‘Van nature allerminst strijdlustig, geen dominerende figuur, schuchter zelfs en afkerig van elk optreden in het openbaar, zou deze gevoelige man in moeilijke tijdsomstandigheden een grote moed aan de dag leggen, toen de strijd hem werd opgedrongen,’ zo vat biograaf Henk van Osch het karakter van kardinaal Johannes de Jong (1885–1955), aartsbisschop van Utrecht van 1936 tot 1955, samen (287–288). De Jong werd eerder geportretteerd in de hagiografische biografie van H.W.F. Aukes uit 1956, en in een korte biografische schets door kerkhistoricus Ton H.M. van Schaik (1996). Van Osch , die na zijn pensionering als huisarts eerder biografieën schreef van D.J. de Geer (2007) en Bram Peper (2010), wilde zestig jaar na de publicatie van Aukes’ levensbeschrijving ‘een eigentijdse biografie’ van De Jong leveren.

Van Osch werd in 1932 geboren in een vroom rooms-katholiek nest, bezocht tijdens zijn jeugd het kleinseminarie in Heeswijk, maar koos na twee jaar een wereldlijke opleiding (Brabants Dagblad, 27 oktober 2007). Inmiddels heeft hij afstand genomen van de rooms-katholieke regels en dogma’s. In het boek beoordeelt hij De Jong en diens wereld dan ook vooral naar niet-kerkelijke levensbeschouwelijke normen. Toch bedoelt Van Osch zijn boek tevens als ‘bron van inspiratie […] voor onze geseculariseerde generatie, waarin velen schouderophalend staan tegenover morele waarden en vergeten zijn wat men in de religie kan leren over ethiek, caritas en gemeenschapszin’ (8). Deze ambitie is voortdurend voelbaar in de biografie, en staat een afstandelijk-academische analyse van leven en werk van De Jong regelmatig in de weg. Van Osch herhaalt het verderop nog eens: ‘Zonder een bovenmenselijke oordelende instantie, zonder een religieuze autoriteit, wordt het onderscheid tussen goed en kwaad […] een kwestie van persoonlijk inzicht en van persoonlijke smaak. Het menselijk verstand kan gemakkelijk door allerlei invloeden misleid worden […]’ (138), en: ‘Maar mensen blijven behoefte houden aan structuur en verticaliteit’ (269). De auteur drukt ook zijn stempel op het boek door een tamelijk barokke stijl, die wordt getekend door archaïsmen, stijlbloempjes en ronkende beeldspraken (zoals over de installatierede van Seyss-Inquart eind mei 1940: ‘als een vogelaar met zoetgevooisde stem’ (156)).

Over het leven van De Jong biedt dit boek niet veel meer dan we uit de boeken van Aukes en Van Schaik al wisten. De mogelijkheden voor Van Osch om nieuwe stappen te zetten waren dan ook beperkt. De Jong – die zich sowieso nauwelijks uitte over zijn ‘geestelijk leven’ (290) – liet al in 1951 zijn privé-correspondentie vernietigen. Van Osch kreeg geen onbeperkte toegang tot het aartsbisschoppelijk archief over de periode 1950–1955; deze eeuwenlange traditie van discretie en geslotenheid blijkt niet eenvoudig te doorbreken. Van Osch kreeg wel inzage in enkele dossiers uit het familiearchief, die van nut waren voor de beschrijving van de ‘jonge’ De Jong: diens jeugd op Ameland en opleiding in Culemborg en Driebergen. Dit is het meest geslaagde deel van het boek.

Van Osch compenseert het gebrek aan primair bronnenmateriaal van en over De Jong met beschrijvingen van de ‘binnenkerkelijke, maatschappelijke en politieke ontwikkelingen van zijn tijd’ (11). De Jong verdwijnt hierdoor soms paginalang uit beeld. Twee hoofdstukken besteedt Van Osch aan analyses van De Jongs kerkhistorische publicaties, waaronder het meerdelige Handboek der kerkgeschiedenis. Het is de vraag of de confrontatie van deze studies met allerlei modernere theologen (Schillebeeckx, Van Geest) en denkers (Fukuyama, Leezenberg), en met atheïstische filosofen (Nietzsche, Schopenhauer, Safranski) bijdraagt aan het begrip voor De Jong en diens denken, ook al vanwege het ontbreken van contextualisering van de aangehaalde literatuur. Het geschiedwerk van De Jong kan slechts begrepen worden vanuit het doel waarmee het destijds was geschreven: het informeren van de ontwikkelde geloofsgenoten over de geschiedenis van de eigen geloofs- en leefwereld, conform de kerkelijke opvattingen. De Jongs boeken zijn dan ook sterk apologetisch van karakter; hij toonde steevast begrip voor de misdaden begaan in naam van de Kerk (kruistochten, inquisitie). Opmerkelijk genoeg wijst Van Osch De Jongs ‘historisch besef’ wel aan als een bron voor diens juiste keuzes in oorlogstijd (165).

