Historici en literatuurwetenschappers leggen in hun onderzoek naar nationale identiteitsvorming vaak de nadruk op oorlog en vijandbeelden, terwijl vrede volgens Lotte Jensen ‘minstens zo relevant’ was in de ontwikkeling en verspreiding van een Nederlands zelfbesef. In Vieren van vrede onderzoekt zij daarom op basis van een grote hoeveelheid gelegenheidsliteratuur (toneel, poëzie, liederen, etc.), de rol van vrede in de ontwikkeling van ‘de Nederlandse identiteit’. Geïnspireerd door het werk van Carl von Clausewitz en Michel Foucault is Jensens centrale stelling dat ‘vrede de voortzetting van oorlog is met andere middelen’ (10). Ook in haar bronnen komt keer op keer de spreuk ‘si vis pacem, para bellum’ (als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog) terug. Juist deze toekomstgerichtheid van de actoren, en de spanning tussen hoop op een nieuwe ‘Gouden Eeuw’ en angst voor nieuwe conflicten verklaren volgens Jensen de toegevoegde waarde van haar vredesbenadering. In beide gevallen gaven Nederlanders uiting aan regio-overstijgende, ofwel nationale ‘wij-gevoelens’. Ook de vrede, zoals die in de literatuur tot uitdrukking komt, wil Jensen op een nieuwe manier betrekken bij het onderzoek naar vroegmoderne, nationale identiteitsvorming.

Jensen bespreekt in chronologische volgorde in ieder hoofdstuk een specifieke vrede, en groepeert die thematisch. De vredes van Munster (1648), Breda (1667) en Nijmegen (1678) vallen binnen het thema ‘Nederlands zelfbesef’. Met het Verdrag van Munster bevestigde Spanje de onafhankelijkheid van de Republiek, en de vredes van Breda en Nijmegen sloten conflicten af waarin de vijanden van Nederland de nieuw verkregen onafhankelijkheid bevochten hadden. Een van de terugkerende thema’s in deze sectie (maar ook in de rest van het boek) is dat vredes vaak gepaard gingen met de hoop op een terugkeer naar een nieuwe ‘gouden tijd’. In zijn toneelstuk Leeuwendalers (1647) riep Vondel bijvoorbeeld het beeld op van een Nederlands Arcadië, gekenmerkt door overvloed en vrede. Jensen laat mooi zien dat Vondel met zijn stuk een vredesboodschap uitdroeg en stelt overtuigend vast ‘dat ook een stuk dat voor vrede en algemene verzoening pleitte een door-en-door politiek stuk was’ (39).

In het tweede deel van haar studie besteedt Jensen aandacht aan de vredes van Rijkswijk (1697) en Utrecht (1713). Het centrale thema van dit deel gaat onder andere over de Europese context waarin Nederlandse discussies over vrede plaatsvonden. François Halma bijvoorbeeld, een boekhandelaar uit Utrecht, schreef een lofzang op de Vrede van Rijswijk. Deze vrede maakte een eind aan de Negenjarige Oorlog tussen de Franse koning enerzijds en een alliantie van onder andere Oostenrijk, Spanje, Engeland en de Republiek anderzijds. In zijn lofzang liet Halma ‘Europa’ de Europese machtshebbers smeken geen ‘Christenbloet’ meer te vergieten. Europa was een onderwerp van gesprek in vredesdiscussies, maar Jensen toont ook aan dat ideeën over Europa niet eenduidig waren. Sommige auteurs vereenzelvigden Europa met het christendom in algemene zin en ambieerden Europese vrede om oorlog te kunnen voeren tegen niet-christelijke vorsten als de Turken. Andere schrijvers verbonden Europa juist aan het protestantisme en sloten rooms-katholieken buiten. Deze laatste interpretatie was volgens Jensen dominant in de Nederlandse vredesliteratuur rond de Rijswijkse Vrede, waarin auteurs de nadruk legden op de rivaliteit tussen de kampioen van het protestantisme, Willem III, en de rooms-katholieke Franse koning Lodewijk XIV. Ideeën over Europese identiteit waren dus ook gebonden aan de nationale context waarin ze geformuleerd werden.

