 1690 en 1725. Gedurende deze tijdspanne was het, aldus de auteur, niet langer de vorst, maar waren het ‘les banquiers d’Anvers’ die de Zuid-Nederlandse muntpolitiek vormgaven (105). Zo verschaft de auteur een inkijk in de rol van de Antwerpse haute finance, die in samenwerking met een aantal toppolitici uit de vroege Oostenrijkse periode op grote schaal valse munten sloeg.

Het derde deel van het boek behandelt de hervormingen van Maria-Theresia in de muntpolitiek in 1749. Deze hervormingen waren uiterst ingrijpend, en het is dan ook terecht dat ze een centrale plaats toebedeeld krijgen in dit boek.

In het vierde en laatste deel staat de periode vanaf 1760 tot circa 1850 centraal. De auteur besteedt hierin aandacht aan de aanzienlijke monetaire transfers naar Wenen, het centraliseringsbeleid van Jozef II, de Franse en Hollandse periodes en tot slot de monetaire geschiedenis van het jonge Belgische koninkrijk. De oprichting van de Nationale Bank van België vormt het eindpunt van het boek.

Eén van de sterkte kanten van La souveraineté monétaire is dat Legay het monetair beleid in de Zuidelijke Nederlanden vanuit een relationeel perspectief analyseert. Zo heeft ze oog voor het gegeven dat de muntpolitiek in onze gebieden niet in isolement ontstond, maar kadert binnen de internationale monetaire en politieke omstandigheden. Ook focust ze op de binnenlandse krachten die een rol speelden in de vorming van het muntbeleid. Men diende bijvoorbeeld rekening te houden met de belangen van de steden, provincies en centrale autoriteiten. De rol van de binnenlandse handels- en bankiersgemeenschap, hun desiderata en hun impact op de monetaire beleidsvorming komen evenzeer aan bod. Daarnaast verdient dit boek aandacht, omdat de auteur een goede balans vindt tussen de technische en politieke aspecten van het monetair beleid. Zo komen de veranderende samenstelling van de munten, de influx van buitenlandse munten en het afvloeien van de ‘eigen’ munt naar het buitenland uitgebreid aan bod. De auteur verliest de politieke component van het monetair beleid echter niet uit het oog, doordat ze onder andere de propaganda op de vroegmoderne munten analyseert (23–27) of de blik richt op de hervormingen van Maria-Theresia, waarmee deze, zo stelt Legay, ‘marque la volonté d’établir l’autorité souveraine de l’Autriche sur les Pays-Bas’ (111).

Een punt van kritiek is dat het niet duidelijk is hoe dit werk kadert binnen de bestaande historiografie. Hoewel Legay een frisse wind laat waaien door het onderzoeksveld door haar historische analyse te koppelen aan de hedendaagse debatten omtrent de zin en onzin van een nationale munt, blijft de vraag welke nieuwe inzichten haar onderzoek genereert. Zo is niet helemaal duidelijk hoe de huidige conclusies verschillen van die in de bestaande literatuur. Voor een niet-ingewijde lezer blijft het dan ook gissen welke vernieuwende conclusies we op basis van dit onderzoek kunnen trekken.

Dit gezegd hebbende, slaagt de auteur er met verve in een uiterst technisch onderwerp op heldere wijze aan haar publiek over te brengen. La souveraineté monétaire getuigt van kennis van zake, is vlot geschreven en vindt een goed evenwicht tussen de politieke en economische aspecten van het monetair beleid in de Habsburgse Nederlanden en het jonge België.