Het thema ‘Circulation of Knowledge’ is in 2004 op de kaart gezet door de Britse wetenschapshistoricus James A. Secord tijdens een conferentie in het Canadese Halifax. De vraag hoe nieuwe kennis ergens tot wasdom komt en door een vaak langdurig en soms weinig doorzichtig proces van communicatie, transformatie en adaptatie uiteindelijk universeel wordt geaccepteerd, om vervolgens ook weer lokaal te worden geconsumeerd, toegepast en veranderd, met eigen accenten die afhankelijk zijn van tijd en de lokale sociaal-culturele omstandigheden, heeft het laatste decennium veel nieuw wetenschapshistorisch onderzoek gegenereerd. Ook dit nieuwe boek, gewijd aan de Zuidelijke Nederlanden in de vroegmoderne tijd, gaat over dit thema. Door de ontwikkelings- en receptiegeschiedenis van kennis als uitgangspunt te nemen, kan een dieper inzicht worden bereikt vergeleken met bijvoorbeeld de meer klassieke aanpak van de wetenschappelijke biografie. Die meerwaarde mag aan deze bundel artikelen zeker worden toegekend.

Het boek opent met een historiografische introductie door Sven Dupré en Geert Vanpaemel. Hierin wordt ondermeer betoogd dat de focus op de circulatie van kennis laat zien dat de afsluiting van de Noordelijke Nederlanden, die plaatsvond na de opstand tegen het Spaanse gezag in de late zestiende eeuw, niet alleen heeft geleid tot een brain-drain naar het Noorden die vaak als een tragische intellectuele aderlating is geduid, maar dat er voor de Zuid-Nederlandse wetenschap ook nieuwe kansen ontstonden, juist doordat de Zuidelijke Nederlanden deel bleven uitmaken van het grote Atlantische wereldrijk onder de Spaanse kroon. Dat supra-nationale perspectief, zo wordt betoogd, is volstrekt onderbelicht gebleven in de geschiedschrijving van het gebied dat min of meer overeenkomt met het huidige België. De bundel, zo wordt gesteld, heeft dan ook de ambitie ‘to replace existing textbooks on the history of science in the Southern Netherlands’ (17).

Om die connectie van de Spaanse Nederlanden met het Iberische wereldrijk nader uit te werken zijn de artikelen in deze bundel gevat onder drie noemers. Allereerst wordt in een viertal artikelen aandacht besteed aan de rol van de Zuid-Nederlandse steden, die indertijd behoorden tot de dichtstbevolkte gebieden van Europa. Zo bespreken Raoul De Kerf en Bert De Munck de rol van de Zuid-Nederlandse steden als aanjagers van innovatie, waarbij met name de rol van de diverse gilden onder de loep wordt genomen. Annelies De Bie en Dirk van de Vijver geven vervolgens een overzicht van het systeem van leren in de praktijk in de werkplaatsen van deze steden. Als technische innovatoren, maar ook als verspreiders van kennis, komen vervolgens de militaire ingenieurs aan bod, die in de langdurige tijden van oorlog, tal van innovaties in cartografie, schansen- en bruggenbouw en andere belegeringswerktuigen hebben doorgevoerd. Dat de technische kennis opgedaan bij dergelijke innovaties daarna ook tot meer vreedzame toepassingen leidden, behoeft geen betoog. Pieter Martens en Dirk van de Vijver geven een fraai overzicht van de ontwikkelingen in dit technische vakgebied en hun beoefenaren tot ver in de achttiende eeuw. Ook de ontwikkeling van de geneeskunde in de Zuidelijke Nederlanden heeft veel te danken aan die urbane setting, zo betoogd Vincent Van Roy, die het brede perspectief van universitair opgeleide medici en praktisch werkende chirurgijns en apothekers, zowel qua opleiding, als qua markt weet te behandelen. Opmerkelijk genoeg gaat hij daarin voorbij aan de opkomst van de militaire geneeskunde tijdens de talrijke gevoerde veldslagen in de zestiende en vroege zeventiende eeuw.

Het tweede gedeelte van de bundel gaat in op de Iberische connecties van de Spaanse Nederlanden. Doordat in het zuiden een monarch aan het hoofd van de centrale staat stond, was in de Spaanse Nederlanden nog steeds sprake van een hofcultuur met een daarbij behorend systeem van patronage, in deze bundel besproken door Geert Vanpaemel. Deze patronage gevoed door het hof van de landvoogd in Brussel, stond in schril contrast met de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar in feite de grote steden de dienst uitmaakten, nog meer zelfs dan de autonome provincies, en waar de Staten-Generaal alleen op het gebied van patenten nog een rol in techniek en wetenschap speelden. Van belang in dit gedeelte is zeker het stuk van Werner Thomas en Johan Verberckmoes over de Zuidelijke Nederlanden als centrum van accumulatie van kennis, opgedaan elders in het grote Iberische wereldrijk. Heel mooi worden hier ook de veranderingen geschetst die op dit punt door de tijd heen zijn opgetreden. Florike Egmond en Sven Dupré haken op dit thema aan door een aspect van de materiële cultuur van de wetenschap te behandelen, namelijk het verzamelen en verspreiden van exotische naturalia in de Zuidelijke Nederlanden, vaak bijeengebracht in dat Iberische wereldrijk. Dat omgekeerd de Zuidelijke Nederlanden ook zelf kennisgerelateerde input leverden aan de Spaans-Portugese gebieden, blijkt uit het hoofdstuk van Piet Lombaerde, die de soms verrassende export van de eerder al besproken militaire ingenieurs en hun kennis en technieken naar de Spaans-Habsburgse wereld beschrijft en analyseert.

Het derde en laatste deel, tenslotte, behandelt ‘The Politics of Knowledge in the Spanish Netherlands’. In dit kader bespreken Bert De Munck en Arjan Van Dixhoorn de receptie van uiteenlopende innovaties en kennisgerelateerde teksten en objecten bij het publiek in de diverse stedelijke gemeenschappen van de Zuidelijke Nederlanden. Opnieuw komen hier de gilden aan bod, maar ook andere groepen, zoals rederijkers. Ralph Dekoninck en Agnes Guiderdoni gaan in op de rol van emblemata en andere afbeeldingen in de verspreiding van kennis, terwijl Krista De Jonge en Maarten Delbeke de rol van tekeningen en modellen in de bouwkunde behandelen. De relatie tussen artisticiteit, kunst en kennisontwikkeling staat centraal in de bijdrage van Christine Göttler en Tine Meganck, waarbij ook de rol van de ateliers als laboratoria van ontwikkeling de nodige aandacht krijgen. Een indrukwekkende literatuurlijst en een index besluiten deze ambitieuze bundel, die dus is samengesteld door een breed palet aan goed in de besproken materie ingevoerde auteurs uit diverse historische subdisciplines. Met elkaar laten zij inderdaad zien hoe verfrissend een nieuw leidend perspectief kan zijn bij de benadering van al eerder behandelde thema’s. Het heeft in elk geval een boek opgeleverd dat voor langere tijd verplichte literatuur zal zijn voor een ieder die zich met de kennisontwikkeling in dit deel van Europa bezig zal willen houden. Juist vanwege die Europese reikwijdte is het een zegen dat het boek in de Engelse taal is geschreven.