Het derde deel, ‘Oranje boven’, gaat mede over de rol van het huis van Oranje in vredesliteratuur, al speelt de Oranje-dynastie in het hoofdstuk ‘Vrede door oorlog’ bijna geen rol. In dit hoofdstuk bespreekt Jensen Willem van Harens controversiële Lof der vrede (1742), dat tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740–1748) verscheen. In deze bron komt een interessante spanning tussen oorlog en vrede naar voren: al was Van Haren op het eerste gezicht vredelievend, hij vertolkte de mening dat ware vrede alleen afgedwongen kon worden door oorlog en dat de Republiek Maria-Theresia van Oostenrijk moest steunen in de strijd.

In het vierde deel komen (in twee hoofdstukken) de Vrede van Amiens (1802) en het Congres van Wenen (1815) aan bod. Het interessante aan het hoofdstuk over Amiens is dat Jensen veranderingen constateert in de gelegenheidspublicaties. Ze bevatten geen klassiek-mythologische elementen meer, weinig verwijzingen naar de Tachtigjarige Oorlog (die voorheen juist wel vaak een belangrijk referentiekader was) en ze zijn eerder verzoeningsgezind dan ‘propagandistisch’. Het is alleen niet zo duidelijk wat dit laatste onderscheid betekent, zeker gezien Jensens eerdere observatie dat een oproep tot verzoening ook ‘door-en-door’ politiek kon zijn. Wel demonstreert ze mooi het belang van contextfactoren. Met een Franse overheerser werd het moeilijk om net als ‘vroeger’ het vaderlandse verleden te vieren, maar rond 1815 (na het vertrek van de Fransen) konden oude verhalen gemakkelijk weer afgestoft en gebruikt worden.

Hoewel Jensens boek een aantal sterke punten bevat, kunnen er vraagtekens geplaatst worden bij elementen van haar benadering. Jensen reageert op wetenschappers die de Gouden Eeuw zien als een negentiende-eeuwse uitvinding. Ze demonstreert overtuigend de kunstmatigheid van zo’n benadering. Haar beginpunt heeft echter ook iets kunstmatigs. De Vrede van Munster was natuurlijk erg belangrijk, maar bevestigde wat betreft nationale identiteitsvorming ten minste gedeeltelijk ook een bestaande praktijk. Het was mooi geweest als Jensen haar eigen bevindingen meer had verbonden aan het onderzoek naar de propagandistische verspreiding van een positief Nederlands zelfbeeld op basis van negatieve vijandbeelden aan het begin van de zeventiende eeuw. Denk aan het werk van Judith Pollmann, waarbij ook literaire bronnen aan bod komen. Dan zou bijvoorbeeld de vrees voor binnenlandse tweedracht rond de Vrede van Aken (1748) niet meer zo ‘opmerkelijk’ (141) zijn. Hugo de Groot observeerde immers al dat antivredespropagandisten tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609–1621) bang waren dat vrede ten koste zou gaan van de interne stabiliteit. Een uitgebreidere historische inkadering, met name wat betreft de ontwikkelingen voorafgaand aan 1648, zou Jensen in staat hebben gesteld het precieze belang van haar post-1648-focus op vrede overtuigender aan te tonen.

Vanwege de opzet van het boek is sprake van veel herhaling. Steeds opnieuw komen vette koeien langs, is er weer hoop op een terugkeer naar de ‘gouden tijd’ en worden vaderlandse helden geëerd. De spanning blijft vooral behouden door Jensens aandacht voor de contextgebonden variatie van motieven en tegelijkertijd de meerstemmigheid in vroegmoderne vredesdiscussies. Daarnaast is herhaling juist ook de kern van Jensens betoog. Haar belangrijkste conclusie is dat door het steeds opnieuw verspreiden en recycleren van oude verhalen in opeenvolgende vredesvieringen, propagandisten een gemeenschappelijk repertoire ontwikkelden en daarmee een belangrijke standaard creëerden voor de uiting van gevoelens van Nederlandse saamhorigheid.