Deze bundel met acht deelstudies over (katholieke) religieuzen in de Tweede Wereldoorlog dient twee doelen: een historiografisch en een programmatisch doel. Met het eerste wil men een verklaring geven voor het gebrek aan belangstelling voor de ervaringen van religieuzen tijdens de Tweede Wereldoorlog, met het tweede wil men bouwstenen verzamelen om deze geschiedschrijving verder te verdiepen. De vraag naar de oorzaak van deze ‘blinde vlek’ wordt vooral in de grondige inleiding beantwoord, maar ook in de deelstudies. Deze veronachtzaming komt door de keuzes van eerdere historici, zoals Loe de Jong, die weinig ophadden met het thema van religie, en door de marginalisering van publieke godsdienstigheid in onze huidige tijd, waarbij de kerk soms als een achterhaald instituut bestempeld wordt. De aandacht die er wel is, beperkt zich vaak tot de officiële kerkelijke hiërarchie tijdens de oorlog, zoals de moedige aansporingen van aartsbisschop Johannes de Jong om zich te ontfermen over de veiligheid van de Joden, of tot een regio zoals in de dissertaties van A.P.M. Cammaert en Herman van Rens over het verzet en de hulp (ook van geestelijken en religieuzen) aan Joden en andere vervolgden in Limburg. Een andere verklaring voor het gebrek aan aandacht, is het afzijdige karakter van het kloosterleven. Waarom staat het onderwerp dan nu op de agenda?

Stichting Echo, de organisatie die om het jaar studiedagen over de geschiedenis van religieuzen organiseert, denkt systematisch na over de ervaringen van religieuzen. Veel ordes en congregaties naderen een eindpunt en laten daarom hun geschiedenis schrijven, waardoor er veel informatie beschikbaar komt. In het spoor van de aanzienlijke aandacht voor de rol van de kerk in de Eerste Wereldoorlog en voor het actuele thema van religie en geweld, is de aandacht voor de katholieke kerk in de Tweede Wereldoorlog logisch. De stichting stelt terecht vast dat congregaties en ordes in veel plaatsen centrale instellingen waren. Nu de wetenschappelijke oorlogsgeschiedschrijving de oude goed-fout schema’s heeft overstegen, ontstaat er steeds meer oog voor nuances en variaties in de reacties op de oorlog en bezetting en ruimte voor het dagelijks leven, waar religieuzen deel van uitmaakten.

Het boek wil zo als het ware een nieuw onderzoeksveld openleggen. De bijdragen zijn onder te verdelen in vier deelthema’s: vrouwelijke religieuzen, ervaringen van specifieke ordes, grensverkeer en naoorlogse gevolgen. Het eerste thema bekijkt de inzet van vrouwelijke religieuzen tussen hulp en verzet. Deze essays onthullen de vaak onuitgesproken verwachtingen dat het ‘echte’ verzet vooral ‘mannelijk’ is, uitgevoerd door soldaten, in de vorm van gewelddadige interventies. Door expliciet naar gender te kijken (een logische keuze in onderzoek naar religieuzen) verbreden de auteurs tegelijkertijd het perspectief op verzet. Met het tweede onderdeel worden de ervaringen van Jezuïeten, Capucijnen en Salvatorianen beschreven. Het derde onderdeel analyseert het grensoverschrijdende karakter van grenskloosters en van ordes die uit verschillende nationaliteiten (waaronder de Duitse) bestonden, in Nederland, België en het huidige Indonesië. Dit zette de vraag naar loyaliteit op scherp. Het was haast onmogelijk om zich te onttrekken aan politieke stellingnames. Het laatste onderdeel bestaat uit een bijdrage die illustreert hoe de oorlog nieuwe taken opleverde, zoals de zielzorg aan mensen die ‘fout’ waren geweest.

Niet alle bijdragen tonen dezelfde ambitie. Sommige zijn basaal en bieden zakelijke data over lotgevallen van vestigingen van een orde per plaats zonder veel analyse, andere gaan een stap verder en ontdekken patronen. Hieruit zou een categorisering van vragen kunnen komen voor een systematisch project over de interactie tussen de ordes en de omstandigheden van oorlog en bezetting. Daarin zouden de organisatie en het werkterrein, samenstelling, sekse en regio als variabelen kunnen functioneren. De oorlog zette de mechanismen die ordes hadden ontwikkeld om zich af te schermen van de buitenwereld onder druk, waardoor er allerlei nieuwe dynamieken ontstonden. Die dynamieken verdienen het om systematischer te worden onderzocht. Werd de levenswijze van contemplatieve ordes meer of minder verstoord? De inleiders geven al een aantal voorzetten in hun aannemelijke suggestie dat de continuïteit bij contemplatieve ordes groter was dan bij actieve ordes omdat de eredienst doorging en vooral de maatschappelijke activiteiten moesten worden gestaakt. Andere ordes raakten juist meer bij hulpverlening betrokken tijdens en na de oorlog.

Minder gedetailleerd komt de uitwisseling tussen ordes en hun directe omgeving aan bod. Werd die band hechter of ontstond er juist meer afstand? Schiep de oorlogservaring meer integratie van de ordes in de samenleving of onderstreepte ze juist hun uitzonderingspositie? De samenstellers van de bundel stippen de gevolgen voor de ordes na de oorlog aan en suggereren een parallel met de teleurstelling van vele verzetsmensen toen de naoorlogse samenleving minder idealistisch bleek dan ze verwachtten. Het sterke roepingsbesef tijdens de oorlog verdween in vredestijd. Andere effecten kunnen veroorzaakt zijn door de houding tegenover het gezag: civiel en kerkelijk. Wakkerde de oorlogservaring autonomie aan omdat er geïmproviseerd moest worden of versterkte de oorlog juist de interne verantwoordingsstructuur binnen de orde en de kerk zodat de eis van gehoorzaamheid groter werd?

Internationale vergelijking is onontkoombaar. Dat blijkt al gelijk uit de eerste ervaringen van de grenskloosters. Die stonden al decennia lang op een snijvlak in hun diensten aan (vooral) Duitse burgers en religieuzen, die eerder de ordes in Nederland hadden gesticht omdat Bismarck hen het leven in Duitsland zuur maakte. Zo verschaft dit thema een nog sterker beeld van de transnationale verbanden waarvan de ordes onderdeel uitmaakten. Opmerkelijk is dat ze ondanks die grensoverschrijdende contacten nauwelijks voorbereid waren op de oorlogssituatie.

Kortom, deze bundel slaagt erin een nieuw thema op de kaart te zetten door een serie boeiende en degelijke verhalen bij elkaar te brengen. Het zou zonde zijn als het bij deze bundel bleef: een ambitieus onderzoeksproject zou een logisch vervolgstap zijn. Die zou, als klein puntje van kritiek, baat hebben gehad bij een register dat de onderlinge samenhang tussen de bijdrages toegankelijker had gemaakt.