Van Osch’ gebruik van secundaire literatuur en bronnen is – afgaand op de corresponderende annotatie – soms onnavolgbaar. Een selectie: feitelijke informatie over het censuskiesrecht wordt geput uit de memoires van J.A.A.H. de Beaufort (49); voor de rooms-katholieke cultuur van het begin van de twintigste eeuw wordt verwezen naar een artikel van nrcHandelsblad-journalist Marc Leijendekker uit 2014 (51); dat de Kerk midden jaren dertig onder de Duitse dreiging behoefte had aan een man met karakter als De Jong is gebaseerd op een Parool-artikel uit 1955 (144) en de gebrekkige beschrijving van de leer van de ‘uiterste noodzaak’ is afkomstig uit de oorlogsherinneringen van G. Beelaerts van Blokland (154). Meer voor de hand liggende literatuur wordt niet genoemd. Merkwaardig zijn in dit verband ook de verwijzingen naar de opvattingen van Bram Peper, van wie niet duidelijk is waaraan hij zijn autoriteit ten aanzien van de geschiedenis van de rooms-katholieke kerk ontleent. Iets soortgelijks geldt voor de referenties aan de conservatieve filosoof Andreas Kinneging, die Van Osch heeft aangespoord tot het schrijven van diens boek (299).

Van Osch bevestigt het beeld van de bezettingstijd als De Jongs finest hour. De ‘hoekige Amelander’ verzette zich toen openlijk tegen de Duitse bezetter. Hij kwam vooral in het geweer als de Duitsers maatregelen troffen tegen de Nederlandse katholieken, maar hij sprak zich ook uit tegen de anti-Joodse politiek van de Duitsers. ‘Mit dem Mann ist nicht zu reden’ (228), vond de Duitse bezetter – die uitspraak bepaalde voortaan het beeld van De Jong. De Jong erkende al in de jaren dertig het gevaar van het nationaalsocialisme, dat als nieuwe totalitaire ideologie met religieus karakter een bedreiging vormde voor het katholicisme. De Jong opereerde niettemin voorzichtig; hij was zich steeds bewust van de gevolgen van zijn woorden voor anderen. De Jong beschouwde zichzelf dan ook niet als een held.

Van Osch stelt in de hoofdstukken over de periode na 1945 dat De Jong niet paste in een seculariserende wereld, waarin burgers (ook de rooms-katholieke) steeds kritischer en zelfstandiger werden. De Jongs vasthouden aan de rooms-katholieke eenheid vanuit een isolationistische positie had een contraproductief effect. Niet helemaal duidelijk wordt overigens welk stempel De Jong persoonlijk heeft gedrukt op dit beleid. Van Osch stipt bij herhaling aan dat De Jong sinds een beroerte in 1942 en een hersenschudding in 1944 fysiek aanzienlijk inleverde, en steeds meer taken moest afstaan aan zijn steun en toeverlaat J.A. Geerdinck.

Na lezing van deze biografie resten onopgeloste vragen. Twee voorbeelden. Hoe kan het dat de nederige Jan de Jong, die het liefst dorpspastoor was geworden en wiens handicaps in het openbare optreden (versprekingen, verstrooidheid, grove motoriek) hem niet bepaald kwalificeerden voor prominente publieke posities, terechtkwam op de allerhoogste functie in de Nederlandse rooms-katholieke kerk? Was hij ambitieuzer dan Van Osch hem typeert? Wat deed De Jong met de kennis die hij blijkbaar had van seksueel misbruik van jongeren door rooms-katholieke geestelijken? Deze in 2010 geagendeerde kwestie wordt afgedaan met een enkele zin (267, gebaseerd op het rapport-Deetman).

Na lezing van het boek weet de lezer minstens evenveel van de denkwereld en maatschappijopvatting van Van Osch als van die van De Jong. Maar wellicht was dat de bedoeling.