Actieve leden van de Nederlandse samenleving ontmoeten het Prins Bernhard Cultuurfonds geregeld; als subsidiegever van een cultureel of wetenschappelijk project, bijvoorbeeld, of via het Anjerfonds dat de plaatselijke fanfare of amateurkoor steunt. Wanneer mensen bezig zijn met een project over plaatselijke geschiedenis of een markante persoonlijkheid, dan is de kans groot dat ze steun vragen bij het Prins Bernhard Cultuurfonds. Het fonds staat dus middenin de Nederlandse samenleving.

Het fonds bestond in 2015 75 jaar en dat was een uitgelezen moment voor deze zeer uitgebreide geschiedenis. Het is een uitputtende geschiedschrijving geworden en je moet wel zeer nieuwsgierig zijn om die helemaal door te willen ploegen. Maar voor een cultureel econoom biedt dit tal van interessante gezichtspunten en een belangwekkende kijk op de rol van fondsen in Nederland.

Het fonds is belangrijk voor Nederland, en dat is het niet alleen omdat prins Bernhard de naamgever en voor de eerste periode van haar bestaan de regent was. Het gaat eerder om de voor Nederland typerende rol van fondsen in de financiering van de kunsten en de wetenschappen. Het typeert de Nederlandse samenleving dat aanvankelijk, beginnend in de zestiende eeuw, de financiering vooral privaat was. Nederland ontbeerde een hofcultuur zoals die elders in Europa te vinden was en die een wetenschappelijk en kunstzinnig klimaat onderhield. In Nederland moesten burgers zelf de verantwoordelijkheid nemen. In 1940, toen het Prins Bernhard Cultuurfonds werd opgericht, bestond dat verantwoordelijkheidsgevoel nog in ruime mate en daar paste het idee van een fonds goed bij. Maar toen de overheid in de jaren vijftig de verantwoordelijkheid steeds meer naar zich toe trok, werd de positie van fondsen onduidelijker.

De geschiedenis van het Prins Bernhard Cultuurfonds leert hoe het moest zoeken naar haar rol in deze samenleving. De doelstelling was duidelijk: ‘de zelfwerkzaamheid van het Nederlandse volk op het gebied van wetenschap, kunst en cultuur in het algemeen te bevorderen, alsmede de Nederlandse cultuur in de overzeese gebieden en in het buitenland uit te dragen’. Maar hoe dit doel te realiseren wanneer de Nederlandse overheid al veel van de verantwoordelijkheid naar zich toe trok? Het fonds besloot daarom financiële steun te verlenen aan projecten en niet aan salariskosten of organisatorische kosten.

Aanvankelijk was de ambitie om een vermogensfonds te worden zoals de Rockefeller of de Ford foundation in de VS. Maar daar is het niet van gekomen, tenminste totdat in de jaren negentig de Fondsen op Naam werden geïnitieerd. Sindsdien wordt een toenemend deel van de activiteiten van het fonds via deze vermogens gefinancierd. Eerst waren de middelen zeer bescheiden. Pas toen de Anjerfondsen werden opgericht en jaarlijks Anjeracties werden gevoerd, kreeg het fonds wat armslag. Wel viel op dat de vrijgevige Nederlanders de hand op de knip houden wanneer de kunsten en de wetenschappen het doel zijn. De cultureel econoom in mij vermoedt dat het geven aan een fonds zonder te weten waar dat geld uiteindelijk aan besteed wordt, een belangrijke verklaring was voor het beperkte succes van de Anjeracties.

De auteurs beperken zich tot een grondige beschrijving; kritische reflecties zijn niet aan hen besteed (dat ze schreven in opdracht van het fonds, zou een verklaring zijn). Het frappeerde mij hoezeer de geschiedenis van de kansspelen verweven is met de geschiedenis van het Prins Bernhard Cultuurfonds. Ik wist ook niet dat die geschiedenis zo ver terug gaat en hoe belangrijk de loterij-opbrengsten zijn voor dit fonds. Die financieringsbron heeft iets ongemakkelijks en ik zou zelf kritischer zijn geweest over de afhankelijkheid ervan. Want als een loterij een handel in illusies is, en vooral mensen met een lager inkomen en weinig onderwijs de loten kopen, is een loterij een vorm van regressieve belasting. De armeren hoesten het geld op voor het plezier en belang van het rijkere deel van de bevolking, dat geeft om kunst en wetenschap. Deze bedenking geldt misschien minder voor de steun aan lokale muziekverenigingen.

Daarmee wordt ook de titel van het boek, een mecenas van belang, dubieus. Want kan een fonds een mecenas zijn en kan je een mecenas zijn met het geld van anderen? Het is nogal gemakkelijk vrijgevig te zijn als het jouw geld niet is. Het is typerend voor Nederland dat mensen wel willen doneren, maar liever indirect. Direct geven heeft te veel weg van charitas en daar rust een vloek op in (Protestants) Nederland. Fondsen zijn daarom de geëigende manier om mensen de kans te bieden om te geven aan een goed doel, zonder daar enige verantwoordelijkheid voor te nemen.

Interessant zijn ook de veranderingen in het beleid, zoals de tijdelijke aandacht voor het behoud van cultuur, gevolgd door een belangstelling voor experimentele kunst. En wat te zeggen van het onderscheid tussen hogere en lagere vormen van kunst en cultuur? De regionale Anjerfondsen waren vooral bedoeld om amateurkunsten en lokale projecten te steunen. Het fonds richtte zich op de grotere projecten en internationale projecten.

Mede dankzij de loterijen en recentelijk dankzij de Fondsen op Naam heeft het Prins Bernhard fonds voldoende volume gerealiseerd om een verschil te maken. Maar hoe bepalen we dat verschil? De grote vraag die door het hele boek heen speelt, en die de ondertitel oproept, betreft de impact. Hoe weten we welke betekenis het fonds heeft gehad? Ze heeft eindeloos projecten ondersteund, veelal samen met andere financiers. Wat zouden de uitkomsten zijn geweest als het fonds er niet was geweest? Het is een taak van ons culturele economen om een methodiek te ontwikkelen om dat soort vragen te kunnen beantwoorden. Die methodiek is er nog niet, zo blijkt uit dit boek.

Ook al is de behandeling uitputtend, het boek leest goed en door de juiste vragen te stellen, bevat het eindeloos veel materiaal voor onderzoek. Een zakelijke index zou fijn geweest zijn, want dit boek vraagt erom als naslagwerk te fungeren. Nu heeft het Prins Bernhard Cultuurfonds een heuse geschiedenis en daarmee verstevigt het zich mogelijk nog verder als onderdeel van de Nederlandse samenleving.